Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-12-03
ECLI:NL:GHSHE:2024:3835
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht, Civiel recht; Goederenrecht
Hoger beroep
5,939 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.333.771/01
arrest van 3 december 2024
in de zaak van
1 [appellant] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [appellante] ,wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als [appellanten] ,
advocaat: mr. J.R.P.M. Scheepers te Roermond,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. B. van Duijn te Weert.
op het bij exploot van dagvaarding van 12 oktober 2023 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 12 juli 2023, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellanten] als geopposeerden, oorspronkelijk eisers en [geïntimeerde] als opposant, oorspronkelijk gedaagde.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties;
de memorie van antwoord met een productie;
de mondelinge behandeling, waarbij [appellanten] spreekaantekeningen hebben overgelegd;
de bij H12 formulier van 19 september 2024 door [appellanten] toegezonden producties 12 t/m 14 en de bij H12 formulier van 8 oktober 2024 door [appellanten] toegezonden productie 15, die bij de mondelinge behandeling door het hof aan de gedingstukken zijn toegevoegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
De zaak in het kort
Partijen zijn buren van elkaar. [appellanten] willen dat [geïntimeerde] een door hem geplaatste afrastering verplaatst omdat die op grond staat die hun eigendom is. Als de strook grond niet langer hun eigendom is, dan willen zij dat [geïntimeerde] die strook grond aan hen teruggeeft of een bedrag aan schadevergoeding betaalt omdat [geïntimeerde] die strook zonder daarop recht te hebben in bezit heeft genomen. Het hof staat voor de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] een stuk grond van [appellanten] door verjaring heeft verkregen. Als dat niet zo is, moet [geïntimeerde] zijn afrastering verplaatsen. Als dat wel zo is, en [geïntimeerde] die eigendom niet te goeder trouw heeft verkregen, dan ligt de vraag voor of [geïntimeerde] enige vorm van schadevergoeding aan [appellanten] moet betalen.
3De beoordeling
Feiten
3.1.
In dit hoger beroep staan de volgende feiten vast.
3.1.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [appellanten] zijn sinds 2010 eigenaar van het perceel
aan de [adres 1] in [plaats] en [geïntimeerde] is sinds 1993 eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [adres 2] in [plaats] . Het gebied waar [appellanten] en [geïntimeerde] nu wonen is, voordat [appellanten] er kwamen wonen, onderdeel geweest van een landherinrichting. Na de voltooiing van die landherinrichting heeft [geïntimeerde] een afrastering geplaatst.
3.1.2.
In 2010 heeft Ingenieursbureau [zzz] (hierna: [zzz] ) in opdracht van
[appellanten] de erfgrens tussen de percelen van partijen uitgemeten. Daarvan is de volgende veldwerktekening gemaakt.
3.1.3.
In 2022 heeft het Kadaster diezelfde erfgrens in opdracht van [geïntimeerde]
uitgemeten. Daarvan is de volgende veldwerktekening gemaakt.
3.1.4.
De afrastering van [geïntimeerde] staat niet op de kadastrale grens tussen de percelen van partijen. De strook grond gelegen tussen die afrastering en de kadastrale grens behoort uitgaande van de kadastrale gegevens tot het perceel van [appellanten]
3.1.5.
Begin 2020 hebben partijen gecorrespondeerd over het al dan niet moeten verplaatsen van de afrastering door [geïntimeerde] . Tot op heden is de feitelijke situatie niet gewijzigd.
Procesverloop
3.2.1.
In deze procedure vorderden [appellanten] , samengevat, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
[geïntimeerde] gebiedt de afrastering binnen 10 dagen na betekening van het vonnis op eigen perceel te (ver)plaatsen op straffe van verbeurte van een dwangsom, met machtiging van [appellanten] om, indien [geïntimeerde] niet vrijwillig binnen de termijn aan het vonnis voldoet, op kosten van [geïntimeerde] de afrastering te (laten) verplaatsen;
subsidiair:
[geïntimeerde] veroordeelt tot vergoeding van de schade op grond van onrechtmatige daad door het wederrechtelijk in bezit genomen goed aan [appellanten] over te dragen;
meer subsidiair:
[geïntimeerde] veroordeelt tot vergoeding van de schade op grond van onrechtmatige daad door het wederrechtelijk in bezit genomen goed tegen marktconforme prijs te vergoeden;
zowel primair als (meer) subsidiair
[geïntimeerde] veroordeelt in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke
rente indien betaling binnen de daarvoor bedoelde termijn uitblijft.
3.2.2.
Aan de primaire vordering hebben [appellanten] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat de afrastering van [geïntimeerde] zich bevindt op hun perceel, zodat [geïntimeerde] die afrastering dient te verwijderen. Aan de subsidiaire en meer subsidiaire vordering hebben zij ten grondslag gelegd dat, indien [geïntimeerde] inmiddels na het wederrechtelijk in bezit nemen van de strook grond tussen de afrastering van [geïntimeerde] en de kadastrale grens daarvan eigenaar is geworden, hij die strook bij wijze van schadevergoeding aan [appellanten] moet overdragen, dan wel een marktconforme prijs dient te betalen.
3.2.3.
Bij verstekvonnis van 3 augustus 2022 heeft de rechtbank de primaire vordering van [appellanten] toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom is gematigd en de machtiging is afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.2.4.
[geïntimeerde] heeft tegen dit verstekvonnis verzet ingesteld en gemotiveerd verweer gevoerd, inhoudende dat de afrastering wel op de kadastrale erfgrens staat, althans, subsidiair, dat hij vanwege verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond tussen zijn afrastering en de kadastrale grens, zonder enige vorm van schadevergoeding verschuldigd te zijn.
3.2.4.
In het eindvonnis van 12 juli 2023 heeft de rechtbank het standpunt van [geïntimeerde] dat de afrastering op de kadastrale erfgrens staat verworpen, maar het beroep op verkrijgende verjaring gehonoreerd. De rechtbank heeft het verzet van [geïntimeerde] gegrond verklaard, het verstekvonnis van 3 augustus 2023 vernietigd, de vorderingen van [appellanten] alsnog afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] .
Procesverloop
3.3.
[appellanten] hebben in hoger beroep elf grieven aangevoerd. [appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen, met beslissing over de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.
3.4.
[appellanten] betogen met hun grieven, samengevat, het volgende. Er is geen sprake van bezit van de strook grond vanaf 1992 door [geïntimeerde] als bedoeld in artikel 3:107 BW en volgende. Als wel sprake is van een dergelijk bezit dan was [geïntimeerde] ten tijde van de inbezitneming niet te goeder trouw. Voor zover goede trouw niettemin voorshands aanwezig wordt geacht, moeten [appellanten] in de gelegenheid worden gesteld tegenbewijs te leveren. Indien [geïntimeerde] niet te goeder trouw was ten tijde van de inbezitneming dan is de in dat geval toepasselijke verjaringstermijn van 20 jaar niet verstreken. Voor zover dat wel het geval is zijn de op onrechtmatige daad gegronde vorderingen van [appellanten] toewijsbaar.
3.5.
Het hof beoordeelt eerst of, en zo ja gedurende welke periode, [geïntimeerde] de strook grond tussen de afrastering en de kadastrale grens als weergegeven in de tekening van het kadaster (zie 3.1.3.) in bezit heeft gehad. Voor de beoordeling is het volgende van belang. De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 e.v. BW. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf volgens artikel 3:107 lid 1 BW. Het gaat daarbij om het (in)direct uitoefenen van feitelijke macht over een goed met de pretentie (gerechtvaardigd of niet) rechthebbende te zijn. “Voor zichzelf” wijst op exclusiviteit: met uitsluiting van anderen, waaronder de eigenaar. Bezit dient ondubbelzinnig te zijn. Dat is niet het geval indien machtsuitoefening over een goed net zo goed kan wijzen op gebruik als eigenaar als op gebruik in andere hoedanigheid. Dit is naar objectieve maatstaven te beoordelen. Artikel 3:108 BW leert dat naar verkeersopvatting, te vertalen als naar algemeen gangbare maatstaven, met inachtneming van de artikelen 3:109 BW t/m 3:117 BW en overigens op grond van uiterlijke feiten wordt beoordeeld of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet. De verkeersopvatting vormt hierbij het hoofdcriterium, dat zich slechts richt op uiterlijke feiten, met name de uitoefening van feitelijke macht. Dat wordt verwezen naar de uiterlijke feiten maakt duidelijk dat aan de wil om een goed voor zichzelf te houden alleen betekenis toekomt voor zover deze wil in die uiterlijke feiten tot uitdrukking komt. De wettelijke regels waar naar verwezen wordt vormen een aanvullend criterium naast dat van de verkeersopvatting en kunnen nopen tot een correctie van de conclusie waartoe een beoordeling van de uiterlijke feiten overeenkomstig de verkeersopvattingen leidt.
3.6.
[geïntimeerde] beroept zich op de rechtsgevolgen van verkrijgende en bevrijdende verjaring zodat stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die tot het beoogde rechtsgevolg kunnen leiden op hem rusten. [geïntimeerde] heeft over het bezit van de strook grond het volgende gesteld.
Toen de ruilverkaveling definitief was gemaakt, heeft het kadaster (circa) eind 1992 met markeringen/paaltjes de nieuwe grens uitgezet. Deze paaltjes staan er nog. [geïntimeerde] heeft toen in een rechte lijn tussen die markeringen de erfafrastering op eigen kadastraal perceel gezet (althans in ieder geval daarvan uitgaande, gelet op de geplaatste paaltjes/markeringen). De erfafrastering is sinds 1993 nooit meer verplaatst. De afrastering is wel een keer gerepareerd, maar staat al 30 jaar op exact dezelfde plaats. Daarvan is bewijs. [persoon A] verklaart schriftelijk dat zij heeft geholpen bij het plaatsen van de afrastering tussen twee bielzen en dat die afrastering nooit is verplaatst. Op foto’s uit de jaren ‘90 en begin 2000 is de afrastering al te zien. Op satellietfoto’s uit 2006, 2009 en 2018 is goed te zien dat de erfafscheiding van [geïntimeerde] in een rechte lijn (zonder bolling/boog) is geplaatst. De (onaannemelijke) stelling van [appellanten] dat het hekwerk eerst in een bolling zou hebben gestaan en recht zou zijn gezet (verplaatst) in 2012 of toch 2014 of toch 2017 kan reeds op basis van die foto’s worden verworpen. Daarvoor én daarna stond de erfafscheiding al in een rechte lijn.
3.7.
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] met zijn stellingen en de daarbij ter onderbouwing van die stellingen overgelegde verklaring en foto’s voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij begin 1993, met de plaatsing van een afrastering in een rechte lijn tussen de door het kadaster na de herinrichting geplaatste markeringspaaltjes, zijn nieuw verkregen perceel heeft afgebakend. Daartoe overweegt het hof dat de overgelegde verklaring en foto’s in onderling verband en samenhang bezien aansluiten bij de stellingen van [geïntimeerde] . [appellanten] vinden die stellingen en het daarbij ter onderbouwing overgelegde onvoldoende overtuigend en zij betwisten dat [geïntimeerde] al begin 1993 een afrastering heeft geplaatst die altijd op dezelfde plaats in een rechte lijn heeft gestaan. Ook betwisten zij dat met een afrastering voor paarden sprake is van een daad die duidt op de pretentie van [geïntimeerde] zich als eigenaar van de strook grond tussen de kadastrale grens en de afrastering te beschouwen.
3.8.
Nu [geïntimeerde] gemotiveerd heeft gesteld wanneer, op welke plaats en in welke vorm hij de afrastering heeft geplaatst is het aan [appellanten] om die stellingen voldoende gemotiveerd te betwisten. Pas indien [appellanten] dit voldoende hebben gedaan, komt (nadere) bewijslevering door [geïntimeerde] aan de orde. [appellanten] hebben echter volstaan met een niet nader gemotiveerde betwisting “bij gebrek aan wetenschap” van de stellingen van [geïntimeerde] . [appellanten] hadden nader onderzoek kunnen en daarom moeten doen naar de feitelijke situatie ter plaatse, bijvoorbeeld bij hun rechtsvoorganger(s) of directe omwonenden. Zij mochten dan ook niet volstaan met een niet nader gemotiveerde betwisting. Nu zij dit wel hebben gedaan, hebben zij de stellingen van [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd betwist. Het gespecificeerde bewijsaanbod van [appellanten] ziet alleen op de meting van [zzz] en het aldaar besprokene. Bij gebreke van een gespecificeerd bewijsaanbod over de door [appellanten] gestelde verplaatsing van de afrastering door [geïntimeerde] in 2012 (2014 of 2017 zijn gelet op de verjaringstermijn van 20 jaar niet relevant) is dan voor bewijslevering daarvan geen plaats. Dit brengt mee dat het hof als vaststaand aanneemt dat [geïntimeerde] vanaf begin 1993 een afrastering in een rechte lijn heeft geplaatst tussen twee door het kadaster geplaatste markeringen/paaltjes en dat die afrastering sindsdien op dezelfde locatie heeft gestaan.
3.9.
Aan de orde is nu of [geïntimeerde] naar objectieve maatstaven bezien er blijk van heeft gegeven de feitelijke macht over de strook grond tot aan de afrastering uit te oefenen met de pretentie, met uitsluiting van anderen, waaronder de eigenaar, daarvan rechthebbende te zijn. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende. [geïntimeerde] heeft kort na de voltooiing van de herinrichting waarbij ook zijn diverse (toenmalige) buren waren betrokken, voor die buren waaronder [persoon B] , de rechtsvoorganger van [appellanten] , zichtbaar tussen twee door het kadaster geplaatste perceelsgrenspaaltjes (zie 3.1.3. hierboven) een afrastering geplaatst. Op deze wijze was objectief bezien voor de buren kenbaar dat [geïntimeerde] de grond tot aan die nieuwe afrastering als zijn na de herinrichting verkregen grond beschouwde.
Procesverloop
De strook grond tussen de afrastering en de kadastrale erfgrens vormde vervolgens één geheel met de overige grond van [geïntimeerde] , waar zijn paarden liepen. Anders dan [appellanten] betogen, is de afrastering hier niet louter geplaatst met het doel paarden binnen een bepaald gebied te plaatsen. De hier aan de orde zijnde situatie is dan ook niet gelijk aan die waarover in de door [appellanten] genoemde uitspraak door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is geoordeeld. Dat de afrastering voor buren kenbaar als nieuwe erfgrensafbakening werd gezien, blijkt uit de omstandigheid dat Janssen een houten hekwerk had geplaatst op de locatie waar [appellanten] later hun hekwerk hebben laten plaatsen, parallel aan de afrastering van [geïntimeerde] .
3.10.
Voor verkrijgende verjaring is vereist dat [geïntimeerde] de strook grond begin 1993 te goeder trouw in bezit heeft genomen en dat dit bezit tot begin 2003 gedurende tien jaar onafgebroken heeft voortgeduurd. [appellanten] betogen dat [geïntimeerde] al vanaf 1993, althans vanaf 1996 wist dat zijn afrastering op grond van de buren stond. Daartoe verwijzen zij naar hun productie 10 en productie 5. Productie 10 bevat een e-mail van 29 maart 2020 van [geïntimeerde] aan [appellanten] Deze luidt onder andere als volgt.
“Wij betreuren het dat er een meningsverschil is over de grens tussen onze beider percelen. Ten tijde van de ruilverkaveling (periode 1985-1992) zijn percelen herverkaveld en heeft de Landinrichtingsdienst percelen toegewezen en aangegeven waar de grenzen liggen. Als bijlage voeg ik een scan van een aantal stukken toe;
namelijk:
• de situatietekening goedgekeurd door de gemeente op 7 sept. 1992;
• de situatietekening waarin met rode punten is aangegeven waar het Kadaster bij het uitmeten markeringspunten heeft geplaatst;
• de brief van het Kadaster d.d. 03-01-1996 over 'bijwerking kadastrale registratie (landinrichting) met als bijlage
• de situatietekening waarin de percelen aangegeven zijn.
Op basis daarvan hebben wij begin 1993 onze afrastering geplaatst en daartegen hebben wij nooit enig bezwaar ontvangen. Totdat u het Kadaster het perceel liet inmeten na verkrijging van het eigendom van het pand gelegen aan [adres 1] , waren wij ons er ook niet van bewust dat onze erfafscheiding niet goed zou staan.”
Het hof ziet noch in de tekst van deze e-mail, noch in de bij die e-mail gevoegde situatietekeningen aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerde] op grond van die tekeningen moest betwijfelen dat de door hem geplaatste afrastering op de nieuwe kadastrale erfgrens stond. De op de tekeningen weergegeven perceelsgrens is redelijkerwijs niet als een grens met een bolling te zien, zoals recent door het kadaster is gereconstrueerd (3.1.3. hierboven). Productie 5 van [appellanten] bevat dezelfde e-mail die het hof hier heeft besproken. De overige correspondentie bij die productie bevat ook geen situatietekeningen of andere aanknopingspunten voor het oordeel dat [geïntimeerde] op grond daarvan moest betwijfelen dat de door hem geplaatste afrastering op de nieuwe kadastrale erfgrens stond.
3.11.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd gesteld dat hij naar aanleiding van de door hem ontvangen tekeningen en het plaatsen van de twee door het kadaster geplaatste perceelsgrenspaaltjes mocht menen dat hij zijn afrastering op de nieuwe erfgrens plaatste. Het aannemen van een bewijsvermoeden ten gunste van [geïntimeerde] is dan niet nodig. Het is – eerst – aan [appellanten] om de stellingen van [geïntimeerde] voldoende gemotiveerd te betwisten. De betwisting van die stelling door [appellanten] is echter tot nu toe ontoereikend. Bij deze stand van zaken is dan voor bewijslevering geen plaats.
3.12.
[appellanten] hebben een dag voor de zitting van het hof als productie 15 een stuk van de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers met daarop een stempel “ruilverkaveling” aan het hof gezonden. Op dat stuk zijn meerdere data in 1988 vermeld en een datum in 1990. Ook is daarop in handschrift vermeld “ [geïntimeerde] akkoord met ingemeten grens”. De advocaat van [geïntimeerde] heeft ter zitting meegedeeld waarheidsvinding belangrijk te vinden, maar dat hij door dit stuk is overvallen. Het hof heeft dit stuk met het oog op de waarheidsvinding aan de gedingstukken toegevoegd met de vermelding dat het hof zal bewaken dat het beginsel van hoor en wederhoor in acht wordt genomen. De advocaat van [appellanten] heeft ter zitting over dit stuk meegedeeld dat [geïntimeerde] gelet op dit stuk al in 1988 dan wel in 1990 bekend was met de precieze inmeting door het kadaster, met de duidelijke knik in de kadastrale erfgrens en met de kadastrale uitzetpunten (betonnen buizen) en dat hij voor die nieuwe grens zijn akkoord heeft gegeven. Gelet op deze nieuwe informatie was [geïntimeerde] niet te goeder trouw toen hij zijn afrastering plaatste, zo betogen [appellanten] Het hof acht het in het kader van de waarheidsvinding van belang dat beide partijen een akte nemen en daarbij gemotiveerd toelichten van welke feiten dit stuk al dan niet bewijs biedt. Vervolgens zal het hof beoordelen of met dit stuk de beoordeling in 3.11. hiervoor over de goede trouw van [geïntimeerde] dient te worden herzien. Indien het hof te zijner tijd definitief tot het oordeel komt dat [geïntimeerde] te goeder trouw was, is hij na afloop van de dan geldende verjaringstermijn van tien jaar begin 2003 eigenaar van de strook grond geworden.
3.13.
Indien het hof te zijner tijd tot het oordeel komt dat [geïntimeerde] niet te goeder trouw was toen hij de afrastering plaatste, dan geldt dat voor bevrijdende verjaring is vereist dat [geïntimeerde] de strook grond vanaf begin 1993 gedurende 20 jaar onafgebroken in bezit heeft gehad. [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij de strook grond tot op heden in bezit heeft en dat de verjaringstermijn van 20 jaar is voltooid. [appellanten] hebben dit gemotiveerd weersproken. Zij hebben in hoger beroep het volgende aangevoerd. [appellant] heeft tijdens de inmeting door [zzz] in 2010 ter plekke met [geïntimeerde] over het resultaat daarvan gesproken en hem verzocht zijn afrastering te verplaatsen. [geïntimeerde] heeft toen volgens [appellanten] aangegeven de afrastering te zullen verplaatsen, maar dat pas op een later moment te kunnen uitvoeren. [appellanten] hebben deze situatie gedoogd. Op dat moment (november 2010), waarop [geïntimeerde] zich aldus realiseerde dat zijn erfafscheiding niet goed stond en aldus daarmee erkende geen eigenaar te zijn van het betwiste stuk grond (en zich bovendien bereid verklaarde de erfafscheiding te zullen verplaatsen), kan er al geen sprake zijn van bezit. Derhalve dient [geïntimeerde] dan ook als houder gekwalificeerd te worden. Dit betekent dat ingevolge het interversieverbod van artikel 3:111 BW het houderschap daarna niet opeens kan veranderen in bezit. Ook voorafgaand aan november 2010 is geen sprake geweest van bezit gedurende de voor bevrijdende verjaring vereiste termijn. In november 2010 was er nog geen 20 jaar gepasseerd, aldus [appellanten]
3.14.
Het hof heeft hierboven al geoordeeld dat [geïntimeerde] de strook grond begin 1993 in bezit heeft genomen en dat [geïntimeerde] , anders dan [appellanten] hebben betoogd, geen houder voor (de rechtsvoorganger) van [appellanten] was. Daarmee is begin 1993 de verjaringstermijn van 20 jaar voor bevrijdende verjaring gestart. [appellanten] hebben in hoger beroep aangevoerd dat [geïntimeerde] ten tijde van de inmeting door [zzz] in november 2010 heeft erkend dat [appellanten] eigenaar van de strook grond zijn en dat [geïntimeerde] als gevolg van die erkenning op dat moment geen bezitter (meer) kan zijn.