Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-01-22
ECLI:NL:GHARL:2026:354
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,018 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:354 text/xml public 2026-04-29T15:07:50 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-22 200.356.692 en 200.356.702 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl JPF 2026/65 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:354 text/html public 2026-01-28T16:51:30 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:354 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-01-2026 / 200.356.692 en 200.356.702 Toelating van stukken die volgens de wederpartij op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Toedeling huurrecht na echtscheiding. Het hof maakt in dat kader een belangenafweging en betrekt daarbij de recent overgelegde stukken. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.356.692 en 200.356.702 (zaaknummer rechtbank Gelderland 440408) beschikking van 22 januari 2026 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , verzoek in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J.F.W. Veraar, en [verweerster] , wonende te [woonplaats1] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.LE. Storm van ‘s Gravesande. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking). 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen op 30 juni 2025; - het verweerschrift met producties 1 tot en met 8; - een journaalbericht van mr. Veraar van 8 december 2025 met producties 3 tot en met 9 en een aanvullend verzoek; - een journaalbericht van mr. Storm van ’s Gravesande van 9 december 2025 met productie 9; een journaalbericht van mr. Veraar van 15 december 2025 met een brief met bijlage; een journaalbericht van mr. Storm van ’s Gravesande van 17 december 2025 met een brief. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 19 december 2025 plaatsgevonden. Daar zijn partijen en hun genoemde advocaten verschenen. 2.3 Namens de vrouw is bezwaar gemaakt tegen indiening van de stukken van de zijde van de man bij het journaalbericht van 15 december 2025. Die zijn ingediend binnen de tien-dagentermijn in het procesreglement en daarmee dus te laat. Na een korte schorsing heeft het hof besloten die stukken toe te laten en deze onderdeel te doen zijn van de beoordeling en beraadslagingen. Het betreft financiële stukken die door de man recent voor de mondelinge behandeling zijn ontvangen (de brief van de bank is gedateerd 1 december 2025), de inhoud daarvan is aan de vrouw bekend (het gaat om een tweede herinnering) en het betreft feiten waarvan de rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen en dus niet in de belangenafweging heeft kunnen meenemen, terwijl de rechtbank de financiële positie van de vrouw daarbij wel heeft meegewogen. Dat die stukken volgens de vrouw op onrechtmatige wijze zijn verkregen, doordat de man (al dan niet bij vergissing) voor de vrouw bestemde post heeft opengemaakt, is voor het hof in dit geval gelet op het voorgaande geen reden om de stukken niet toe te laten. In het civiele recht geldt niet als algemene regel dat de rechter op (mogelijk) onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, en het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan artikel 152 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, waarvan hier niet is gebleken, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd. 3 De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2021 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. 3.2 De vrouw heeft op 27 augustus 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan. 3.3 In de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.4 Behalve dat de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken, heeft de rechtbank ook bepaald dat de vrouw voortaan de huurster van de echtelijke woning in [woonplaats1] zal zijn met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Verder heeft de rechtbank bevolen dat partijen hun gemeenschap van goederen moeten gaan verdelen ten overstaan van een notaris. De verzoeken van partijen zijn voor het overige afgewezen. 4 De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil de uitgesproken echtscheiding en aan wie het huurrecht van de woning dient toe te komen. 4.2 De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om de bestreden beschikking ten aanzien van de uitgesproken echtscheiding en de toedeling van het huurrecht aan de vrouw te vernietigen en – als de echtscheiding wordt bekrachtigd – te bepalen dat hij huurder zal zijn van de echtelijke woning in [woonplaats1] met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Ook verzoekt hij ten aanzien van de proceskosten te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt. Aanvullend verzoekt hij het hof de vrouw te veroordelen hem € 6.812,50 te voldoen, zijnde de helft van de door hem betaalde huurpenningen vanaf september 2024. 4.3 De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing 5.1 De man komt in hoger beroep op tegen de uitgesproken echtscheiding, maar heeft daar geen grief tegen gericht of daartegen anderszins inhoudelijke argumenten aangevoerd. Desgevraagd heeft de man ter zitting verklaard geen bezwaar tegen de uitgesproken echtscheiding te hebben en evenmin tegen een bekrachtiging daarvan. Het hof zal daarom de uitgesproken echtscheiding bekrachtigen. 5.2 Nu de echtscheiding wordt bekrachtigd komt het hof toe aan bespreking van de enige grief van de man; het huurrecht van de woning. De rechtbank heeft het huurrecht van de woning na afweging van de wederzijdse belangen aan de vrouw toegedeeld en heeft in dat kader, samengevat, de volgende redengevende argumenten gehanteerd: de vrouw is chronisch ziek (chronische ontsteking van maag-/darmkanaal zonder zicht op behandeling) en heeft een vaste woonplek nodig; de vrouw kampt met depressies; verhuizing zal bij haar voor grote fysieke en psychische belasting zorgen; de man kan een verhuizing en daarmee gepaard gaand tijdelijk ongemak beter verdragen; de vrouw is arbeidsongeschikt en heeft WIA uitkering; gelet op dit alles zal het voor de vrouw moeilijk zijn een andere woning te vinden de man daarentegen is zelfstandige en heeft een hoger inkomen, voor hem zijn de kansen op de woningmarkt beter, wellicht in particuliere sector. 5.3 De man stelt dat de fysieke en psychische gesteldheid van de vrouw sterk wordt overdreven. Volgens hem heeft ze tot augustus 2024 soms wel zes dagen per week in de lunchroom van haar broer gewerkt. Voor het huwelijk woonde de vrouw in bij familie, dat kan volgens hem nu weer. Het inkomen van de man is volgens hem onvoldoende om voor de particuliere huursector in aanmerking te komen. Maar uiteindelijk gaat het volgens de man nu om de brief zoals die door hem is overgelegd op 15 december 2025. Die bewijst volgens hem dat de vrouw onwaarheden heeft gesproken, of dat er in ieder geval grote vraagtekens bij haar gestelde financiële en fysieke toestand kunnen worden geplaatst. Blijkbaar heeft de vrouw substantieel inkomen/vermogen. Nu het financiële argument in de belangafweging wegvalt, dient de balans volgens de man naar hem door te slaan. 5.4 De vrouw betwist het door de man gestelde. Haar klachten zijn niet overdreven.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:354 text/xml public 2026-04-29T15:07:50 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-01-22 200.356.692 en 200.356.702 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl JPF 2026/65 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:354 text/html public 2026-01-28T16:51:30 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:354 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 22-01-2026 / 200.356.692 en 200.356.702 Toelating van stukken die volgens de wederpartij op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Toedeling huurrecht na echtscheiding. Het hof maakt in dat kader een belangenafweging en betrekt daarbij de recent overgelegde stukken. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.356.692 en 200.356.702 (zaaknummer rechtbank Gelderland 440408) beschikking van 22 januari 2026 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] , verzoek in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J.F.W. Veraar, en [verweerster] , wonende te [woonplaats1] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. M.LE. Storm van ‘s Gravesande. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook aangeduid als: de bestreden beschikking). 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties 1 en 2, ingekomen op 30 juni 2025; - het verweerschrift met producties 1 tot en met 8; - een journaalbericht van mr. Veraar van 8 december 2025 met producties 3 tot en met 9 en een aanvullend verzoek; - een journaalbericht van mr. Storm van ’s Gravesande van 9 december 2025 met productie 9; een journaalbericht van mr. Veraar van 15 december 2025 met een brief met bijlage; een journaalbericht van mr. Storm van ’s Gravesande van 17 december 2025 met een brief. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 19 december 2025 plaatsgevonden. Daar zijn partijen en hun genoemde advocaten verschenen. 2.3 Namens de vrouw is bezwaar gemaakt tegen indiening van de stukken van de zijde van de man bij het journaalbericht van 15 december 2025. Die zijn ingediend binnen de tien-dagentermijn in het procesreglement en daarmee dus te laat. Na een korte schorsing heeft het hof besloten die stukken toe te laten en deze onderdeel te doen zijn van de beoordeling en beraadslagingen. Het betreft financiële stukken die door de man recent voor de mondelinge behandeling zijn ontvangen (de brief van de bank is gedateerd 1 december 2025), de inhoud daarvan is aan de vrouw bekend (het gaat om een tweede herinnering) en het betreft feiten waarvan de rechtbank geen kennis heeft kunnen nemen en dus niet in de belangenafweging heeft kunnen meenemen, terwijl de rechtbank de financiële positie van de vrouw daarbij wel heeft meegewogen. Dat die stukken volgens de vrouw op onrechtmatige wijze zijn verkregen, doordat de man (al dan niet bij vergissing) voor de vrouw bestemde post heeft opengemaakt, is voor het hof in dit geval gelet op het voorgaande geen reden om de stukken niet toe te laten. In het civiele recht geldt niet als algemene regel dat de rechter op (mogelijk) onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, en het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan artikel 152 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, waarvan hier niet is gebleken, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd. 3 De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2021 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen. 3.2 De vrouw heeft op 27 augustus 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken gedaan. 3.3 In de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.4 Behalve dat de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken, heeft de rechtbank ook bepaald dat de vrouw voortaan de huurster van de echtelijke woning in [woonplaats1] zal zijn met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Verder heeft de rechtbank bevolen dat partijen hun gemeenschap van goederen moeten gaan verdelen ten overstaan van een notaris. De verzoeken van partijen zijn voor het overige afgewezen. 4 De omvang van het geschil 4.1 Tussen partijen is in geschil de uitgesproken echtscheiding en aan wie het huurrecht van de woning dient toe te komen. 4.2 De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om de bestreden beschikking ten aanzien van de uitgesproken echtscheiding en de toedeling van het huurrecht aan de vrouw te vernietigen en – als de echtscheiding wordt bekrachtigd – te bepalen dat hij huurder zal zijn van de echtelijke woning in [woonplaats1] met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Ook verzoekt hij ten aanzien van de proceskosten te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt. Aanvullend verzoekt hij het hof de vrouw te veroordelen hem € 6.812,50 te voldoen, zijnde de helft van de door hem betaalde huurpenningen vanaf september 2024. 4.3 De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof om de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5 De motivering van de beslissing 5.1 De man komt in hoger beroep op tegen de uitgesproken echtscheiding, maar heeft daar geen grief tegen gericht of daartegen anderszins inhoudelijke argumenten aangevoerd. Desgevraagd heeft de man ter zitting verklaard geen bezwaar tegen de uitgesproken echtscheiding te hebben en evenmin tegen een bekrachtiging daarvan. Het hof zal daarom de uitgesproken echtscheiding bekrachtigen. 5.2 Nu de echtscheiding wordt bekrachtigd komt het hof toe aan bespreking van de enige grief van de man; het huurrecht van de woning. De rechtbank heeft het huurrecht van de woning na afweging van de wederzijdse belangen aan de vrouw toegedeeld en heeft in dat kader, samengevat, de volgende redengevende argumenten gehanteerd: de vrouw is chronisch ziek (chronische ontsteking van maag-/darmkanaal zonder zicht op behandeling) en heeft een vaste woonplek nodig; de vrouw kampt met depressies; verhuizing zal bij haar voor grote fysieke en psychische belasting zorgen; de man kan een verhuizing en daarmee gepaard gaand tijdelijk ongemak beter verdragen; de vrouw is arbeidsongeschikt en heeft WIA uitkering; gelet op dit alles zal het voor de vrouw moeilijk zijn een andere woning te vinden de man daarentegen is zelfstandige en heeft een hoger inkomen, voor hem zijn de kansen op de woningmarkt beter, wellicht in particuliere sector. 5.3 De man stelt dat de fysieke en psychische gesteldheid van de vrouw sterk wordt overdreven. Volgens hem heeft ze tot augustus 2024 soms wel zes dagen per week in de lunchroom van haar broer gewerkt. Voor het huwelijk woonde de vrouw in bij familie, dat kan volgens hem nu weer. Het inkomen van de man is volgens hem onvoldoende om voor de particuliere huursector in aanmerking te komen. Maar uiteindelijk gaat het volgens de man nu om de brief zoals die door hem is overgelegd op 15 december 2025. Die bewijst volgens hem dat de vrouw onwaarheden heeft gesproken, of dat er in ieder geval grote vraagtekens bij haar gestelde financiële en fysieke toestand kunnen worden geplaatst. Blijkbaar heeft de vrouw substantieel inkomen/vermogen. Nu het financiële argument in de belangafweging wegvalt, dient de balans volgens de man naar hem door te slaan. 5.4 De vrouw betwist het door de man gestelde. Haar klachten zijn niet overdreven.
Volledig
Ze werkt ook niet in de lunchroom van haar broer. Sinds 2022 verricht de vrouw al geen betaalde arbeid meer. Ze was aanwezig in de lunchroom, omdat ze thuis geen rust had. Tijdens het huwelijk was volgens haar namelijk sprake van langdurige geestelijke mishandeling door de man en structureel overspel. In de lunchroom bij haar familie voelde ze zich veilig, maar ze kan niet bij haar familie inwonen. Dat de man niet aanmerking komt voor de particuliere huursector blijkt nergens uit, terwijl het inkomen van de vrouw rond de € 20.000 is. De betreffende door de man overgelegde brief doet volgens de vrouw niet terzake. Die brief refereert aan een lening die de vrouw in 2022, ten tijde van het huwelijk, heeft afgesloten. Ze heeft altijd al het idee gehad om een schoonheidssalon te beginnen en daar zijn voorbereidingen voor getroffen, maar haar gezondheid liet het niet toe. Ze heeft geen B.V. opgericht en heeft ook niets met de in de brief genoemde [naam1] B.V. van doen. De salon is al open en operationeel, maar de vrouw is daarin niet werkzaam. De lening is afgesloten om investeringen te doen, zoals de aanschaf van apparatuur. 5.5 Het hof overweegt als volgt. Uit de brief van de [bank] gedateerd 1 december 2025 blijkt dat de vrouw bij de bank heeft aangegeven bezig te zijn met het opzetten van een eigen schoonheidssalon. Ook blijkt daaruit dat de vrouw bij de bank heeft verklaard van [naam1] B.V. € 162.200 te hebben geleend en dat die lening schriftelijk is vastgesteld. De bank verzoekt in de brief om meer informatie over die lening en om een kopie van de leenovereenkomst. Uit de brief blijkt verder dat de vrouw tussen 16 februari 2022 en 6 november 2025 in totaal € 266.120,68 heeft ontvangen van [naam1] B.V. Ook daarover heeft de bank vragen en ook over het aanhouden door de vrouw van € 20.000 in contanten en opnames in contanten van € 57.150. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw desgevraagd bevestigd het totaalbedrag van € 266.120,68 te hebben ontvangen. Hoewel de vrouw stelt dat de brief van de [bank] niet terzake doet, roept die bij het hof allerlei vragen op. Het hof heeft op de mondelinge behandeling daarom vragen gesteld over de verkrijgingstitel van de gelden, het bestedingsdoel en waar dat geld nu is. De vrouw verklaarde dat het grootste deel van dat bedrag, zo’n € 250.000, een lening is. Daarvan is volgens de vrouw een leningsovereenkomst opgemaakt, maar die is door haar niet overgelegd. Die maakt dus geen deel uit van het procesdossier. De vrouw heeft verder verklaard dat de man deze overeenkomst niet medeondertekend heeft en dat hij ook niets van de lening afwist. Ook verklaarde de vrouw een gedeelte van ongeveer € 200.000 van dat bedrag contant te hebben opgenomen, omdat zij bang was dat de man het anders zou opnemen. 5.6 Het is het hof, ook na de toelichting van de vrouw op de zitting, niet duidelijk geworden waarom de vrouw gedurende het huwelijk ruim twee en halve ton heeft ontvangen buiten medeweten van de man en wat zij met dat geld heeft gedaan. Dat sprake zou zijn van een lening zoals de vrouw stelt, is niet komen vast te staan nu een onderliggende schriftelijke leenovereenkomst ontbreekt en dit door de man in twijfel wordt getrokken. Ook is niet duidelijk geworden waarom de vrouw een dergelijk substantieel bedrag zou lenen voor een schoonheidssalon, terwijl zij volgens haar zeggen niet in staat is te werken. Kennelijk is die salon inmiddels wel operationeel, maar werkt de vrouw daar niet. Niet duidelijk is dan waarom de vrouw leningen zou hebben afgesloten om apparatuur voor de schoonheidssalon aan te schaffen, als zij daar kennelijk geen bemoeienis mee heeft of althans niet duidelijk is in hoeverre zij met die onderneming is verbonden. Evenmin is duidelijk geworden waar het resterende gedeelte van de ontvangen gelden is. Er is kortom veel onduidelijk over de financiële positie van de vrouw. Zij heeft hierin ook op vragen van het hof geen duidelijkheid verschaft, zoals zij kennelijk blijkens de brief ook niet heeft gedaan jegens de [bank] . 5.7 Het voorgaande plaatst de belangafweging die de rechtbank heeft gemaakt over het huurrecht naar het oordeel van het hof in een ander daglicht. De rechtbank was er niet van op de hoogte dat de vrouw aanzienlijke geldbedragen heeft ontvangen, terwijl de rechtbank de financiële positie van de vrouw wel in belangrijke mate in haar voordeel heeft meegewogen. Dat de vrouw geen sluitende financiële verantwoording kan afleggen over de grote geldbedragen die zij gedurende het huwelijk heeft ontvangen, waarvan de man niet op de hoogte was, heeft voor het hof niet alleen invloed op de geloofwaardigheid van de vrouw ten aanzien van haar de financiën, maar straalt ook af op haar geloofwaardigheid ten aanzien van het medische aspect in de belangenafweging. Daarbij komt dat de man ter zitting onweersproken verklaarde dat zijn onderneming op het adres van de woning staat ingeschreven en dat er in het verleden, toen de man deze woning niet had en hij dakloos was, veel mis ging met de post voor zijn onderneming en daarmee met een goede bedrijfsvoering. Het is volgens de man van belang dat zijn onderneming een adres heeft en dat is deze woning. Dit alles overziende is voor het hof aanleiding om na afweging van de belangen het huurrecht van de woning aan de man toe te delen. Zijn grief slaagt. 5.8 Het aanvullend verzoek van de man over de verrekening van de huur zal hof niet behandelen, omdat dat in strijd is met de uit artikel 347 Rv voorvloeiende tweeconclusieregel. Die regel houdt in dat veranderingen of vermeerderingen van verzoek in hoger beroep in het beroeps- of verweerschrift dienen te worden aangevoerd. Deze in beginsel strakke regel lijdt onder meer uitzondering als de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. In de onderhavig zaak is daar geen sprake van. In de bestreden beschikking is partijen bevolen hun gemeenschap van goederen te verdelen ten overstaan van een notaris. Verrekening van huren kan daarin worden meegenomen. Bovendien is deze kwestie niet nieuw en had dus al in het beroepschrift naar voren kunnen worden gebracht. 6 De slotsom 6.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het de uitgesproken echtscheiding betreft bekrachtigen en voor zover is bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de woning vernietigen en het huurrecht aan de man toedelen zoals hierna vermeld. 6.2 Omdat partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk betreft, zal het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat houdt in dan partijen ieder hun eigen kosten dragen. 7 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: 7.1 bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2025, voor zover daarin tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken; 7.2 vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2025, voor zover daarin is bepaald dat de vrouw voortaan huurster zal zijn van de woning aan [adres] in [woonplaats1] en in zoverre opnieuw beschikkende: 7.3 deelt het huurrecht van de woning aan [adres] in [woonplaats1] toe aan de man; 7.4 verklaart deze beschikking ten aanzien van beslissing over het huurrecht uitvoerbaar bij voorraad; 7.5 compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; 7.6 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 22 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942
Volledig
Ze werkt ook niet in de lunchroom van haar broer. Sinds 2022 verricht de vrouw al geen betaalde arbeid meer. Ze was aanwezig in de lunchroom, omdat ze thuis geen rust had. Tijdens het huwelijk was volgens haar namelijk sprake van langdurige geestelijke mishandeling door de man en structureel overspel. In de lunchroom bij haar familie voelde ze zich veilig, maar ze kan niet bij haar familie inwonen. Dat de man niet aanmerking komt voor de particuliere huursector blijkt nergens uit, terwijl het inkomen van de vrouw rond de € 20.000 is. De betreffende door de man overgelegde brief doet volgens de vrouw niet terzake. Die brief refereert aan een lening die de vrouw in 2022, ten tijde van het huwelijk, heeft afgesloten. Ze heeft altijd al het idee gehad om een schoonheidssalon te beginnen en daar zijn voorbereidingen voor getroffen, maar haar gezondheid liet het niet toe. Ze heeft geen B.V. opgericht en heeft ook niets met de in de brief genoemde [naam1] B.V. van doen. De salon is al open en operationeel, maar de vrouw is daarin niet werkzaam. De lening is afgesloten om investeringen te doen, zoals de aanschaf van apparatuur. 5.5 Het hof overweegt als volgt. Uit de brief van de [bank] gedateerd 1 december 2025 blijkt dat de vrouw bij de bank heeft aangegeven bezig te zijn met het opzetten van een eigen schoonheidssalon. Ook blijkt daaruit dat de vrouw bij de bank heeft verklaard van [naam1] B.V. € 162.200 te hebben geleend en dat die lening schriftelijk is vastgesteld. De bank verzoekt in de brief om meer informatie over die lening en om een kopie van de leenovereenkomst. Uit de brief blijkt verder dat de vrouw tussen 16 februari 2022 en 6 november 2025 in totaal € 266.120,68 heeft ontvangen van [naam1] B.V. Ook daarover heeft de bank vragen en ook over het aanhouden door de vrouw van € 20.000 in contanten en opnames in contanten van € 57.150. Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw desgevraagd bevestigd het totaalbedrag van € 266.120,68 te hebben ontvangen. Hoewel de vrouw stelt dat de brief van de [bank] niet terzake doet, roept die bij het hof allerlei vragen op. Het hof heeft op de mondelinge behandeling daarom vragen gesteld over de verkrijgingstitel van de gelden, het bestedingsdoel en waar dat geld nu is. De vrouw verklaarde dat het grootste deel van dat bedrag, zo’n € 250.000, een lening is. Daarvan is volgens de vrouw een leningsovereenkomst opgemaakt, maar die is door haar niet overgelegd. Die maakt dus geen deel uit van het procesdossier. De vrouw heeft verder verklaard dat de man deze overeenkomst niet medeondertekend heeft en dat hij ook niets van de lening afwist. Ook verklaarde de vrouw een gedeelte van ongeveer € 200.000 van dat bedrag contant te hebben opgenomen, omdat zij bang was dat de man het anders zou opnemen. 5.6 Het is het hof, ook na de toelichting van de vrouw op de zitting, niet duidelijk geworden waarom de vrouw gedurende het huwelijk ruim twee en halve ton heeft ontvangen buiten medeweten van de man en wat zij met dat geld heeft gedaan. Dat sprake zou zijn van een lening zoals de vrouw stelt, is niet komen vast te staan nu een onderliggende schriftelijke leenovereenkomst ontbreekt en dit door de man in twijfel wordt getrokken. Ook is niet duidelijk geworden waarom de vrouw een dergelijk substantieel bedrag zou lenen voor een schoonheidssalon, terwijl zij volgens haar zeggen niet in staat is te werken. Kennelijk is die salon inmiddels wel operationeel, maar werkt de vrouw daar niet. Niet duidelijk is dan waarom de vrouw leningen zou hebben afgesloten om apparatuur voor de schoonheidssalon aan te schaffen, als zij daar kennelijk geen bemoeienis mee heeft of althans niet duidelijk is in hoeverre zij met die onderneming is verbonden. Evenmin is duidelijk geworden waar het resterende gedeelte van de ontvangen gelden is. Er is kortom veel onduidelijk over de financiële positie van de vrouw. Zij heeft hierin ook op vragen van het hof geen duidelijkheid verschaft, zoals zij kennelijk blijkens de brief ook niet heeft gedaan jegens de [bank] . 5.7 Het voorgaande plaatst de belangafweging die de rechtbank heeft gemaakt over het huurrecht naar het oordeel van het hof in een ander daglicht. De rechtbank was er niet van op de hoogte dat de vrouw aanzienlijke geldbedragen heeft ontvangen, terwijl de rechtbank de financiële positie van de vrouw wel in belangrijke mate in haar voordeel heeft meegewogen. Dat de vrouw geen sluitende financiële verantwoording kan afleggen over de grote geldbedragen die zij gedurende het huwelijk heeft ontvangen, waarvan de man niet op de hoogte was, heeft voor het hof niet alleen invloed op de geloofwaardigheid van de vrouw ten aanzien van haar de financiën, maar straalt ook af op haar geloofwaardigheid ten aanzien van het medische aspect in de belangenafweging. Daarbij komt dat de man ter zitting onweersproken verklaarde dat zijn onderneming op het adres van de woning staat ingeschreven en dat er in het verleden, toen de man deze woning niet had en hij dakloos was, veel mis ging met de post voor zijn onderneming en daarmee met een goede bedrijfsvoering. Het is volgens de man van belang dat zijn onderneming een adres heeft en dat is deze woning. Dit alles overziende is voor het hof aanleiding om na afweging van de belangen het huurrecht van de woning aan de man toe te delen. Zijn grief slaagt. 5.8 Het aanvullend verzoek van de man over de verrekening van de huur zal hof niet behandelen, omdat dat in strijd is met de uit artikel 347 Rv voorvloeiende tweeconclusieregel. Die regel houdt in dat veranderingen of vermeerderingen van verzoek in hoger beroep in het beroeps- of verweerschrift dienen te worden aangevoerd. Deze in beginsel strakke regel lijdt onder meer uitzondering als de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. In de onderhavig zaak is daar geen sprake van. In de bestreden beschikking is partijen bevolen hun gemeenschap van goederen te verdelen ten overstaan van een notaris. Verrekening van huren kan daarin worden meegenomen. Bovendien is deze kwestie niet nieuw en had dus al in het beroepschrift naar voren kunnen worden gebracht. 6 De slotsom 6.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het de uitgesproken echtscheiding betreft bekrachtigen en voor zover is bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de woning vernietigen en het huurrecht aan de man toedelen zoals hierna vermeld. 6.2 Omdat partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk betreft, zal het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat houdt in dan partijen ieder hun eigen kosten dragen. 7 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: 7.1 bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2025, voor zover daarin tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken; 7.2 vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2025, voor zover daarin is bepaald dat de vrouw voortaan huurster zal zijn van de woning aan [adres] in [woonplaats1] en in zoverre opnieuw beschikkende: 7.3 deelt het huurrecht van de woning aan [adres] in [woonplaats1] toe aan de man; 7.4 verklaart deze beschikking ten aanzien van beslissing over het huurrecht uitvoerbaar bij voorraad; 7.5 compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt; 7.6 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, M.L. van der Bel en C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 22 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942