Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-01-09
ECLI:NL:GHSHE:2025:46
Strafrecht
Hoger beroep
6,081 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002432-17OWV
Uitspraak : 9 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 juli 2017 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-820924-14 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende te [adres] ,
thans uit anderen hoofde verblijvende in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 800.607,47 en heeft aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op
€ 2.018.921,58 en aan betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen van
€ 1.009.460,79.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de hoogte van het geschatte voordeel en van de opgelegde betalingsverplichting.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De rechtbank heeft betrokkene bij vonnis 22 november 2016 (parketnummer 02/820924-14) van veroordeeld ter zake van:
-feit 2: op 23 september 2014: medeplegen verkopen, afleveren, vervoeren, buiten grondgebied brengen van 22 kilo hennep;
-feit 3: op 15 januari 2015: medeplegen vervoeren 6,5 kg hennep;
-feit 4: op 12 februari 2015: medeplegen verkopen, afleveren, vervoeren van 1344 hennepstekken.
In hoger beroep heeft het hof bij arrest van 16 december 2021 (parketnummer 20-003621-16) voormelde bewezenverklaring overgenomen en heeft ten aanzien van feit 1 bewezen dat betrokkene:
-in de periode van 1 september 2014 tot en met 26 februari 2015 als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met – kort gezegd – hennephandel.
Daarbij heeft het hof betrokkene vrijgesproken van betrokkenheid bij de criminele organisatie over de periode van 1 mei 2014 tot 1 september 2014.
De wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de betrokkene (hierna [verdachte] ) door middel van het begaan van:
-de feiten als genoemd hiervoor onder 2, 3 en 4; en
-andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan, te weten leveringen van hennep in de periode van 1 mei 2014 tot en met 26 februari 2015;
een voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, heeft verkregen.
Het gaat telkens om feiten begaan door [verdachte] en de medebetrokkene [medeverdachte] .
Het gaat dus – kort gezegd – niet om het voordeel dat [verdachte] al dan niet uit zijn deelneming aan de criminele organisatie heeft verkregen.
Andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan periode van 1 mei 2014 tot 1 september 2014
Voor wat betreft de vraag of er voldoende aanwijzingen bestaan als bedoeld in artikel 36 e lid 2 Sr dient het volgende te worden vooropgesteld:
In de ontnemingsprocedure zijn de bewijsvoorschriften van de artikelen 338 tot en met 344a Sv niet van toepassing op de oordeelsvorming over het hebben begaan van andere strafbare feiten dan de bewezen verklaarde feiten. De vaststelling van schuld aan die andere delicten wordt dan ook niet geregeerd door de maatstaf van de ‘rechterlijke overtuiging’ (artikel 338 Sv), maar door die van ‘voldoende aanwijzingen’, terwijl het oordeel van de rechter over het bestaan van ‘aan feiten en omstandigheden ontleende voldoende aanwijzingen’ niet hoeft te berusten op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. De ‘voldoende aanwijzingen’ voor het begaan van andere (dan de bewezen verklaarde) strafbare feiten mag de rechter evenwel uitsluitend aannemen indien buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft begaan, aldus oordeelde de Hoge Raad in HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat voor wat betreft de periode van 1 januari 2014 tot 1 mei 2014 van onvoldoende aanwijzingen blijkt van betrokkenheid bij andere strafbare feiten. De door de rechtbank genoemde aanwijzingen (weergegeven op pagina 3 en 4 van het vonnis) zijn daartoe onvoldoende.
Voor de betrokkenheid van [verdachte] bij de hennephandel vanaf 1 mei 2014 sluit het hof aan bij de overwegingen van de rechtbank in de zaak [medeverdachte] .
Allereerst verwijst het hof voor de betrokkenheid van [verdachte] bij de hennephandel in de periode vanaf 1 mei 2014 naar het onderliggende strafvonnis. Daarin heeft de rechtbank overwogen dat zij bewezen acht dat er vanaf 1 mei 2014 hennepleveringen hebben plaatsgevonden, zij het dat deze niet in georganiseerd verband hebben plaatsgevonden.
Ter verdere onderbouwing verwijst het hof naar een tapgesprek van 20 mei 2014 (dossierpagina 7876) waarin [verdachte] aan een afnemer van verdovende middelen zegt dat “de Turk” onderweg is, waarmee [medeverdachte] wordt bedoeld.(hof: zie daarvoor ook pagina 3609 en 3610 van het dossier).
Verder verwijst het hof naar een tapgesprek van juli 2014 (dossierpagina 7889) waarin door [verdachte] in het verband van een henneplevering wordt gezegd dat “de Turkse jongen” ook meekomt
Ook zijn er SMS-berichten die duiden op hennephandel. Zo is er een SMS-bericht van 24 juli 2014 (dossierpagina 3610) waarin [medeverdachte] aan een NN-man “kleine babies” aanbiedt hetgeen versluierd taalgebruik is voor het aanbieden van stekjes.
Tenslotte is er nog sms-verkeer tussen [medeverdachte] en [verdachte] op 28, 29 en 30 juli 2014 waarin over stekjes, 100 AM en 120 kg nat en levering van 2 kilogram wordt gesproken (dossierpagina’s 3610 t/m 3613).
Het hof is van oordeel dat gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 1 mei 2014 tot 1 september 2014 in hennep hebben gehandeld
Geeringsjurisprudentie
Het hof overweegt nog dat de vrijspraak voor deelneming aan de criminele organisatie over de periode 1 mei 2014 tot 1 september 2014 niet aan voordeelsontneming over die periode in de weg staat.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 1.089.709,00 (eenmiljoen negenentachtigduizend zevenhonderdnegen euro)
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.035.224,00 (eenmiljoen vijfendertigduizend tweehonderdvierentwintig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. F. van Es, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 9 januari 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
De vrijspraak houdt namelijk enkel in dat niet bewezen is dat [verdachte] in die periode (de periode van 1 mei 2014 tot 1 september 2014) zich in georganiseerd verband bezig heeft gehouden met hennephandel. Dat impliceert echter niet dat buiten het verband van de criminele organisatie in de betreffende periode [verdachte] in hennep heeft gehandeld. Van strijdigheid met de Geerings-jurisprudentie is dan ook geen sprake.
Andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan periode 1 september 2014 tot en met 27 februari 2015.
In het ontnemingsrapport (p. 1414 t/m 1424) zijn de leveringen beschreven die als uitgangspunt voor de uiteindelijke extrapolatie hebben gediend. Het gaat dan – kort gezegd – over de navolgende 30 leveringen in een tijdsbestek van 21 weken (in het rapport wordt ten onrechte 20 weken genoemd):
6 vermoedelijke leveringen in de periode van 10 september 2014 tot en met 23 september 2014 (twee weken) (paragraaf 5.2.3.1 dossierpagina 1416 t/m 1417);
bestaande uit leveringen op:
-10 september 2014 van 4 kg hennep
-12 september 2014 van 3 kg hennep
-15 september 2014 van 10 kg hennep
-17 september 2014 van 5 kg hennep
-20 september 2014 van 4 kg hennep
-21 september 2014 van 20 kg hennep
Totaal: 46 kg hennep
4 vermoedelijke leveringen die zijn gebleken uit de gekraakte Blackberries van [verdachte] en [medeverdachte] over de periode van 17 februari 2015 tot en met 26 februari 2015 (een week) (paragraaf 5.2.3.2 dossierpagina’s 1417 t/m 1420); bestaande uit leveringen op:
-18 februari 2015 van 6 kg hennep
-18 februari 2015 van 20 kg hennep
-20 februari 2015 van 8,85 kg hennep
-26 februari 2015 van 5 kg hennep
Totaal: 39,85 kg hennep
De zogenaamde Belgische leveringen:
4 vermoedelijke leveringen die zijn gebleken uit de tap op het Belgische telefoonnummer van [medeverdachte] gedurende de periode van 4 november 2014 tot en met 8 december 2014 (vijf weken) (paragraaf 5.2.3.3. dossierpagina’s 1420 en 1421);bestaande uit leveringen op:
-11 november 2014 van 4 kg hennep
-21 november 2014 van 11 kg hennep
-25 november 2014 van 6 kg hennep
-3 december 2014 van 8 kg hennep
Totaal: 29 kg hennep
16 vermoedelijke leveringen die zijn gebleken uit de tap op het Belgische telefoonnummer van [verdachte] gedurende de periode van mei (4 weken), juli (4 weken), augustus (4 weken) en de eerste week van september 2014 (1 week) (totaal: 13 weken) (paragraaf 5.2.3.4 dossierpagina’s 4121 t/m 1424).
-mei 2014: 4 kg hennep
-22 mei 2014: 10 kg hennep en 5 kg hash
-10 juli 2014: 5 kg hennep
-15 juli 2014: 5 kg hennep
-16 juli 2014: 6,150 kg hennep
-19 juli 2014: 7 kg hennep
-24 juli 2014: 6 kg hennep
-25 juli 2014: 7 kg hennep
-30 juli 2014: 6 kg hennep
-31 juli 2014: 7 kg hennep
-3 augustus 2014: 6 kg hennep
-6 augustus 2014: 4,5 kg hennep
-8 augustus 2014: 6,430 kg hennep
-1 september 2014: 5 kg hennep
-6 september 2014: 4,7 kg hennep
-6 september 2014: 3 kg hennep
Totaal: 92,78 kg hennep
Ten aanzien van voormelde leveringen is het hof – gelet op de daarvoor in het ontnemingsrapport op voormelde dossierpagina’s gegeven onderbouwing – van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden gesteld dat [medeverdachte] en [verdachte] daarbij betrokken zijn geweest en dat deze dus gelden als “andere feiten” als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr.
Bij voormelde leveringen dienen dan nog te worden gevoegd de leveringen waarvan in de onderliggende strafzaak is bewezen dat [verdachte] daarbij betrokkenheid heeft gehad.
Het gaat dan om leveringen op:
-23 september 2014: 22 kg hennep
-15 januari 2015: 6,5 kg hennep
Verder zal het hof hierbij nog de navolgende leveringen in aanmerking nemen:
-21 november 2014: 14,6 kg hennep
-13 februari 2015: 13 kg hennep
Aan [medeverdachte] zijn deze leveringen in de onderliggende strafzaak wel ten laste gelegd (en ook bewezen) maar niet in de strafzaak van [verdachte] . Het hof is echter, gelet op de onderbouwing van die leveringen als neergelegd op de dossierpagina’s 1414 en 1415, van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden gesteld dat ook [verdachte] daarbij betrokkenheid heeft gehad en dat deze leveringen als andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36 e lid 2 Sr kunnen gelden.
Extrapolatie
In het ontnemingsrapport zijn de leveringen uit voormelde (referentieperiode) vervolgens geëxtrapoleerd over een periode van 92 weken, welke periode door het hof (zie hiervoor) nu is ingekort tot 40 weken, zijnde de periode van 1 mei 2014 tot 26 februari 2015.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat extrapolatie niet mogelijk is omdat – zakelijk weergegeven – daarvoor de referentieperiode onvoldoende representatief is. Verder zou extrapolatie over de periode gelegen voor 1 september 2014 niet mogelijk zijn gelet op de vrijspraak voor de criminele organisatie over de periode van 1 mei 2014 tot 1 september 2014.
Het hof stelt het volgende voorop.
Extrapolatie betreft een door de Hoge Raad aanvaarde schattingsmethode. Extrapolatie is het aanwenden van de resultaten van onderzoek naar de omvang van voordeel dat is verkregen uit delicten die zijn begaan in een bepaalde periode (de referentieperiode), voor de schatting van voordeel dat wederrechtelijk is verkregen gedurende een meeromvattende (langere) periode. Deze methode draagt de contouren van het generaliseren van de resultaten van een steekproef. Cruciaal voor de validiteit van de toegepaste extrapolatie is dat een over de referentieperiode vastgesteld gegeven (kengetal), zoals omzet, handelsvolume, winst, winstmarge, frequentie etc., (naar rato) voldoende representatief is voor het corresponderende kengetal over de meeromvattende periode. De ontnemingsrechter zal, gelet op zijn verantwoordelijkheid voor de waarheidsvinding, voor deze eis van representativiteit zelfstandig oog moeten hebben.
In het licht van deze vooropstelling is het hof van oordeel dat,
*gelet op de omvang van de referentieperiode, te weten 21 weken (afgezet tegen de – die 21 weken omvattende – periode van 40 weken waarover wordt ge-extrapoleerd),
*het aantal in die referentieperiode vastgestelde leveringen,
*de omvang van de afzonderlijke leveringen (variërend van 3 tot 22 kilogram),
*de onderbouwing van de leveringen in die referentieperiode en de
*betrokkenheid van [verdachte] en [medeverdachte] daarbij, zoals deze uit het ontnemingsrapport blijkt (hof: zie hiervoor), deze resultaten voldoende representatief zijn voor de meeromvattende periode van 1 mei 2014 tot 1 september 2014.
Inleiding
Dat een aantal leveringen in de referentieperiode in beslag zijn genomen doet aan de representativiteit van de (vastgestelde omvang van de handel in hennep in de) referentieperiode niet af
Het hof verwerpt daarmee het andersluidende standpunt van de verdediging en gaat uit van voormelde referentieperiode van 21 weken welke vervolgens over een periode van 40 weken zal worden geëxtrapoleerd.
Voor zover de verdediging heef betoogd dat extrapolatie over de periode gelegen voor 1 september 2014 gelet op de vrijspraak voor deelneming aan de criminele organisatie niet mogelijk is, vindt dit zijn verwerping in hetgeen het hof hiervoor ten aanzien van de Geerings-jurisprudentie heeft overwogen.
Schatting
Dit leidt tot de volgende schatting.
Uit het vorenstaande volgt met betrekking tot de Nederlandse leveringen:
-over de periode van 10 september 2014 tot en met 23 september 2014 is in totaal (46 kg+22 kg=) 68 kg hennep geleverd. Dit betreft een periode van 2 weken, derhalve bedraagt het gemiddeld aantal kilogrammen geleverde hennep per week (68/2=) 34 kg;
-over de periode van 17 februari 2015 tot en met 23 februari 2015 in totaal (39,85+13=) 52,85 kg hennep geleverd over een periode van 1 week.
Het gemiddelde aantal kilogrammen hennep per week verhandeld in Nederland bedraagt: (34+52,85 : 2 =) 43,4 kilogram per week.
Geëxtrapoleerd over de gehele periode van 40 weken (van 1 mei 2014 tot 26 februari 2015) betekent dit een hoeveelheid van (40 weken x 43,4 kilogram per week=) 1.736 kg geleverde hennep.
Uit het vorenstaande volgt met betrekking tot de Belgische leveringen
-over de periode van 4 november 2014 tot en met 8 december 2014 is in totaal (29 kg+14,6 kg=) 43,6 kg hennep geleverd. Dit betreft een periode van 5 weken, derhalve bedraagt het gemiddeld aantal kilogrammen geleverde hennep per week (43,6/5=) 8,7 kg.
-over de periode van mei, juli, augustus en een deel van september 2014 is in totaal 92,78 kilogram hennep geleverd. Dit betreft een periode van 13 weken, derhalve bedraagt het gemiddeld aantal kilogrammen geleverde hennep per week (92,78/13=) 7,1 kg.
Het gemiddelde aantal kilogrammen hennep per week verhandeld in België bedraagt: (8,7+7,1 : 2 =) 7,9 kg per week.
Uitgaande van de gehele periode van 40 weken betekent dit een hoeveelheid van (40 weken x 7,9 kilogram per week=) 316 kg hennep.
Totaal geleverde hoeveelheid hennep: (1.736 + 316 =) 2052 kg hennep
De opbrengst
Verkoopprijs
Het hof ziet met de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de in het ontnemingsrapport (dossierpagina 1412) gehanteerde verkoopprijs van € 4.800,- per kilogram. In het ontnemingsrapport is de gehanteerde verkoopprijs afgeleid uit de opgenomen en afgeluisterde gesprekken en in het voordeel van betrokkene vastgesteld op het laatstgenoemd bedrag per kilo.
De totale opbrengst bedraagt dan (2.052 kg x € 4.800,- =) € 9.849.600,-
De kosten
Inkoopprijs
Anders dan in het ontnemingsrapport maar overeenkomstig de rechtbank stelt het hof de inkoopprijs op een bedrag van € 3.782,74. Dit bedrag is vastgesteld overeenkomstig hetgeen door de officier van justitie in eerste aanleg daarover naar voren is gebracht.
De totale inkoopkosten bedragen dan (2052 kg x € 3.782,74 =) € 7.762.182,-.
Transportkosten
Overeenkomstig het ontnemingsrapport betrekt het hof bij de schatting nog de transportkosten, welke € 100,- per levering hebben bedragen en waarbij is uitgegaan van een gemiddeld aantal van 2 transporten per week. Over de gehele periode van 1 mei 2014 tot en met 26 februari 2015, wordt dan een bedrag van (40 x 2 x € 100,-=) € 8.000,- in aanmerking genomen.
Samenvattend wordt daarmee het uit andere strafbare feiten verkregen wederrechtelijk voordeel geschat op:
Opbrengst: € 9.949.600,-
Kosten inkoop: € 7.762.182,- -/-
Transportkosten: € 8.000,- -/-
Voordeel: € 2.179.418,-
Toerekening
De rechtbank (pagina 11 van het vonnis) heeft het voordeel aldus toegerekend dat van voornoemde 40 weken, de eerste twintig weken 70% van het voordeel aan [verdachte] is toegevloeid en 30% aan [medeverdachte] . Over de daarop volgende twintig weken heeft de rechtbank het voordeel naar een verdeelsleutel van 50%-50% aan [verdachte] en [medeverdachte] toegerekend.
Het hof volgt dit uitgangspunt van de rechtbank niet. Reden daarvoor is dat de rechtbank voor de toerekening is aangesloten bij de rolverdeling binnen de criminele organisatie die in het strafvonnis is vastgesteld. Naar het oordeel van het hof is dit niet juist omdat in de ontnemingszaak het voordeel niet is gebaseerd op de deelneming aan de criminele organisatie maar slechts is gerelateerd aan de betrokkenheid bij hennepleveranties buiten het georganiseerde verband van de criminele organisatie begaan.
Omtrent de wijze van toerekening overweegt het hof het navolgende.
Vooropgesteld moet worden dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. Dat betekent niet dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, verplicht is tot een verdeling te komen en evenmin dat pondspondsgewijze toerekening, ingeval de rechter wel tot een verdeling komt, dan op zichzelf het uitgangspunt dient te vormen. De omstandigheden van het geval zijn in deze beslissend. Voor het antwoord op de vraag in hoeverre de rechter tot een nadere motivering van zijn oordeel is gehouden, komt bovendien gewicht toe aan de procesopstelling van de betrokkene.
Het hof is van oordeel dat nu de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, het voordeel pondspondsgewijs aan [medeverdachte] en [verdachte] zal worden toegerekend. Daaruit volgt dat aan [verdachte] van het hiervoor vastgestelde voordeel wordt toegerekend een bedrag van
(€ 2.179.418,- gedeeld door 2 = ) € 1.089.709,-.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Redelijke termijn
Standpunten verdediging en advocaat-generaal
De verdediging en de advocaat-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat in de fase van het hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden en dat dit tot matiging van de betalingsverplichting dient te leiden. Waarbij de advocaat-generaal een matigingspercentage van tussen de 5% en 10% heeft genoemd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt de aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg op 6 november 2015 zijnde het moment waarop de ontnemingsvordering tegen betrokkene aanhangig is gemaakt.