Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-05-11
ECLI:NL:GHARL:2026:2903
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
12,133 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2903 text/xml public 2026-05-19T12:00:27 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-11 200.363.065/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Arbeidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2025:4834 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2903 text/html public 2026-05-19T09:13:55 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2903 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-05-2026 / 200.363.065/01 Wwz. Arbeidszaak. Ontbinding op de g-grond. Ernstig verwijtbaar handelen werkgever. Toekenning billijke vergoeding. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.363.065/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, 11778378 beschikking van 11 mei 2026 in de zaak van Calidad B.V. die is gevestigd in [vestigingsplaats] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als verzoekster en verweerster in het zelfstandig tegenverzoek hierna te noemen: Calidad advocaat: mr. A.E. Doornbos en [verweerder] die woont in [woonplaats] die ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als verweerder en verzoeker in het zelfstandig tegenverzoek advocaat: mr. M.L. Bron 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Calidad heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 9 oktober 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: - het beroepschrift van 23 december 2025 - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van 21 februari 2026 - het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van 5 maart 2026 - het verslag van de mondelinge behandeling die op 18 maart 2026 is gehouden (het proces-verbaal). 2 De kern van de zaak 2.1 De kantonrechter heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] afgewezen. Wel heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarbij is Calidad veroordeeld om aan [verweerder] te betalen de transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding voor proceskosten. 2.2 Calidad is het daar niet mee eens. Volgens haar heeft de kantonrechter ten onrechte een billijke vergoeding van € 15.000 bruto toegekend wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan haar kant. Voor zover het hof van oordeel is dat Calidad wel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld dient de billijke vergoeding op nihil te worden gesteld of sterk te worden gematigd. 2.3 Ook [verweerder] is het niet eens met de uitspraak van de kantonrechter. Hij wil een hogere billijke vergoeding, namelijk € 65.000 bruto zonder en € 95.000 bruto met een vergoeding voor advocaatkosten. 2.4 Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid van Calidad en kent [verweerder] een nog iets hogere billijke vergoeding toe. Hierna licht het hof deze beslissingen toe, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven. 3 Achtergrond van de zaak 3.1 Het hof gaat uit van de feiten zoals beschreven in de rov. 2.1 tot en met 2.31 van de bestreden beschikking. Samengevat speelt in deze zaak het volgende. 3.2 Calidad is een onderneming die op vier verschillende locaties een kleinschalige, beschermde woon-, werk- en leeromgeving aanbiedt voor kwetsbare cliënten. [verweerder] , geboren in 1980, is [in] 2010 in dienst getreden bij Calidad . De laatste functie die [verweerder] bij Calidad vervulde, is die van begeleider Pubergroep. Hij ontving daarvoor een salaris van € 3.592 bruto per maand, exclusief toeslagen. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Sociaal Werk, Welzijn en Maatschappelijk Werk van toepassing. 3.3 In de nacht van 1 op 2 september 2024 hebben twee minderjarige cliënten ernstige overlast veroorzaakt bij Calidad . Een collega van [verweerder] , [naam1] , was die nacht aan het werk. [naam1] heeft haar ervaringen in de groepsapp met haar collega’s gedeeld. [verweerder] had op dat moment vakantie. In de ochtend van 2 september 2024 zijn [verweerder] en [naam2] , een andere collega van [verweerder] , op eigen initiatief naar Calidad toegegaan. Daar hebben zij tegen de cliënten fysiek opgetreden. Van (een deel van) het incident bestaan geluidsopnames, door (één van de) cliënten gemaakt. 3.4 Op 2 september 2024 hebben [verweerder] , [naam1] en [naam2] het incident gemeld bij teamleider [naam3] . 3.5 In een brief van 4 september 2024 is [verweerder] op non-actief gesteld. 3.6 Calidad heeft het incident vervolgens, conform haar wettelijke verplichting, gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). 3.7 [verweerder] heeft zich op 21 september 2024 ziekgemeld. 3.8 Op 23 september 2024 heeft er, in het kader van hoor en wederhoor, een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en [naam4] , directeur van Calidad . 3.9 Op 26 september 2024 heeft er opnieuw een gesprek tussen hen plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is aan [verweerder] medegedeeld dat Calidad heeft besloten om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Calidad heeft [verweerder] een vaststellingsovereenkomst aangeboden, waarmee hij niet heeft ingestemd. 3.10 Bij verzoekschrift van 28 november 2024 heeft Calidad een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingesteld, primair op de e-grond, subsidiair op de g-grond en meer subsidiair op de i-grond (hierna: het eerste verzoek). [verweerder] heeft verweer gevoerd en een zelfstandig tegenverzoek ingesteld. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 22 januari 2025 heeft Calidad haar verzoek ingetrokken. Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de kantonrechter beslist op het tegenverzoek van [verweerder] . Calidad is daarbij veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris en de proceskosten. 3.11 Op 7 februari 2025 is [verweerder] bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat [verweerder] arbeidsongeschikt is en dat werkhervatting op dit moment niet mogelijk is. [verweerder] heeft bij de bedrijfsarts aangegeven dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van werk of de werkomstandigheden. Geadviseerd wordt om mediation in te zetten. Calidad heeft vervolgens een mediator ingeschakeld, die de mediation in afwachting van de nog tussen partijen aanhangige procedure heeft aangehouden. Na de beschikking van 8 mei 2025 heeft één (inhoudelijk) mediationgesprek tussen [verweerder] en [naam4] plaatsgevonden, waarna de mediator de mediation heeft beëindigd zonder dat partijen tot afspraken zijn gekomen. 3.12 Op 14 mei 2025 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [verweerder] nog steeds arbeidsongeschikt is. Volgens de bedrijfsarts hangen de klachten van [verweerder] volledig samen met het arbeidsconflict. Het advies luidt om op korte termijn samen via mediation of een andere route tot een plan te komen richting de toekomst, waarna [verweerder] duurzaam kan starten in re-integratiewerkzaamheden. Bij afronding van het conflict verwacht de bedrijfsarts dat [verweerder] binnen 1-2 maanden volledig inzetbaar is voor eigen of ander werk. 3.13 Daarop heeft op 26 mei 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , zijn advocaat en [naam4] . Partijen zijn daarin en in de daarop volgende e-mailwisseling niet tot overeenstemming gekomen, waarna Calidad de onderhavige procedure is gestart (hierna: het tweede verzoek). 4 Het oordeel van het hof in het hoger beroep 4.1 De kantonrechter heeft (in rov. 5.14 van de beschikking) geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat sprake is van een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 moet worden ontbonden. Tegen dat oordeel zijn partijen in hoger beroep niet opgekomen en Calidad heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden intrekkingsmogelijkheid. 4.2 Aan de orde is de vraag of de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Calidad .
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2903 text/xml public 2026-05-19T12:00:27 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-05-11 200.363.065/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Arbeidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2025:4834 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2903 text/html public 2026-05-19T09:13:55 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2903 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-05-2026 / 200.363.065/01 Wwz. Arbeidszaak. Ontbinding op de g-grond. Ernstig verwijtbaar handelen werkgever. Toekenning billijke vergoeding. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.363.065/01 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, 11778378 beschikking van 11 mei 2026 in de zaak van Calidad B.V. die is gevestigd in [vestigingsplaats] die hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als verzoekster en verweerster in het zelfstandig tegenverzoek hierna te noemen: Calidad advocaat: mr. A.E. Doornbos en [verweerder] die woont in [woonplaats] die ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de kantonrechter optrad als verweerder en verzoeker in het zelfstandig tegenverzoek advocaat: mr. M.L. Bron 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Calidad heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, op 9 oktober 2025 heeft gegeven. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: - het beroepschrift van 23 december 2025 - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep van 21 februari 2026 - het verweerschrift in incidenteel hoger beroep van 5 maart 2026 - het verslag van de mondelinge behandeling die op 18 maart 2026 is gehouden (het proces-verbaal). 2 De kern van de zaak 2.1 De kantonrechter heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] afgewezen. Wel heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarbij is Calidad veroordeeld om aan [verweerder] te betalen de transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding voor proceskosten. 2.2 Calidad is het daar niet mee eens. Volgens haar heeft de kantonrechter ten onrechte een billijke vergoeding van € 15.000 bruto toegekend wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan haar kant. Voor zover het hof van oordeel is dat Calidad wel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld dient de billijke vergoeding op nihil te worden gesteld of sterk te worden gematigd. 2.3 Ook [verweerder] is het niet eens met de uitspraak van de kantonrechter. Hij wil een hogere billijke vergoeding, namelijk € 65.000 bruto zonder en € 95.000 bruto met een vergoeding voor advocaatkosten. 2.4 Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid van Calidad en kent [verweerder] een nog iets hogere billijke vergoeding toe. Hierna licht het hof deze beslissingen toe, nadat eerst de relevante feiten zijn weergegeven. 3 Achtergrond van de zaak 3.1 Het hof gaat uit van de feiten zoals beschreven in de rov. 2.1 tot en met 2.31 van de bestreden beschikking. Samengevat speelt in deze zaak het volgende. 3.2 Calidad is een onderneming die op vier verschillende locaties een kleinschalige, beschermde woon-, werk- en leeromgeving aanbiedt voor kwetsbare cliënten. [verweerder] , geboren in 1980, is [in] 2010 in dienst getreden bij Calidad . De laatste functie die [verweerder] bij Calidad vervulde, is die van begeleider Pubergroep. Hij ontving daarvoor een salaris van € 3.592 bruto per maand, exclusief toeslagen. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Sociaal Werk, Welzijn en Maatschappelijk Werk van toepassing. 3.3 In de nacht van 1 op 2 september 2024 hebben twee minderjarige cliënten ernstige overlast veroorzaakt bij Calidad . Een collega van [verweerder] , [naam1] , was die nacht aan het werk. [naam1] heeft haar ervaringen in de groepsapp met haar collega’s gedeeld. [verweerder] had op dat moment vakantie. In de ochtend van 2 september 2024 zijn [verweerder] en [naam2] , een andere collega van [verweerder] , op eigen initiatief naar Calidad toegegaan. Daar hebben zij tegen de cliënten fysiek opgetreden. Van (een deel van) het incident bestaan geluidsopnames, door (één van de) cliënten gemaakt. 3.4 Op 2 september 2024 hebben [verweerder] , [naam1] en [naam2] het incident gemeld bij teamleider [naam3] . 3.5 In een brief van 4 september 2024 is [verweerder] op non-actief gesteld. 3.6 Calidad heeft het incident vervolgens, conform haar wettelijke verplichting, gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). 3.7 [verweerder] heeft zich op 21 september 2024 ziekgemeld. 3.8 Op 23 september 2024 heeft er, in het kader van hoor en wederhoor, een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en [naam4] , directeur van Calidad . 3.9 Op 26 september 2024 heeft er opnieuw een gesprek tussen hen plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is aan [verweerder] medegedeeld dat Calidad heeft besloten om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Calidad heeft [verweerder] een vaststellingsovereenkomst aangeboden, waarmee hij niet heeft ingestemd. 3.10 Bij verzoekschrift van 28 november 2024 heeft Calidad een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingesteld, primair op de e-grond, subsidiair op de g-grond en meer subsidiair op de i-grond (hierna: het eerste verzoek). [verweerder] heeft verweer gevoerd en een zelfstandig tegenverzoek ingesteld. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 22 januari 2025 heeft Calidad haar verzoek ingetrokken. Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de kantonrechter beslist op het tegenverzoek van [verweerder] . Calidad is daarbij veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris en de proceskosten. 3.11 Op 7 februari 2025 is [verweerder] bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat [verweerder] arbeidsongeschikt is en dat werkhervatting op dit moment niet mogelijk is. [verweerder] heeft bij de bedrijfsarts aangegeven dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van werk of de werkomstandigheden. Geadviseerd wordt om mediation in te zetten. Calidad heeft vervolgens een mediator ingeschakeld, die de mediation in afwachting van de nog tussen partijen aanhangige procedure heeft aangehouden. Na de beschikking van 8 mei 2025 heeft één (inhoudelijk) mediationgesprek tussen [verweerder] en [naam4] plaatsgevonden, waarna de mediator de mediation heeft beëindigd zonder dat partijen tot afspraken zijn gekomen. 3.12 Op 14 mei 2025 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [verweerder] nog steeds arbeidsongeschikt is. Volgens de bedrijfsarts hangen de klachten van [verweerder] volledig samen met het arbeidsconflict. Het advies luidt om op korte termijn samen via mediation of een andere route tot een plan te komen richting de toekomst, waarna [verweerder] duurzaam kan starten in re-integratiewerkzaamheden. Bij afronding van het conflict verwacht de bedrijfsarts dat [verweerder] binnen 1-2 maanden volledig inzetbaar is voor eigen of ander werk. 3.13 Daarop heeft op 26 mei 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , zijn advocaat en [naam4] . Partijen zijn daarin en in de daarop volgende e-mailwisseling niet tot overeenstemming gekomen, waarna Calidad de onderhavige procedure is gestart (hierna: het tweede verzoek). 4 Het oordeel van het hof in het hoger beroep 4.1 De kantonrechter heeft (in rov. 5.14 van de beschikking) geconstateerd dat partijen het erover eens zijn dat sprake is van een dusdanig verstoorde arbeidsverhouding dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 moet worden ontbonden. Tegen dat oordeel zijn partijen in hoger beroep niet opgekomen en Calidad heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden intrekkingsmogelijkheid. 4.2 Aan de orde is de vraag of de onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Calidad .
Volledig
Indienen van het eerste ontbindingsverzoek is niet ernstig verwijtbaar 4.3 Calidad heeft betoogd dat sprake is geweest van ernstig verwijtbaar gedrag van [verweerder] en dat daarin voldoende grond lag voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft Calidad verwezen naar het incident dat in de nacht van 1 op 2 september 2024 plaatsvond. 4.4 [verweerder] heeft in de vroege ochtend van 2 september 2024 een whatsapp-bericht van collega [naam1] ontvangen, waarin zij aangaf dat twee cliënten de hele nacht voor veel onrust hadden gezorgd. [naam1] had de achterwacht en politie al ingeschakeld, maar de situatie bleef escalerend. [verweerder] en collega [naam2] , die het whatsapp-bericht ook had ontvangen, hebben vervolgens aan [naam1] gevraagd of zij wilde dat zij langs zouden komen. [naam1] reageerde daarop bevestigend, waarna [verweerder] en [naam2] naar Calidad toe zijn gegaan. Bij aankomst troffen [verweerder] en [naam2] de twee cliënten zittend op een vrieskist aan. Zij zijn op de cliënten toegelopen, waarbij [naam2] onder meer heeft geroepen: “Naar je kamer, wegwezen, kamer! Weg!” en [verweerder] heeft gezegd “Wat is dit voor gesodemieter!? Wat?”. Vervolgens heeft [naam2] de cliënten van de vriezer getild en één van hen naar zijn kamer gebracht. [verweerder] heeft de andere cliënt bij zijn bodywarmer vastgepakt en naar zijn kamer gebracht. Toen de cliënten eenmaal op hun kamer zaten was sprake van geschreeuw en kabaal en heeft [naam2] onder meer nog geroepen: “Ga vooral door, ga door! Ik zweer het je, ga door! Houd je grote bek! Houd je grote bek, toe dan! Ga vooral door, ga door ik zweer het je, ga door! Houd je grote bek! Houd je grote bek, toe dan!”. 4.5 De lezing van partijen over het incident loopt enigszins uiteen. Met name over hoe gewelddadig of hardhandig [verweerder] en zijn collega de cliënten hebben aangepakt verschillen partijen van mening. Niet in geschil is echter dát fysiek is ingegrepen. [verweerder] heeft één van de cliënten bij zijn bodywarmer vastgepakt en hem naar zijn kamer gebracht. Daarnaast staat vast dat (vooral) collega [naam2] bij dit optreden verbaal heftig tekeer is gegaan tegen de cliënten. 4.6 Ongeacht of [verweerder] geweld heeft gebruikt of hard aan de client heeft getrokken, is daarmee voor het hof al vast komen te staan dat [verweerder] met zijn handelwijze onaanvaardbaar is opgetreden. [verweerder] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn handelwijze wel in overeenstemming was met de wet- en regelgeving of dat het betreffende zorgplan van de cliënten daarvoor rechtvaardiging bood. Daar komt bij dat de IGJ in een brief van 25 april 2025 het handelen van [verweerder] heeft beoordeeld als onprofessioneel, niet pedagogisch verantwoord en potentieel schadelijk. 4.7 [verweerder] heeft nog gewezen op verschillende verzachtende omstandigheden. Zo is direct melding gedaan van het incident, was sprake van een gespannen werksituatie gekenmerkt door een hoge werkdruk en vele incidenten, heeft [verweerder] gedurende zijn (vijfjarig) dienstverband niet eerder (soortgelijke) fouten gemaakt, was geen sprake van kwade intenties maar goede bedoelingen om een collega te helpen en werd [verweerder] wel vaker gevraagd om te assisteren in lastige situaties (ook buiten werktijd). Deze omstandigheden bieden echter onvoldoende rechtvaardiging voor de handelwijze van [verweerder] . Ook in de door [verweerder] omschreven omstandigheden had van een ervaren jeugdbegeleider als [verweerder] een bij de situatie passender optreden verwacht mogen worden. 4.8 Bij deze stand van zaken kan aangenomen worden dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding niet lag in het - in de visie van [verweerder] - te zwaar aanzetten van het incident, maar in het incident zelf: onaanvaardbaar optreden tegen cliënten. Het hof acht het op zichzelf niet ernstig verwijtbaar dat Calidad in de gegeven omstandigheden niet heeft gekozen voor een de-escalerende aanpak maar maatregelen tegen [verweerder] heeft genomen en een ontbindingsverzoek heeft ingediend. Of dit ontbindingsverzoek op de grond van ernstig verwijtbaar handelen succesvol zou zijn geweest is een andere vraag. Het feit dat Calidad een ontbindingsverzoek heeft ingediend en vervolgens weer heeft ingetrokken rechtvaardigt niet de conclusie dat Calidad alleen daarmee al de arbeidsverhouding zodanig opzettelijk heeft verstoord dat [verweerder] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. Dat die na het gebeuren op 2 september 2024 en de reactie daarop van Calidad verstoord waren, was wel duidelijk. Handelwijze Calidad na intrekking eerste verzoek wel ernstig verwijtbaar 4.9 Het hof stelt vast dat Calidad het eerste ontbindingsverzoek kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 22 januari 2025 heeft ingetrokken. Volgens Calidad is zij tot intrekking overgegaan omdat haar was gebleken dat [verweerder] ziek was. Deze stelling bevreemdt het hof omdat [verweerder] zich al op 21 september 2024 ziek heeft gemeld en zich daarna niet hersteld heeft gemeld. Uit de omstandigheid dat [verweerder] kort na ziekmelding nog op gesprek is verschenen, heeft Calidad niet kunnen en mogen opmaken dat [verweerder] weer arbeidsgeschikt was. Maar wat daar verder ook van zij, door de intrekking van het verzoek bleef [verweerder] in dienst en rustte op Calidad de wettelijke verplichting om [verweerder] te laten re-integreren en de daarvoor geldende adviezen van de bedrijfsarts op te volgen. Naar eigen zeggen van Calidad had zij na intrekking van het verzoek ook de insteek om [verweerder] terug te laten keren. 4.10 Gegeven die situatie mag een goed werkgever mag worden verwacht dat zij de regie neemt, de-escalerend optreedt en serieuze pogingen doet tot herstel van het vertrouwen. Dat heeft Calidad niet gedaan. Weliswaar heeft tussen directeur [naam4] en [verweerder] mediation plaatsgevonden maar dit is één (eenmalig) gesprek geweest. Calidad wijst er op dat na de mediation op 26 mei 2025 nog een gesprek plaats had tussen [naam4] en [verweerder] in aanwezigheid van de advocaat van [verweerder] . Maar uit het verslag dat daarvan is opgesteld en uit het verhandelde ter zitting, blijkt het hof niet dat Calidad serieus toenadering tot [verweerder] heeft gezocht, met hem in gesprek is gegaan over het incident en zich van haar kant daadwerkelijk heeft ingespannen om de verhoudingen te herstellen. Terwijl dat van Calidad wel verlangd had mogen worden, mede gelet op het advies van de bedrijfsarts van 14 mei 2025 (rov. 3.12), dat luidde “om op korte termijn samen via mediation of een andere route tot een plan te komen richting de toekomst, waarvan duurzaam kan starten in re-integratiewerkzaamheden”. Calidad had dus ook in dit stadium alsnog mediation en/of coaching kunnen overwegen c.q. inzetten, maar heeft dat ten onrechte nagelaten. Voor zover Calidad betoogt dat een gebrek aan zelfinzicht of reflectief vermogen van [verweerder] daaraan in de weg zou staan en daarom niet meer van Calidad kon worden gevergd, is het hof daarvan niet overtuigd. Al met al heeft het hof door de opstelling van Calidad zoals blijkt uit de stukken en ter zitting in hoger beroep de indruk gekregen dat Calidad hoe dan ook niet daadwerkelijk van plan was [verweerder] te laten terugkeren, maar zich heeft laten leiden door het bestaan van opnames van het incident en de beeldvorming die daardoor is ontstaan bij externe partijen waarvan zij (financieel) afhankelijk was. [naam4] heeft ter zitting in hoger beroep ook verklaard dat het “zo groot geworden [is] als het nu is, doordat het is opgenomen” en dat Calidad door het bestaan van de opnamen “het signaal [moest] afgeven dat dergelijk gedrag door een begeleider door ons niet wordt getolereerd”. In die zin heeft Calidad onvoldoende oog gehad voor de belangen van [verweerder] als werknemer en [verweerder] de kans ontnomen tot herstel van het onderling vertrouwen en behoud van zijn dienstverband. 4.11 Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat er door deze handelwijze van Calidad een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan. Dit handelen moet worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar handelen.
Volledig
Indienen van het eerste ontbindingsverzoek is niet ernstig verwijtbaar 4.3 Calidad heeft betoogd dat sprake is geweest van ernstig verwijtbaar gedrag van [verweerder] en dat daarin voldoende grond lag voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft Calidad verwezen naar het incident dat in de nacht van 1 op 2 september 2024 plaatsvond. 4.4 [verweerder] heeft in de vroege ochtend van 2 september 2024 een whatsapp-bericht van collega [naam1] ontvangen, waarin zij aangaf dat twee cliënten de hele nacht voor veel onrust hadden gezorgd. [naam1] had de achterwacht en politie al ingeschakeld, maar de situatie bleef escalerend. [verweerder] en collega [naam2] , die het whatsapp-bericht ook had ontvangen, hebben vervolgens aan [naam1] gevraagd of zij wilde dat zij langs zouden komen. [naam1] reageerde daarop bevestigend, waarna [verweerder] en [naam2] naar Calidad toe zijn gegaan. Bij aankomst troffen [verweerder] en [naam2] de twee cliënten zittend op een vrieskist aan. Zij zijn op de cliënten toegelopen, waarbij [naam2] onder meer heeft geroepen: “Naar je kamer, wegwezen, kamer! Weg!” en [verweerder] heeft gezegd “Wat is dit voor gesodemieter!? Wat?”. Vervolgens heeft [naam2] de cliënten van de vriezer getild en één van hen naar zijn kamer gebracht. [verweerder] heeft de andere cliënt bij zijn bodywarmer vastgepakt en naar zijn kamer gebracht. Toen de cliënten eenmaal op hun kamer zaten was sprake van geschreeuw en kabaal en heeft [naam2] onder meer nog geroepen: “Ga vooral door, ga door! Ik zweer het je, ga door! Houd je grote bek! Houd je grote bek, toe dan! Ga vooral door, ga door ik zweer het je, ga door! Houd je grote bek! Houd je grote bek, toe dan!”. 4.5 De lezing van partijen over het incident loopt enigszins uiteen. Met name over hoe gewelddadig of hardhandig [verweerder] en zijn collega de cliënten hebben aangepakt verschillen partijen van mening. Niet in geschil is echter dát fysiek is ingegrepen. [verweerder] heeft één van de cliënten bij zijn bodywarmer vastgepakt en hem naar zijn kamer gebracht. Daarnaast staat vast dat (vooral) collega [naam2] bij dit optreden verbaal heftig tekeer is gegaan tegen de cliënten. 4.6 Ongeacht of [verweerder] geweld heeft gebruikt of hard aan de client heeft getrokken, is daarmee voor het hof al vast komen te staan dat [verweerder] met zijn handelwijze onaanvaardbaar is opgetreden. [verweerder] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn handelwijze wel in overeenstemming was met de wet- en regelgeving of dat het betreffende zorgplan van de cliënten daarvoor rechtvaardiging bood. Daar komt bij dat de IGJ in een brief van 25 april 2025 het handelen van [verweerder] heeft beoordeeld als onprofessioneel, niet pedagogisch verantwoord en potentieel schadelijk. 4.7 [verweerder] heeft nog gewezen op verschillende verzachtende omstandigheden. Zo is direct melding gedaan van het incident, was sprake van een gespannen werksituatie gekenmerkt door een hoge werkdruk en vele incidenten, heeft [verweerder] gedurende zijn (vijfjarig) dienstverband niet eerder (soortgelijke) fouten gemaakt, was geen sprake van kwade intenties maar goede bedoelingen om een collega te helpen en werd [verweerder] wel vaker gevraagd om te assisteren in lastige situaties (ook buiten werktijd). Deze omstandigheden bieden echter onvoldoende rechtvaardiging voor de handelwijze van [verweerder] . Ook in de door [verweerder] omschreven omstandigheden had van een ervaren jeugdbegeleider als [verweerder] een bij de situatie passender optreden verwacht mogen worden. 4.8 Bij deze stand van zaken kan aangenomen worden dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding niet lag in het - in de visie van [verweerder] - te zwaar aanzetten van het incident, maar in het incident zelf: onaanvaardbaar optreden tegen cliënten. Het hof acht het op zichzelf niet ernstig verwijtbaar dat Calidad in de gegeven omstandigheden niet heeft gekozen voor een de-escalerende aanpak maar maatregelen tegen [verweerder] heeft genomen en een ontbindingsverzoek heeft ingediend. Of dit ontbindingsverzoek op de grond van ernstig verwijtbaar handelen succesvol zou zijn geweest is een andere vraag. Het feit dat Calidad een ontbindingsverzoek heeft ingediend en vervolgens weer heeft ingetrokken rechtvaardigt niet de conclusie dat Calidad alleen daarmee al de arbeidsverhouding zodanig opzettelijk heeft verstoord dat [verweerder] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. Dat die na het gebeuren op 2 september 2024 en de reactie daarop van Calidad verstoord waren, was wel duidelijk. Handelwijze Calidad na intrekking eerste verzoek wel ernstig verwijtbaar 4.9 Het hof stelt vast dat Calidad het eerste ontbindingsverzoek kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 22 januari 2025 heeft ingetrokken. Volgens Calidad is zij tot intrekking overgegaan omdat haar was gebleken dat [verweerder] ziek was. Deze stelling bevreemdt het hof omdat [verweerder] zich al op 21 september 2024 ziek heeft gemeld en zich daarna niet hersteld heeft gemeld. Uit de omstandigheid dat [verweerder] kort na ziekmelding nog op gesprek is verschenen, heeft Calidad niet kunnen en mogen opmaken dat [verweerder] weer arbeidsgeschikt was. Maar wat daar verder ook van zij, door de intrekking van het verzoek bleef [verweerder] in dienst en rustte op Calidad de wettelijke verplichting om [verweerder] te laten re-integreren en de daarvoor geldende adviezen van de bedrijfsarts op te volgen. Naar eigen zeggen van Calidad had zij na intrekking van het verzoek ook de insteek om [verweerder] terug te laten keren. 4.10 Gegeven die situatie mag een goed werkgever mag worden verwacht dat zij de regie neemt, de-escalerend optreedt en serieuze pogingen doet tot herstel van het vertrouwen. Dat heeft Calidad niet gedaan. Weliswaar heeft tussen directeur [naam4] en [verweerder] mediation plaatsgevonden maar dit is één (eenmalig) gesprek geweest. Calidad wijst er op dat na de mediation op 26 mei 2025 nog een gesprek plaats had tussen [naam4] en [verweerder] in aanwezigheid van de advocaat van [verweerder] . Maar uit het verslag dat daarvan is opgesteld en uit het verhandelde ter zitting, blijkt het hof niet dat Calidad serieus toenadering tot [verweerder] heeft gezocht, met hem in gesprek is gegaan over het incident en zich van haar kant daadwerkelijk heeft ingespannen om de verhoudingen te herstellen. Terwijl dat van Calidad wel verlangd had mogen worden, mede gelet op het advies van de bedrijfsarts van 14 mei 2025 (rov. 3.12), dat luidde “om op korte termijn samen via mediation of een andere route tot een plan te komen richting de toekomst, waarvan duurzaam kan starten in re-integratiewerkzaamheden”. Calidad had dus ook in dit stadium alsnog mediation en/of coaching kunnen overwegen c.q. inzetten, maar heeft dat ten onrechte nagelaten. Voor zover Calidad betoogt dat een gebrek aan zelfinzicht of reflectief vermogen van [verweerder] daaraan in de weg zou staan en daarom niet meer van Calidad kon worden gevergd, is het hof daarvan niet overtuigd. Al met al heeft het hof door de opstelling van Calidad zoals blijkt uit de stukken en ter zitting in hoger beroep de indruk gekregen dat Calidad hoe dan ook niet daadwerkelijk van plan was [verweerder] te laten terugkeren, maar zich heeft laten leiden door het bestaan van opnames van het incident en de beeldvorming die daardoor is ontstaan bij externe partijen waarvan zij (financieel) afhankelijk was. [naam4] heeft ter zitting in hoger beroep ook verklaard dat het “zo groot geworden [is] als het nu is, doordat het is opgenomen” en dat Calidad door het bestaan van de opnamen “het signaal [moest] afgeven dat dergelijk gedrag door een begeleider door ons niet wordt getolereerd”. In die zin heeft Calidad onvoldoende oog gehad voor de belangen van [verweerder] als werknemer en [verweerder] de kans ontnomen tot herstel van het onderling vertrouwen en behoud van zijn dienstverband. 4.11 Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat er door deze handelwijze van Calidad een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan. Dit handelen moet worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar handelen.
Volledig
4.12 [verweerder] heeft aan het ernstig verwijtbaar handelen van Calidad ook ten grondslag gelegd dat zij in gerechtelijke procedures feitelijke onjuistheden heeft vermeld. Dat dit handelen heeft bijgedragen aan de verstoorde arbeidsverhouding die heeft geleid tot het einde van het dienstverband is - al vanwege de volgordelijkheid - niet aannemelijk geworden. Het hof laat dit verwijt daarom verder buiten beschouwing. Een billijke vergoeding van € 25.000 is passend 4.13 Omdat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de kant van Calidad , moet zij aan [verweerder] een billijke vergoeding betalen. De kantonrechter heeft een billijke vergoeding van € 15.000 toegewezen. Calidad vindt dat deze vergoeding door de kantonrechter te hoog is vastgesteld. [verweerder] maakt aanspraak op een hogere vergoeding dan door de kantonrechter is toegewezen. 4.14 Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kan rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft gezichtspunten geformuleerd aan de hand waarvan de begroting van de billijke vergoeding kan plaatsvinden. Volgens die gezichtspunten kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht en welk inkomensverlies over die periode wordt geleden. Ook mag rekening worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid van de werkgever en de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. 4.15 Een belangrijke factor voor het bepalen van de billijke vergoeding is dus onder meer de waarde die aan de arbeidsovereenkomst kan worden toegekend. Die waarde is gerelateerd aan een inschatting hoe lang de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd, het ernstig verwijtbaar handelen van Calidad daarbij weggedacht. Het hof acht aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst - gelet op de vertrouwensbreuk en het bij [verweerder] bestaande ongenoegen over de werkdruk en vele incidenten - niet nog jaren had voortgeduurd maar op afzienbare termijn tot een einde was gekomen. Het hof schat deze termijn op ongeveer 24 maanden na de intrekking van het eerste ontbindingsverzoek in januari 2025. 4.16 De arbeidsovereenkomst is ontbonden per 1 januari 2026 en tot die datum is loon betaald. Dit betekent dat het inkomensverlies over de periode vanaf 1 januari 2026 tot 1 januari 2027 (12 maanden) moet worden begroot. Bij de berekening van de inkomensschade over deze periode houdt het hof rekening met inkomsten uit hoofde van een sociale zekerheidsuitkering (70% van het salaris). Uitgaande van een maandsalaris van € 3.592 bruto en een ORT-vergoeding van € 305,69 bruto vermeerderd met 8% vakantiegeld, bij gebrek aan nadere onderbouwing conform de als bijlage 2 bij het inleidend verzoekschrift overlegde laatste salarisspecificatie, komt de inkomstenderving (30%) dan uit op € 1.262,85 bruto per maand (= € 15.154,20 gedurende 12 maanden). Ook zal het hof rekening houden met door Calidad onbestreden pensioenschade. Bij gebrek aan onderbouwing zal het hof deze vaststellen op € 341,17 bruto per maand conform de laatste salarisspecificatie (= € 4.094 gedurende 12 maanden). 4.17 Bij de begroting van de billijke vergoeding betrekt het hof verder de mate van verwijtbaarheid van Calidad , de psychische en financiële gevolgen voor [verweerder] en de duur van zijn dienstverband. [verweerder] heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij door de situatie op zijn werk PTSS heeft opgelopen wat volgens hem reden is voor een hogere billijke vergoeding dan door de kantonrechter toe toegewezen. De enige onderbouwing daarvoor is het verslag van de bedrijfsarts, die verwijst naar een (anamnestisch weergegeven) verklaring van de huisarts, en de verwijzing naar de POH-GGZ. Een voldoende objectief causaal verband met het verwijtbaar handelen van Calidad is hiermee niet gegeven. [verweerder] voert verder aan dat hij last heeft van somberheid en ook migraine. De impact van de handelwijze van Calidad is fors en uitzicht op herstel is er volgens hem nog niet. De emoties van [verweerder] zijn invoelbaar en het hof heeft geen twijfel dat de gang van zaken hem erg heeft aangegrepen, maar bij een billijke vergoeding moet de ernst van het verwijtbaar handelen en nalaten van Calidad en de psychische gevolgen die dit voor [verweerder] heeft gehad wel in verhouding tot elkaar staan. In wat [verweerder] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om de billijke vergoeding te verhogen wegens immateriële schade in de zin van artikel 6:106 BW of daarvoor specifiek nog een aanvullend bedrag toe te kennen. Alles afwegende, acht het hof een billijke vergoeding van (afgerond) € 25.000 bruto passend. De transitievergoeding is hierin niet inbegrepen en het hof ziet ook geen aanleiding deze op de billijke vergoeding in mindering te brengen. 4.18 [verweerder] heeft als onderdeel van de billijke vergoeding ook verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte advocaatkosten. Het is vaste jurisprudentie dat een verzoek tot vergoeding van werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand alleen toewijsbaar is onder bijzondere omstandigheden zoals misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake. Het enkele feit dat Calidad ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en [verweerder] kosten heeft moeten maken vanwege de gerechtelijke procedures, levert nog geen misbruik van recht op en evenmin een onrechtmatige daad. De kantonrechter heeft de proceskosten terecht toegewezen conform het geldende liquidatietarief. Ook het hof zal daar bij de proceskostenveroordeling bij aansluiten. Conclusie 4.19 Het hoger beroep van Calidad slaagt niet en het hoger beroep van [verweerder] slaagt deels. Calidad heeft ernstig verwijtbaar gehandeld of nagelaten jegens [verweerder] , waardoor zij een billijke vergoeding verschuldigd is. Het hof zal de bestreden beschikking van de kantonrechter op de aangevochten onderdelen bekrachtigen, behalve voor zover het de hoogte van de billijke vergoeding betreft. 4.20 Calidad zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten zowel in het principaal als incidenteel hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 4.21 De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 5 De beslissing Het hof: 5.1 bekrachtigt de beschikking van kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats, Groningen van 9 oktober 2025, voor zover in hoger beroep aangevochten, behalve voor zover het de toewijzing van een billijke vergoeding van € 15.000 bruto betreft en in zover opnieuw beschikkende; 5.2 veroordeelt Calidad om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 25.000 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 15.000 vanaf 1 februari 2026 en voor het restant van de billijke vergoeding vanaf een maand na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de volledige betaling; 5.3 veroordeelt Calidad tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] in het principaal hoger beroep: € 373 aan griffierecht € 2.580 aan salaris van de advocaat van [verweerder] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.290) en tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] in het incidenteel hoger beroep: € 645 aan salaris van de advocaat van [verweerder] (1 procespunt x ½ van het toepasselijke tarief II); 5.4 verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 5.5 verwerpt het hoger beroep van zowel Calidad als [verweerder] voor het overige en wijst daarmee af wat meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Willemse, J.H. Kuiper en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
Volledig
4.12 [verweerder] heeft aan het ernstig verwijtbaar handelen van Calidad ook ten grondslag gelegd dat zij in gerechtelijke procedures feitelijke onjuistheden heeft vermeld. Dat dit handelen heeft bijgedragen aan de verstoorde arbeidsverhouding die heeft geleid tot het einde van het dienstverband is - al vanwege de volgordelijkheid - niet aannemelijk geworden. Het hof laat dit verwijt daarom verder buiten beschouwing. Een billijke vergoeding van € 25.000 is passend 4.13 Omdat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de kant van Calidad , moet zij aan [verweerder] een billijke vergoeding betalen. De kantonrechter heeft een billijke vergoeding van € 15.000 toegewezen. Calidad vindt dat deze vergoeding door de kantonrechter te hoog is vastgesteld. [verweerder] maakt aanspraak op een hogere vergoeding dan door de kantonrechter is toegewezen. 4.14 Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding kan rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft gezichtspunten geformuleerd aan de hand waarvan de begroting van de billijke vergoeding kan plaatsvinden. Volgens die gezichtspunten kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht en welk inkomensverlies over die periode wordt geleden. Ook mag rekening worden gehouden met de mate van verwijtbaarheid van de werkgever en de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. 4.15 Een belangrijke factor voor het bepalen van de billijke vergoeding is dus onder meer de waarde die aan de arbeidsovereenkomst kan worden toegekend. Die waarde is gerelateerd aan een inschatting hoe lang de arbeidsovereenkomst zou hebben geduurd, het ernstig verwijtbaar handelen van Calidad daarbij weggedacht. Het hof acht aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst - gelet op de vertrouwensbreuk en het bij [verweerder] bestaande ongenoegen over de werkdruk en vele incidenten - niet nog jaren had voortgeduurd maar op afzienbare termijn tot een einde was gekomen. Het hof schat deze termijn op ongeveer 24 maanden na de intrekking van het eerste ontbindingsverzoek in januari 2025. 4.16 De arbeidsovereenkomst is ontbonden per 1 januari 2026 en tot die datum is loon betaald. Dit betekent dat het inkomensverlies over de periode vanaf 1 januari 2026 tot 1 januari 2027 (12 maanden) moet worden begroot. Bij de berekening van de inkomensschade over deze periode houdt het hof rekening met inkomsten uit hoofde van een sociale zekerheidsuitkering (70% van het salaris). Uitgaande van een maandsalaris van € 3.592 bruto en een ORT-vergoeding van € 305,69 bruto vermeerderd met 8% vakantiegeld, bij gebrek aan nadere onderbouwing conform de als bijlage 2 bij het inleidend verzoekschrift overlegde laatste salarisspecificatie, komt de inkomstenderving (30%) dan uit op € 1.262,85 bruto per maand (= € 15.154,20 gedurende 12 maanden). Ook zal het hof rekening houden met door Calidad onbestreden pensioenschade. Bij gebrek aan onderbouwing zal het hof deze vaststellen op € 341,17 bruto per maand conform de laatste salarisspecificatie (= € 4.094 gedurende 12 maanden). 4.17 Bij de begroting van de billijke vergoeding betrekt het hof verder de mate van verwijtbaarheid van Calidad , de psychische en financiële gevolgen voor [verweerder] en de duur van zijn dienstverband. [verweerder] heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij door de situatie op zijn werk PTSS heeft opgelopen wat volgens hem reden is voor een hogere billijke vergoeding dan door de kantonrechter toe toegewezen. De enige onderbouwing daarvoor is het verslag van de bedrijfsarts, die verwijst naar een (anamnestisch weergegeven) verklaring van de huisarts, en de verwijzing naar de POH-GGZ. Een voldoende objectief causaal verband met het verwijtbaar handelen van Calidad is hiermee niet gegeven. [verweerder] voert verder aan dat hij last heeft van somberheid en ook migraine. De impact van de handelwijze van Calidad is fors en uitzicht op herstel is er volgens hem nog niet. De emoties van [verweerder] zijn invoelbaar en het hof heeft geen twijfel dat de gang van zaken hem erg heeft aangegrepen, maar bij een billijke vergoeding moet de ernst van het verwijtbaar handelen en nalaten van Calidad en de psychische gevolgen die dit voor [verweerder] heeft gehad wel in verhouding tot elkaar staan. In wat [verweerder] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om de billijke vergoeding te verhogen wegens immateriële schade in de zin van artikel 6:106 BW of daarvoor specifiek nog een aanvullend bedrag toe te kennen. Alles afwegende, acht het hof een billijke vergoeding van (afgerond) € 25.000 bruto passend. De transitievergoeding is hierin niet inbegrepen en het hof ziet ook geen aanleiding deze op de billijke vergoeding in mindering te brengen. 4.18 [verweerder] heeft als onderdeel van de billijke vergoeding ook verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte advocaatkosten. Het is vaste jurisprudentie dat een verzoek tot vergoeding van werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand alleen toewijsbaar is onder bijzondere omstandigheden zoals misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake. Het enkele feit dat Calidad ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en [verweerder] kosten heeft moeten maken vanwege de gerechtelijke procedures, levert nog geen misbruik van recht op en evenmin een onrechtmatige daad. De kantonrechter heeft de proceskosten terecht toegewezen conform het geldende liquidatietarief. Ook het hof zal daar bij de proceskostenveroordeling bij aansluiten. Conclusie 4.19 Het hoger beroep van Calidad slaagt niet en het hoger beroep van [verweerder] slaagt deels. Calidad heeft ernstig verwijtbaar gehandeld of nagelaten jegens [verweerder] , waardoor zij een billijke vergoeding verschuldigd is. Het hof zal de bestreden beschikking van de kantonrechter op de aangevochten onderdelen bekrachtigen, behalve voor zover het de hoogte van de billijke vergoeding betreft. 4.20 Calidad zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten zowel in het principaal als incidenteel hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. 4.21 De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 5 De beslissing Het hof: 5.1 bekrachtigt de beschikking van kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats, Groningen van 9 oktober 2025, voor zover in hoger beroep aangevochten, behalve voor zover het de toewijzing van een billijke vergoeding van € 15.000 bruto betreft en in zover opnieuw beschikkende; 5.2 veroordeelt Calidad om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 25.000 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 15.000 vanaf 1 februari 2026 en voor het restant van de billijke vergoeding vanaf een maand na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de volledige betaling; 5.3 veroordeelt Calidad tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] in het principaal hoger beroep: € 373 aan griffierecht € 2.580 aan salaris van de advocaat van [verweerder] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II à € 1.290) en tot betaling van de volgende proceskosten van [verweerder] in het incidenteel hoger beroep: € 645 aan salaris van de advocaat van [verweerder] (1 procespunt x ½ van het toepasselijke tarief II); 5.4 verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 5.5 verwerpt het hoger beroep van zowel Calidad als [verweerder] voor het overige en wijst daarmee af wat meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Willemse, J.H. Kuiper en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.