Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-03-27
ECLI:NL:RBMNE:2026:1356
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
16,017 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1356 text/xml public 2026-04-08T11:09:45 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-27 12029044 \ UE VERZ 25-398 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1356 text/html public 2026-04-08T11:09:26 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1356 Rechtbank Midden-Nederland , 27-03-2026 / 12029044 \ UE VERZ 25-398 Ontbinding arbeidsovereenkomst toegewezen wegens een verstoorde arbeidsverhouding door ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Toekenning van transitievergoeding, billijke vergoeding en immateriële schadevergoeding. Intrekkingsmogelijkheid. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12029044 \ UE VERZ 25-398 Beschikking van 27 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. J.E. Hoetink. 1 De procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - het verzoekschrift met producties 1 tot met 23; - het verweerschrift met een tegenverzoek met producties A tot en met CC; - aangepaste producties H en U met kleurmarkeringen van [verweerder] ; - het verweerschrift tegen het tegenverzoek met producties 24 en 25; - de aanvullende producties 26 tot en met 34 van [verzoekster] ; - de aanvullende productie DD van [verweerder] . 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij zijn namens [verzoekster] verschenen de heer [A] (interim directeur), bijgestaan door de gemachtigde. Ook [verweerder] was aanwezig, vergezeld van de heer [B] (voormalig coach), mevrouw [C] (voormalig algemeen directeur) en zijn partner en bijgestaan door de gemachtigde. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3. Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen de gelegenheid gekregen om te beoordelen of er mogelijkheden bestonden om het geschil tussen hen samen op te lossen. Bij berichten van 4 en 5 maart 2026 hebben de gemachtigden laten weten dat partijen niet tot een oplossing zijn gekomen. De datum van de beschikking was voor dat geval bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak [verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1964, is op 1 juli 2004 in dienst getreden bij de [verzoekster] in de functie van [functie] (hierna: afdeling [functie] . [verweerder] is werkzaam op basis van een 35-urige werkweek met een salaris van € 7.946,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag, 8,33% eindejaarsuitkering en € 166,87 bruto aan pensioencompensatie. [verzoekster] verzoekt in deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] primair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en subsidiair op grond van disfunctioneren (d-grond), meer subsidiair op grond van de restgrond (h-grond) en uiterst subsidiair op de cumulatiegrond (i-grond). De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toe wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en komt daarbij tot een toekenning aan [verweerder] van een aanzienlijke billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . 3 De beoordeling in de verzoeken van de [verzoekster] 3.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verstoorde arbeidsverhouding door ernstig verwijtbaar handelen [verzoekster] 3.2. Volgens [verzoekster] is de primaire redelijke grond waarop de arbeidsovereenkomst met [verweerder] moet worden ontbonden gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding. Om een arbeidsovereenkomst op deze grond te kunnen ontbinden met er sprake zijn van zodanig ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, dat van [verzoekster] niet meer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te zetten. 3.3. De kantonrechter is van oordeel dat door wat zich in de periode vanaf 6 mei 2025 tussen partijen heeft voorgedaan een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Deze verstoring vindt echter niet haar basis, zoals door [verzoekster] is gesteld, in de houding en het functioneren van [verweerder] , maar in ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende. 3.4. [verweerder] heeft in de periode van 6 januari 2025 tot 6 mei 2025 een ruim van tevoren geplande, langdurige vakantie gehad. Terwijl hij weg was, is [A] in april 2025 gestart als interim directeur. Op de dag dat [verweerder] zijn werk weer wilde hervatten, op 6 mei 2025, kreeg [verweerder] in zijn allereerste overleg met [A] , waarbij ook mevrouw [D] van HR was aangeschoven, te horen dat hij niet zou functioneren. Verder werd hem toen meegedeeld dat [A] geen verbetertraject wilde starten en dat [verzoekster] [verweerder] een voorstel zou doen om tot beëindiging van het dienstverband te komen. Niet gebleken is dat [verweerder] tot op dat moment eerder door [verzoekster] was aangesproken op zijn functioneren. Op de mondelinge behandeling is desgevraagd gebleken dat er in de ruim 20 jaar die [verweerder] inmiddels bij [verzoekster] werkte geen P-gesprekken, en dus ook geen beoordelingen hebben plaatsgevonden. Uit niets blijkt dat er kritiek zou zijn geuit op zijn functioneren. Integendeel, [verweerder] heeft toegelicht dat hem naast het leidinggeven aan zijn eigen afdeling in de loop der jaren diverse andere taken zijn toevertrouwd. Hij maakte niet alleen deel uit van het management team (MT), maar was ook [functie] van [verzoekster] , gaf tevens leiding aan de afdeling Informatie en Adviescentrum Rechtspositie, was namens het dagelijks bestuur van [verzoekster] afgevaardigd (en statutair ingeschreven) als enig bestuurder van [bedrijf] B.V. en hij leidde af en toe speciale projecten. [verweerder] heeft erkend dat er hier en daar binnen zijn team wel eens onvrede was, maar dat had te maken met impopulaire beslissingen die hij soms als leidinggevende moest nemen, onder meer door een reorganisatie. Dit soort beslissingen kwam van hogerhand. Meer dan dit soort onvrede is hem niet bekend en al zeker geen kritiek op zijn functioneren als zodanig. [verzoekster] heeft het verzoekschrift onder meer onderbouwd met een rapport van [E] (hierna: [E] ), die de afdeling [functie] ruim 6 maanden als interim-manager heeft geleid eind 2022, begin 2023 toen [verweerder] gevraagd was voor een tijdelijk project. Hij heeft aan het slot van deze interim periode een rapport geschreven. [verzoekster] leidt uit dit rapport kritiek op [verweerder] af. [verweerder] heeft deze stelling van [verzoekster] gepareerd met een verklaring van [E] . Deze schrijft onder meer: ”Dat rapport (…) bevat evenmin kwalificaties over het functioneren van de afdeling [functie] of [verweerder] . Het rapport bevat in algemene termen aanbevelingen voor de [verzoekster] over de vervolgaanpak van de reorganisatie in de volledige breedte (…) Mijn conclusie is dat hij [ [verweerder] , ktr] voldeed aan de eisen die aan zijn functie als [functie] en [functie] werden gesteld en op veel onderdelen ruim overtrof.” [verweerder] heeft ook een verklaring overgelegd van mevrouw drs. [C] Mba, die van 2010 tot 2021 algemeen directeur van [verzoekster] was.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1356 text/xml public 2026-04-08T11:09:45 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-27 12029044 \ UE VERZ 25-398 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1356 text/html public 2026-04-08T11:09:26 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1356 Rechtbank Midden-Nederland , 27-03-2026 / 12029044 \ UE VERZ 25-398 Ontbinding arbeidsovereenkomst toegewezen wegens een verstoorde arbeidsverhouding door ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Toekenning van transitievergoeding, billijke vergoeding en immateriële schadevergoeding. Intrekkingsmogelijkheid. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: 12029044 \ UE VERZ 25-398 Beschikking van 27 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] , gevestigd in [vestigingsplaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verzoekster] , gemachtigde: mr. P.H. van der Vleuten, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [verweerder] , gemachtigde: mr. J.E. Hoetink. 1 De procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - het verzoekschrift met producties 1 tot met 23; - het verweerschrift met een tegenverzoek met producties A tot en met CC; - aangepaste producties H en U met kleurmarkeringen van [verweerder] ; - het verweerschrift tegen het tegenverzoek met producties 24 en 25; - de aanvullende producties 26 tot en met 34 van [verzoekster] ; - de aanvullende productie DD van [verweerder] . 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij zijn namens [verzoekster] verschenen de heer [A] (interim directeur), bijgestaan door de gemachtigde. Ook [verweerder] was aanwezig, vergezeld van de heer [B] (voormalig coach), mevrouw [C] (voormalig algemeen directeur) en zijn partner en bijgestaan door de gemachtigde. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben op elkaar kunnen reageren en hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. 1.3. Na afloop van de mondelinge behandeling hebben partijen de gelegenheid gekregen om te beoordelen of er mogelijkheden bestonden om het geschil tussen hen samen op te lossen. Bij berichten van 4 en 5 maart 2026 hebben de gemachtigden laten weten dat partijen niet tot een oplossing zijn gekomen. De datum van de beschikking was voor dat geval bepaald op vandaag. 2 De kern van de zaak [verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1964, is op 1 juli 2004 in dienst getreden bij de [verzoekster] in de functie van [functie] (hierna: afdeling [functie] . [verweerder] is werkzaam op basis van een 35-urige werkweek met een salaris van € 7.946,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag, 8,33% eindejaarsuitkering en € 166,87 bruto aan pensioencompensatie. [verzoekster] verzoekt in deze procedure ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] primair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en subsidiair op grond van disfunctioneren (d-grond), meer subsidiair op grond van de restgrond (h-grond) en uiterst subsidiair op de cumulatiegrond (i-grond). De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toe wegens een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) en komt daarbij tot een toekenning aan [verweerder] van een aanzienlijke billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . 3 De beoordeling in de verzoeken van de [verzoekster] 3.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Verstoorde arbeidsverhouding door ernstig verwijtbaar handelen [verzoekster] 3.2. Volgens [verzoekster] is de primaire redelijke grond waarop de arbeidsovereenkomst met [verweerder] moet worden ontbonden gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding. Om een arbeidsovereenkomst op deze grond te kunnen ontbinden met er sprake zijn van zodanig ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, dat van [verzoekster] niet meer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te zetten. 3.3. De kantonrechter is van oordeel dat door wat zich in de periode vanaf 6 mei 2025 tussen partijen heeft voorgedaan een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Deze verstoring vindt echter niet haar basis, zoals door [verzoekster] is gesteld, in de houding en het functioneren van [verweerder] , maar in ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende. 3.4. [verweerder] heeft in de periode van 6 januari 2025 tot 6 mei 2025 een ruim van tevoren geplande, langdurige vakantie gehad. Terwijl hij weg was, is [A] in april 2025 gestart als interim directeur. Op de dag dat [verweerder] zijn werk weer wilde hervatten, op 6 mei 2025, kreeg [verweerder] in zijn allereerste overleg met [A] , waarbij ook mevrouw [D] van HR was aangeschoven, te horen dat hij niet zou functioneren. Verder werd hem toen meegedeeld dat [A] geen verbetertraject wilde starten en dat [verzoekster] [verweerder] een voorstel zou doen om tot beëindiging van het dienstverband te komen. Niet gebleken is dat [verweerder] tot op dat moment eerder door [verzoekster] was aangesproken op zijn functioneren. Op de mondelinge behandeling is desgevraagd gebleken dat er in de ruim 20 jaar die [verweerder] inmiddels bij [verzoekster] werkte geen P-gesprekken, en dus ook geen beoordelingen hebben plaatsgevonden. Uit niets blijkt dat er kritiek zou zijn geuit op zijn functioneren. Integendeel, [verweerder] heeft toegelicht dat hem naast het leidinggeven aan zijn eigen afdeling in de loop der jaren diverse andere taken zijn toevertrouwd. Hij maakte niet alleen deel uit van het management team (MT), maar was ook [functie] van [verzoekster] , gaf tevens leiding aan de afdeling Informatie en Adviescentrum Rechtspositie, was namens het dagelijks bestuur van [verzoekster] afgevaardigd (en statutair ingeschreven) als enig bestuurder van [bedrijf] B.V. en hij leidde af en toe speciale projecten. [verweerder] heeft erkend dat er hier en daar binnen zijn team wel eens onvrede was, maar dat had te maken met impopulaire beslissingen die hij soms als leidinggevende moest nemen, onder meer door een reorganisatie. Dit soort beslissingen kwam van hogerhand. Meer dan dit soort onvrede is hem niet bekend en al zeker geen kritiek op zijn functioneren als zodanig. [verzoekster] heeft het verzoekschrift onder meer onderbouwd met een rapport van [E] (hierna: [E] ), die de afdeling [functie] ruim 6 maanden als interim-manager heeft geleid eind 2022, begin 2023 toen [verweerder] gevraagd was voor een tijdelijk project. Hij heeft aan het slot van deze interim periode een rapport geschreven. [verzoekster] leidt uit dit rapport kritiek op [verweerder] af. [verweerder] heeft deze stelling van [verzoekster] gepareerd met een verklaring van [E] . Deze schrijft onder meer: ”Dat rapport (…) bevat evenmin kwalificaties over het functioneren van de afdeling [functie] of [verweerder] . Het rapport bevat in algemene termen aanbevelingen voor de [verzoekster] over de vervolgaanpak van de reorganisatie in de volledige breedte (…) Mijn conclusie is dat hij [ [verweerder] , ktr] voldeed aan de eisen die aan zijn functie als [functie] en [functie] werden gesteld en op veel onderdelen ruim overtrof.” [verweerder] heeft ook een verklaring overgelegd van mevrouw drs. [C] Mba, die van 2010 tot 2021 algemeen directeur van [verzoekster] was.
Volledig
Zij verklaart onder meer: “Ik ken [verweerder] als een expert op zijn vakgebied, een uitstekend functionerend afdelingshoofd en in zijn geheel een coöperatieve en fijne collega”. De inzet van een coach voor [verweerder] kan de kantonrechter er ook niet van overtuigen dat hieruit blijkt dat kritiek op het functioneren van [verweerder] met hem is besproken. [verweerder] heeft uiteengezet dat op enig moment alle MT-leden een coach kregen. [verzoekster] heeft daarover opgemerkt dat voor [verweerder] deze inzet iets is vervroegd, maar ook als dat juist is doet dat er niet aan af dat dit een generieke maatregel was voor alle MT-leden. Per saldo kan de kantonrechter niet anders dan vaststellen dat [verweerder] op 6 mei 2025 compleet werd overvallen door de fundamentele kritiek op zijn functioneren. De kantonrechter rekent [verzoekster] dit zeer zwaar aan. 3.5. Na het gesprek op 6 mei 2025 is [verweerder] naar huis gestuurd en hij heeft zich ziek gemeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] toegelicht dat hij tijdens zijn vakantie een longontsteking had opgelopen en hij dus wel degelijk ook op medische gronden ziek was, zoals hij ook had gemeld aan [verzoekster] . 3.6. De medische situatie van [verweerder] is door de bedrijfsarts beoordeeld op 9 juli 2025 en op 14 oktober 2025. Na deze afspraken bij de bedrijfsarts door [verweerder] , was het advies van de bedrijfsarts gelijkluidend: “De medische situatie is feitelijk onveranderd ten opzichte van het vorige advies. Partijen zijn nog niet tot een vergelijk gekomen en de aanhoudende belastende werk gerelateerde situatie heeft een impact met meest bepalend energetische beperkingen met bijpassend een afgenomen mentale belastbaarheid bij duurbelasting. De re-integratie is niet van start gegaan. Onveranderd wordt geadviseerd tot structurele oplossing te komen. Daarnaast is werknemer opbouwend belastbaar met zijn arbeid. Het is gezien de medische situatie en de duur van afwezigheid raadzaam een opbouw traject te hanteren waarbij op korte termijn gestart kan worden met 5 x 3 uur per week in eigen aangepast werk; aangepast wil zeggen: afgebakend zonder veel hectiek en tempo druk in aanvang en bouw vervolgens tijd- en taakcontigent op. Als richting daarbij kan gehanteerd worden een stramien waarin om de twee weken opgebouwd wordt met 1 uur per dag toewerkend in een traject van 8 weken naar weer volledig herstel van balans en belastbaarheid.” 3.7. [verzoekster] heeft in geen enkel opzicht het advies van de bedrijfsarts opgevolgd. [verweerder] is nooit in staat gesteld zijn eigen werk – hoewel de bedrijfsarts dit wel adviseerde – te hervatten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [A] hierover aangegeven dat er voor [verzoekster] geen verplichting bestond om [verweerder] te laten re-integreren in zijn eigen functie. Terugkeer naar de [verzoekster] was sowieso een gepasseerd station, aldus [A] . 3.8. Met het negeren van de re-integratieverplichtingen is [verzoekster] in ernstige mate tekortgeschoten in zijn verplichtingen als goed werkgever. In de wet is bepaald dat re-integratie in eerste instantie plaats dient te vinden in het eigen werk en in het eigen bedrijf van de werkgever. Als vast staat dat de eigen arbeid niet kan worden verricht, heeft de werkgever de verplichting om op zoek te gaan naar passende arbeid. Ook die dient primair binnen het eigen bedrijf van de werkgever te worden gezocht. Pas als vast staat dat beide opties niet mogelijk zijn, komt passende arbeid elders aan bod. 3.9. In de periode van 17 juli 2025 tot en met 30 september 2025 vinden er tussen partijen mediationgesprekken plaats. Tijdens de mediation verschijnt er tweemaal binnen [verzoekster] een bericht over de positie van [verweerder] , die voor [verweerder] erg pijnlijk geweest moeten zijn en ook schadelijk. De kantonrechter neemt dit [verzoekster] zeer kwalijk, nu [verzoekster] de verhoudingen tussen partijen hiermee nog verder op scherp heeft gezet. Zo heeft [verzoekster] op het intranet een bericht geplaatst op 12 september 2025. In het bericht wordt verslag gedaan van een gesprek van de OR met de directie van [verzoekster] , waarover het volgende aan medewerkers van [verzoekster] wordt meegedeeld: “Op dit moment zijn er veel vacatures op belangrijke plekken binnen onze organisatie. Binnen het MT worden de functies van directeur, en van de hoofden [functie] en collectief nog interim opgevuld. Daarnaast staan ook de vacatures voor sectorbestuurders in het PO en VO nog open. Wij hopen dat het lukt om op korte termijn goede vaste mensen te kunnen benoemen. Over de procedures zijn we in overleg met de directeur.” Ook heeft mevrouw [F] , die de functie van [verweerder] ad interim vervult in een e-mail van 27 augustus 2025 aan de afdeling van [verweerder] gemeld: “Een aantal van jullie heeft [verweerder] binnen de [verzoekster] gezien. Hij is niet meer ziek. Er lopen gesprekken over zijn toekomst; zodra er duidelijkheid is, horen jullie dat als eerste.” 3.10. Na afloop van het mediationtraject heeft [verweerder] vele malen gevraagd om een start te kunnen maken met zijn re-integratie. Hierop is in eerste instantie door [verzoekster] afwachtend gereageerd en tot slot afwijzend. In een e-mail van 3 november 2025 schrijft [A] aan [verweerder] over re-integratie in eigen functie: “ Dat is wat mij betreft niet aan de orde. ” Ook werd aangegeven dat een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou worden ingediend met als reden: “Er is van de zijde van de [verzoekster] geen vertrouwen in de continuering van jouw dienstverband.” 3.11. Naar het oordeel van de kantonrechter had het initiatief om het arbeidsconflict op te lossen bij [verzoekster] moeten liggen. Niet gebleken is dat [verzoekster] daartoe voldoende, adequate initiatieven heeft ontplooid. Sterker nog, [verzoekster] heeft elke vorm van initiatief van [verweerder] gedwarsboomd. Uit het dossier komt een duidelijk beeld naar voren: [verzoekster] wenste vanaf 6 mei 2025 al niet meer dat [verweerder] nog zou terugkeren bij [verzoekster] . De kantonrechter is daarom van oordeel dat de noodzaak tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens de verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van [verzoekster] . 3.12. De kantonrechter merkt nog op dat in het verzoekschrift ernstige, maar niet gesubstantieerde verwijten aan het adres van [verweerder] worden gemaakt. Hierbij zou het volgens [verzoekster] gaan om vrouwonvriendelijk en intimiderend gedrag door [verweerder] . [verweerder] heeft deze verwijten ten stelligste betwist en heeft ter onderbouwing van die betwisting onder andere een aantal verklaringen overgelegd van leden uit zijn team. [verzoekster] heeft de verwijten ook nadien op geen enkele manier geconcretiseerd, laat staan onderbouwd. Het doen van dergelijke ongefundeerde beschuldigingen levert een ernstige aantasting van de persoon van [verweerder] op. Herplaatsing 3.13. De kantonrechter ziet, gelet op het feit dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn nog mogelijk is. Er is ook niet gebleken dat er een andere passende functie denkbaar is binnen [verzoekster] waarin [verweerder] herplaatst zou kunnen worden. Opzegverbod 3.14. De kantonrechter stelt vast dat in beginsel sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] ongeschikt was en/of is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. [verweerder] voert aan dat het opzegverbod tijdens ziekte de ontbinding in de weg staat. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Het opzegverbod staat niet in de weg aan toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] . Er wordt immers ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding en de ziekte van [verweerder] (voor zover thans nog aanwezig) staat hier los van, althans lijkt juist voort te vloeien uit het huidige arbeidsgeschil. Conclusie 3.15. De conclusie is dat het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding zal worden toegewezen.
Volledig
Zij verklaart onder meer: “Ik ken [verweerder] als een expert op zijn vakgebied, een uitstekend functionerend afdelingshoofd en in zijn geheel een coöperatieve en fijne collega”. De inzet van een coach voor [verweerder] kan de kantonrechter er ook niet van overtuigen dat hieruit blijkt dat kritiek op het functioneren van [verweerder] met hem is besproken. [verweerder] heeft uiteengezet dat op enig moment alle MT-leden een coach kregen. [verzoekster] heeft daarover opgemerkt dat voor [verweerder] deze inzet iets is vervroegd, maar ook als dat juist is doet dat er niet aan af dat dit een generieke maatregel was voor alle MT-leden. Per saldo kan de kantonrechter niet anders dan vaststellen dat [verweerder] op 6 mei 2025 compleet werd overvallen door de fundamentele kritiek op zijn functioneren. De kantonrechter rekent [verzoekster] dit zeer zwaar aan. 3.5. Na het gesprek op 6 mei 2025 is [verweerder] naar huis gestuurd en hij heeft zich ziek gemeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] toegelicht dat hij tijdens zijn vakantie een longontsteking had opgelopen en hij dus wel degelijk ook op medische gronden ziek was, zoals hij ook had gemeld aan [verzoekster] . 3.6. De medische situatie van [verweerder] is door de bedrijfsarts beoordeeld op 9 juli 2025 en op 14 oktober 2025. Na deze afspraken bij de bedrijfsarts door [verweerder] , was het advies van de bedrijfsarts gelijkluidend: “De medische situatie is feitelijk onveranderd ten opzichte van het vorige advies. Partijen zijn nog niet tot een vergelijk gekomen en de aanhoudende belastende werk gerelateerde situatie heeft een impact met meest bepalend energetische beperkingen met bijpassend een afgenomen mentale belastbaarheid bij duurbelasting. De re-integratie is niet van start gegaan. Onveranderd wordt geadviseerd tot structurele oplossing te komen. Daarnaast is werknemer opbouwend belastbaar met zijn arbeid. Het is gezien de medische situatie en de duur van afwezigheid raadzaam een opbouw traject te hanteren waarbij op korte termijn gestart kan worden met 5 x 3 uur per week in eigen aangepast werk; aangepast wil zeggen: afgebakend zonder veel hectiek en tempo druk in aanvang en bouw vervolgens tijd- en taakcontigent op. Als richting daarbij kan gehanteerd worden een stramien waarin om de twee weken opgebouwd wordt met 1 uur per dag toewerkend in een traject van 8 weken naar weer volledig herstel van balans en belastbaarheid.” 3.7. [verzoekster] heeft in geen enkel opzicht het advies van de bedrijfsarts opgevolgd. [verweerder] is nooit in staat gesteld zijn eigen werk – hoewel de bedrijfsarts dit wel adviseerde – te hervatten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [A] hierover aangegeven dat er voor [verzoekster] geen verplichting bestond om [verweerder] te laten re-integreren in zijn eigen functie. Terugkeer naar de [verzoekster] was sowieso een gepasseerd station, aldus [A] . 3.8. Met het negeren van de re-integratieverplichtingen is [verzoekster] in ernstige mate tekortgeschoten in zijn verplichtingen als goed werkgever. In de wet is bepaald dat re-integratie in eerste instantie plaats dient te vinden in het eigen werk en in het eigen bedrijf van de werkgever. Als vast staat dat de eigen arbeid niet kan worden verricht, heeft de werkgever de verplichting om op zoek te gaan naar passende arbeid. Ook die dient primair binnen het eigen bedrijf van de werkgever te worden gezocht. Pas als vast staat dat beide opties niet mogelijk zijn, komt passende arbeid elders aan bod. 3.9. In de periode van 17 juli 2025 tot en met 30 september 2025 vinden er tussen partijen mediationgesprekken plaats. Tijdens de mediation verschijnt er tweemaal binnen [verzoekster] een bericht over de positie van [verweerder] , die voor [verweerder] erg pijnlijk geweest moeten zijn en ook schadelijk. De kantonrechter neemt dit [verzoekster] zeer kwalijk, nu [verzoekster] de verhoudingen tussen partijen hiermee nog verder op scherp heeft gezet. Zo heeft [verzoekster] op het intranet een bericht geplaatst op 12 september 2025. In het bericht wordt verslag gedaan van een gesprek van de OR met de directie van [verzoekster] , waarover het volgende aan medewerkers van [verzoekster] wordt meegedeeld: “Op dit moment zijn er veel vacatures op belangrijke plekken binnen onze organisatie. Binnen het MT worden de functies van directeur, en van de hoofden [functie] en collectief nog interim opgevuld. Daarnaast staan ook de vacatures voor sectorbestuurders in het PO en VO nog open. Wij hopen dat het lukt om op korte termijn goede vaste mensen te kunnen benoemen. Over de procedures zijn we in overleg met de directeur.” Ook heeft mevrouw [F] , die de functie van [verweerder] ad interim vervult in een e-mail van 27 augustus 2025 aan de afdeling van [verweerder] gemeld: “Een aantal van jullie heeft [verweerder] binnen de [verzoekster] gezien. Hij is niet meer ziek. Er lopen gesprekken over zijn toekomst; zodra er duidelijkheid is, horen jullie dat als eerste.” 3.10. Na afloop van het mediationtraject heeft [verweerder] vele malen gevraagd om een start te kunnen maken met zijn re-integratie. Hierop is in eerste instantie door [verzoekster] afwachtend gereageerd en tot slot afwijzend. In een e-mail van 3 november 2025 schrijft [A] aan [verweerder] over re-integratie in eigen functie: “ Dat is wat mij betreft niet aan de orde. ” Ook werd aangegeven dat een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou worden ingediend met als reden: “Er is van de zijde van de [verzoekster] geen vertrouwen in de continuering van jouw dienstverband.” 3.11. Naar het oordeel van de kantonrechter had het initiatief om het arbeidsconflict op te lossen bij [verzoekster] moeten liggen. Niet gebleken is dat [verzoekster] daartoe voldoende, adequate initiatieven heeft ontplooid. Sterker nog, [verzoekster] heeft elke vorm van initiatief van [verweerder] gedwarsboomd. Uit het dossier komt een duidelijk beeld naar voren: [verzoekster] wenste vanaf 6 mei 2025 al niet meer dat [verweerder] nog zou terugkeren bij [verzoekster] . De kantonrechter is daarom van oordeel dat de noodzaak tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens de verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en nalaten van [verzoekster] . 3.12. De kantonrechter merkt nog op dat in het verzoekschrift ernstige, maar niet gesubstantieerde verwijten aan het adres van [verweerder] worden gemaakt. Hierbij zou het volgens [verzoekster] gaan om vrouwonvriendelijk en intimiderend gedrag door [verweerder] . [verweerder] heeft deze verwijten ten stelligste betwist en heeft ter onderbouwing van die betwisting onder andere een aantal verklaringen overgelegd van leden uit zijn team. [verzoekster] heeft de verwijten ook nadien op geen enkele manier geconcretiseerd, laat staan onderbouwd. Het doen van dergelijke ongefundeerde beschuldigingen levert een ernstige aantasting van de persoon van [verweerder] op. Herplaatsing 3.13. De kantonrechter ziet, gelet op het feit dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, geen reden om te oordelen dat herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn nog mogelijk is. Er is ook niet gebleken dat er een andere passende functie denkbaar is binnen [verzoekster] waarin [verweerder] herplaatst zou kunnen worden. Opzegverbod 3.14. De kantonrechter stelt vast dat in beginsel sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] ongeschikt was en/of is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. [verweerder] voert aan dat het opzegverbod tijdens ziekte de ontbinding in de weg staat. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Het opzegverbod staat niet in de weg aan toewijzing van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [verweerder] . Er wordt immers ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding en de ziekte van [verweerder] (voor zover thans nog aanwezig) staat hier los van, althans lijkt juist voort te vloeien uit het huidige arbeidsgeschil. Conclusie 3.15. De conclusie is dat het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsverhouding zal worden toegewezen.
Volledig
Weliswaar heeft [verweerder] primair verzocht de ontbinding af te wijzen, maar hij heeft tijdens de mondelinge behandeling ook benadrukt welke impact het geschil met de [verzoekster] op hem heeft gehad en nog steeds heeft. Daarbij heeft [verweerder] ook aangegeven zelf in te zien niet terug te kunnen keren bij de [verzoekster] zolang [A] daar zit en dat [A] daar in ieder geval nog tot augustus 2026 zal werken. De omstandigheid dat [verzoekster] van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een ernstig verwijt kan worden gemaakt, staat niet aan ontbinding in de weg. Datum ontbinding 3.16. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 augustus 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Daarbij wordt uitgegaan van de wettelijke opzegtermijn van vier maanden voor [verzoekster] . De behandelduur van deze procedure wordt niet in mindering gebracht, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Transitievergoeding 3.17. In geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt [verweerder] om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. Een werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever wordt ontbonden en geen van de in de wet genoemde uitzonderingen zich voordoet. De kantonrechter stelt vast dat geen van deze uitzonderingen zich voordoet, zodat [verzoekster] een transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd is. 3.18. Volgens [verweerder] moet bij de berekening van de transitievergoeding worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 9.410,45 (inclusief vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en pensioenpremiecompensatie). [verweerder] heeft de transitievergoeding berekend op een bedrag van € 69.271,- bruto, uitgaande van een einde van het dienstverband per 1 augustus 2026. Daartegen is door de [verzoekster] geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid hiervan. De [verzoekster] zal worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 69.271,- bruto. Billijke vergoeding 3.19. Ook ziet de kantonrechter aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen, omdat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. 3.20. De hoogte van de billijke vergoeding moet aan de hand van de in het New Hairstyle-arrest van de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten worden begroot. De vergoeding dient aan te sluiten bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer de mate van verwijtbaarheid van de werkgever, de lengte van het dienstverband en de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst als de werkgever niet de verstoring daarvan en daarmee de ontbinding had veroorzaakt en de hiermee samenhangende ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Verder dient ook rekening te worden gehouden met de gevolgen van het ontslag en de vraag of de werknemer aanspraak heeft op een transitievergoeding. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, maar de billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter. 3.21. [verweerder] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 908.335,- bruto, bestaande uit € 756.192,- aan inkomensschade en € 152.143,- aan pensioenschade. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft [verweerder] een berekening overgelegd van de inkomsten- en pensioenschade door [G] . Uit deze berekening volgt dat de hoogte van de inkomens- en pensioenschade wordt begroot op € 720.942,- bruto, na aftrek van de WW en de PAWW. [verweerder] bepleit met deze aftrek geen rekening te houden, gelet op het ernstig verwijtbare handelen van [verzoekster] . 3.22. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding laat de kantonrechter meewegen dat [verweerder] op het moment van het ontbinden van de arbeidsovereenkomst zo goed als 62 jaar is en hij zijn pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken op 28 november 2031. Ten tijde van de ontbinding zal [verweerder] daarom nog 5 jaar en 4 maanden moeten werken. 3.23. Een belangrijk gezichtspunt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding is de ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Ter bepaling hiervan dient de kantonrechter een schatting te maken van de vermoedelijke duur van de arbeidsovereenkomst als deze niet door het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] zou zijn geëindigd door ontbinding per 1 augustus 2026. Anders gezegd: hoe lang zou de arbeidsovereenkomst naar verwachting hebben geduurd als [verzoekster] en [verweerder] wel constructief en concreet met elkaar in gesprek waren gegaan over het vermeende disfunctioneren van [verweerder] ? Dat is immers de weg die [verzoekster] had moeten bewandelen. De kantonrechter acht het hierbij aannemelijk dat [verweerder] tot aan zijn pensioendatum in dienst was gebleven bij [verzoekster] . Na een dienstverband van ruim 20 jaar is namelijk niet gebleken van enige substantiële kritiek op het functioneren van [verweerder] , terwijl [verweerder] heeft opgemerkt altijd veel plezier in zijn werk te hebben gehad. 3.24. De kantonrechter neemt bij de bepaling van de hoogte van de inkomensschade ook in aanmerking dat er voor [verweerder] nog kansen zullen zijn op de arbeidsmarkt om inkomsten te genereren. Zo heeft [verweerder] eerder nevenwerkzaamheden gehad als [functie] voor de huisartsenpost, maar kon hij vanwege de spanningen vanwege het geschil met [verzoekster] de onregelmatige werktijden daarvan niet meer aan. Of [verweerder] op zijn leeftijd nog een voltijds functie kan vinden passend bij zijn opleiding en ervaring is de vraag, maar enige vorm van inkomsten zal hij naar alle waarschijnlijkheid wel kunnen genereren. 3.25. In een recent arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat bij de bepaling van de hoogte van de inkomensschade rekening moet worden gehouden met een mogelijke WW-uitkering. De kantonrechter zal deze door de Hoge Raad uitgezette lijn volgen, zodat bij de hoogte van de billijke vergoeding van [verweerder] rekening wordt gehouden met de aan hem toekomende WW-uitkering en PAWW-uitkering. 3.26. Alle hierboven besproken omstandigheden, waaronder de lengte van het dienstverband van [verweerder] , de toe te kennen transitievergoeding, de door [verweerder] te ontvangen WW-uitkering en PAWW-uitkering en de wijze waarop [verweerder] door [verzoekster] is behandeld, met alle gevolgen van dien in aanmerking nemende, acht de kantonrechter een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto redelijk. [verzoekster] zal tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld. Immateriële schadevergoeding 3.27. [verweerder] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot het betalen aan hem van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-. [verweerder] stelt dat hij door de gemaakte (onterechte) en beschadigende verwijten door [verzoekster] ziek is en nog steeds oplopende spanningen ervaart die zijn gezondheid aantasten. Hij heeft toegelicht dat hij de onverwachte en onterechte aantijgingen heeft ervaren als een poging tot karaktermoord. Hij heeft hier heel veel last van (gehad). [verweerder] is hierdoor aangetast in zijn persoon, ook vanwege de langdurige onzekerheid die [verzoekster] sinds mei 2025 heeft laten ontstaan en voortduren. 3.28. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] in zijn persoon is aangetast door het handelen van [verzoekster] en dat hij daarom aanspraak kan maken op een immateriële schadevergoeding. 3.29. Wat betreft de hoogte van de vergoeding is voor de kantonrechter van belang dat [verweerder] nog altijd ziek is en er geen uitzicht is op het weer kunnen uitvoeren van werkzaamheden.
Volledig
Weliswaar heeft [verweerder] primair verzocht de ontbinding af te wijzen, maar hij heeft tijdens de mondelinge behandeling ook benadrukt welke impact het geschil met de [verzoekster] op hem heeft gehad en nog steeds heeft. Daarbij heeft [verweerder] ook aangegeven zelf in te zien niet terug te kunnen keren bij de [verzoekster] zolang [A] daar zit en dat [A] daar in ieder geval nog tot augustus 2026 zal werken. De omstandigheid dat [verzoekster] van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een ernstig verwijt kan worden gemaakt, staat niet aan ontbinding in de weg. Datum ontbinding 3.16. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 augustus 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Daarbij wordt uitgegaan van de wettelijke opzegtermijn van vier maanden voor [verzoekster] . De behandelduur van deze procedure wordt niet in mindering gebracht, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Transitievergoeding 3.17. In geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt [verweerder] om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. Een werkgever is aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd als een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever wordt ontbonden en geen van de in de wet genoemde uitzonderingen zich voordoet. De kantonrechter stelt vast dat geen van deze uitzonderingen zich voordoet, zodat [verzoekster] een transitievergoeding aan [verweerder] verschuldigd is. 3.18. Volgens [verweerder] moet bij de berekening van de transitievergoeding worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 9.410,45 (inclusief vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en pensioenpremiecompensatie). [verweerder] heeft de transitievergoeding berekend op een bedrag van € 69.271,- bruto, uitgaande van een einde van het dienstverband per 1 augustus 2026. Daartegen is door de [verzoekster] geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid hiervan. De [verzoekster] zal worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 69.271,- bruto. Billijke vergoeding 3.19. Ook ziet de kantonrechter aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen, omdat de arbeidsverhouding tussen partijen verstoord is geraakt als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Over de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. 3.20. De hoogte van de billijke vergoeding moet aan de hand van de in het New Hairstyle-arrest van de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten worden begroot. De vergoeding dient aan te sluiten bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer de mate van verwijtbaarheid van de werkgever, de lengte van het dienstverband en de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst als de werkgever niet de verstoring daarvan en daarmee de ontbinding had veroorzaakt en de hiermee samenhangende ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Verder dient ook rekening te worden gehouden met de gevolgen van het ontslag en de vraag of de werknemer aanspraak heeft op een transitievergoeding. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, maar de billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter. 3.21. [verweerder] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 908.335,- bruto, bestaande uit € 756.192,- aan inkomensschade en € 152.143,- aan pensioenschade. Ter onderbouwing van dit bedrag heeft [verweerder] een berekening overgelegd van de inkomsten- en pensioenschade door [G] . Uit deze berekening volgt dat de hoogte van de inkomens- en pensioenschade wordt begroot op € 720.942,- bruto, na aftrek van de WW en de PAWW. [verweerder] bepleit met deze aftrek geen rekening te houden, gelet op het ernstig verwijtbare handelen van [verzoekster] . 3.22. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding laat de kantonrechter meewegen dat [verweerder] op het moment van het ontbinden van de arbeidsovereenkomst zo goed als 62 jaar is en hij zijn pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken op 28 november 2031. Ten tijde van de ontbinding zal [verweerder] daarom nog 5 jaar en 4 maanden moeten werken. 3.23. Een belangrijk gezichtspunt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding is de ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Ter bepaling hiervan dient de kantonrechter een schatting te maken van de vermoedelijke duur van de arbeidsovereenkomst als deze niet door het ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] zou zijn geëindigd door ontbinding per 1 augustus 2026. Anders gezegd: hoe lang zou de arbeidsovereenkomst naar verwachting hebben geduurd als [verzoekster] en [verweerder] wel constructief en concreet met elkaar in gesprek waren gegaan over het vermeende disfunctioneren van [verweerder] ? Dat is immers de weg die [verzoekster] had moeten bewandelen. De kantonrechter acht het hierbij aannemelijk dat [verweerder] tot aan zijn pensioendatum in dienst was gebleven bij [verzoekster] . Na een dienstverband van ruim 20 jaar is namelijk niet gebleken van enige substantiële kritiek op het functioneren van [verweerder] , terwijl [verweerder] heeft opgemerkt altijd veel plezier in zijn werk te hebben gehad. 3.24. De kantonrechter neemt bij de bepaling van de hoogte van de inkomensschade ook in aanmerking dat er voor [verweerder] nog kansen zullen zijn op de arbeidsmarkt om inkomsten te genereren. Zo heeft [verweerder] eerder nevenwerkzaamheden gehad als [functie] voor de huisartsenpost, maar kon hij vanwege de spanningen vanwege het geschil met [verzoekster] de onregelmatige werktijden daarvan niet meer aan. Of [verweerder] op zijn leeftijd nog een voltijds functie kan vinden passend bij zijn opleiding en ervaring is de vraag, maar enige vorm van inkomsten zal hij naar alle waarschijnlijkheid wel kunnen genereren. 3.25. In een recent arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat bij de bepaling van de hoogte van de inkomensschade rekening moet worden gehouden met een mogelijke WW-uitkering. De kantonrechter zal deze door de Hoge Raad uitgezette lijn volgen, zodat bij de hoogte van de billijke vergoeding van [verweerder] rekening wordt gehouden met de aan hem toekomende WW-uitkering en PAWW-uitkering. 3.26. Alle hierboven besproken omstandigheden, waaronder de lengte van het dienstverband van [verweerder] , de toe te kennen transitievergoeding, de door [verweerder] te ontvangen WW-uitkering en PAWW-uitkering en de wijze waarop [verweerder] door [verzoekster] is behandeld, met alle gevolgen van dien in aanmerking nemende, acht de kantonrechter een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto redelijk. [verzoekster] zal tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld. Immateriële schadevergoeding 3.27. [verweerder] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot het betalen aan hem van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-. [verweerder] stelt dat hij door de gemaakte (onterechte) en beschadigende verwijten door [verzoekster] ziek is en nog steeds oplopende spanningen ervaart die zijn gezondheid aantasten. Hij heeft toegelicht dat hij de onverwachte en onterechte aantijgingen heeft ervaren als een poging tot karaktermoord. Hij heeft hier heel veel last van (gehad). [verweerder] is hierdoor aangetast in zijn persoon, ook vanwege de langdurige onzekerheid die [verzoekster] sinds mei 2025 heeft laten ontstaan en voortduren. 3.28. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] in zijn persoon is aangetast door het handelen van [verzoekster] en dat hij daarom aanspraak kan maken op een immateriële schadevergoeding. 3.29. Wat betreft de hoogte van de vergoeding is voor de kantonrechter van belang dat [verweerder] nog altijd ziek is en er geen uitzicht is op het weer kunnen uitvoeren van werkzaamheden.
Volledig
Dit blijkt ook uit het gegeven dat [verweerder] vanwege alle spanningen zijn nevenwerkzaamheden als [functie] voor de huisartsenpost heeft moeten opgeven. Dat dit alles een enorme impact heeft gehad en nog steeds heeft, is evident. De kantonrechter acht de verzochte vergoeding passend en dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. Kosten voor rechtsbijstand 3.30. [verweerder] verzoekt veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand over de periode van juni tot en met december 2025, tot aan de indiening van het verzoekschrift. In die periode is geprobeerd tot een oplossing van het geschil te komen. Deze kosten bedrag € 14.840,67 inclusief btw, waarvan [verweerder] de betreffende facturen heeft overgelegd. 3.31. De kantonrechter wijst dit bedrag toe. De kantonrechter acht het aannemelijk dat door de wijze waarop [verzoekster] zich heeft opgesteld, [verweerder] zich genoodzaakt zag rechtsbijstand in te schakelen om hem te begeleiden in de periode dat hij zocht naar een oplossing van het gerezen conflict. Intrekkingsmogelijkheid 3.32. Omdat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoekster] een billijke vergoeding wordt verbonden, wordt [verzoekster] in de gelegenheid gesteld om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn. Proceskosten 3.33. Aangezien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] , zal [verzoekster] worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) volgens het gebruikelijke forfaitaire tarief. Voor een toekenning van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, zoals door [verweerder] verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding, nu de drempel daarvoor hoog is en er geen sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. De forfaitaire proceskosten van [verweerder] worden begroot op € 1.298,00, bestaande uit € 1.154,- aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Deze veroordeling geldt zowel in het geval [verzoekster] zijn verzoeken intrekt als in het geval [verzoekster] zijn verzoeken niet intrekt. in de zelfstandige tegenverzoeken van [verweerder] 3.34. [verweerder] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot nakoming van zijn re-integratieverplichtingen, te weten de bevordering van inschakeling van [verweerder] in de arbeid in het bedrijf van [verzoekster] en zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is, zodat [verweerder] in staat wordt gesteld zijn eigen arbeid of andere passende arbeid te verrichten. 3.35. Zoals hiervoor al overwogen, is de [verzoekster] zijn re-integratieverplichtingen niet nagekomen. [verzoekster] heeft verzuimd een plan van aanpak op te stellen, terwijl [verzoekster] hiertoe wel verplicht was. Ook blijkt uit de adviezen van de bedrijfsarts dat er mogelijkheden waren voor re-integratie (zie hiervoor onder 3.6), maar deze mogelijkheden zijn door [verzoekster] niet verkend. Het dienstverband zal nog duren tot 1 augustus 2026. Voor de situatie waarin er door de bedrijfsarts wordt geoordeeld dat [verweerder] nog arbeidsongeschikt is, zal [verzoekster] daarom worden veroordeeld tot het nakomen van de re-integratieverplichtingen. Als [verzoekster] het verzoek niet intrekt, ligt het niet voor de hand dat er binnen [verzoekster] zal worden gezocht naar mogelijkheden voor [verweerder] om te re-integreren gelet op de verstoorde arbeidsverhouding, maar de mogelijkheden in het kader van het tweede spoor zullen dan onderzocht moeten worden. Als het verzoek wel wordt ingetrokken ligt dat mogelijk anders en moet re-integratie in het eerste en eventueel in het tweede spoor worden onderzocht. Voor het geval door de bedrijfsarts wordt geoordeeld dat er geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] , zal deze veroordeling niet gelden voor [verzoekster] . 3.36. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden, nu zij er vanuit gaat dat [verzoekster] aan de veroordeling zal voldoen en een prikkel tot nakoming niet nodig is. Proceskosten 3.37. [verzoekster] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Gelet op de verwevenheid met de verzoeken van [verzoekster] , worden de proceskosten voor deze tegenvordering aan de zijde van [verweerder] begroot op € 721,-, bestaande uit € 577,- aan salaris gemachtigde (half tarief x € 1.154,-) en € 144,- aan nakosten. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1. bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verzoekster] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan (de gemachtigde van) [verweerder] , zal lopen tot en met 10 april 2026 ; voor het geval [verzoekster] het verzoek NIET binnen die termijn intrekt: in de verzoeken van [verzoekster] 4.2. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026; 4.3. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] te betalen: - € 69.271,- bruto aan wettelijke transitievergoeding; - € 400.000,- bruto aan billijke vergoeding; - € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding; - € 14.840,67 aan kosten voor rechtsbijstand; 4.4. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen; 4.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.6. wijst af het meer of anders verzochte; in de tegenverzoeken van [verweerder] 4.7. veroordeelt [verzoekster] tot nakoming van de re-integratieverplichtingen (in het tweede spoor) zolang er sprake is van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] ; 4.8. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 721,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen; 4.9. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.10. wijst af het meer of anders verzochte; voor het geval [verzoekster] het verzoek WEL binnen die termijn intrekt: in de verzoeken van [verzoekster] 4.11. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen; 4.12. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.13. wijst af het meer of anders verzochte; in de tegenverzoeken van [verweerder] 4.14. veroordeelt [verzoekster] tot nakoming van de re-integratieverplichtingen zolang er sprake is van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] ; 4.15. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 721,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen; 4.16. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.17. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026. Artikel 7:669 leden 1 en 3 BW. Artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g BW. Artikel 7:658a lid 1 BW. Artikel 7:673 lid 1 sub a onder 2 BW. Artikel 7:673 lid 7 BW. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187. Hoge Raad 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193 Artikel 6:106 sub b BW. Artikel 7:686a lid 6 BW. Artikel 7:682 lid 1 sub c BW.
Volledig
Dit blijkt ook uit het gegeven dat [verweerder] vanwege alle spanningen zijn nevenwerkzaamheden als [functie] voor de huisartsenpost heeft moeten opgeven. Dat dit alles een enorme impact heeft gehad en nog steeds heeft, is evident. De kantonrechter acht de verzochte vergoeding passend en dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. Kosten voor rechtsbijstand 3.30. [verweerder] verzoekt veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand over de periode van juni tot en met december 2025, tot aan de indiening van het verzoekschrift. In die periode is geprobeerd tot een oplossing van het geschil te komen. Deze kosten bedrag € 14.840,67 inclusief btw, waarvan [verweerder] de betreffende facturen heeft overgelegd. 3.31. De kantonrechter wijst dit bedrag toe. De kantonrechter acht het aannemelijk dat door de wijze waarop [verzoekster] zich heeft opgesteld, [verweerder] zich genoodzaakt zag rechtsbijstand in te schakelen om hem te begeleiden in de periode dat hij zocht naar een oplossing van het gerezen conflict. Intrekkingsmogelijkheid 3.32. Omdat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van [verzoekster] een billijke vergoeding wordt verbonden, wordt [verzoekster] in de gelegenheid gesteld om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn. Proceskosten 3.33. Aangezien sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] , zal [verzoekster] worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) volgens het gebruikelijke forfaitaire tarief. Voor een toekenning van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, zoals door [verweerder] verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding, nu de drempel daarvoor hoog is en er geen sprake is van misbruik van procesrecht of het onrechtmatig instellen van een procedure. De forfaitaire proceskosten van [verweerder] worden begroot op € 1.298,00, bestaande uit € 1.154,- aan salaris gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Deze veroordeling geldt zowel in het geval [verzoekster] zijn verzoeken intrekt als in het geval [verzoekster] zijn verzoeken niet intrekt. in de zelfstandige tegenverzoeken van [verweerder] 3.34. [verweerder] verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot nakoming van zijn re-integratieverplichtingen, te weten de bevordering van inschakeling van [verweerder] in de arbeid in het bedrijf van [verzoekster] en zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is, zodat [verweerder] in staat wordt gesteld zijn eigen arbeid of andere passende arbeid te verrichten. 3.35. Zoals hiervoor al overwogen, is de [verzoekster] zijn re-integratieverplichtingen niet nagekomen. [verzoekster] heeft verzuimd een plan van aanpak op te stellen, terwijl [verzoekster] hiertoe wel verplicht was. Ook blijkt uit de adviezen van de bedrijfsarts dat er mogelijkheden waren voor re-integratie (zie hiervoor onder 3.6), maar deze mogelijkheden zijn door [verzoekster] niet verkend. Het dienstverband zal nog duren tot 1 augustus 2026. Voor de situatie waarin er door de bedrijfsarts wordt geoordeeld dat [verweerder] nog arbeidsongeschikt is, zal [verzoekster] daarom worden veroordeeld tot het nakomen van de re-integratieverplichtingen. Als [verzoekster] het verzoek niet intrekt, ligt het niet voor de hand dat er binnen [verzoekster] zal worden gezocht naar mogelijkheden voor [verweerder] om te re-integreren gelet op de verstoorde arbeidsverhouding, maar de mogelijkheden in het kader van het tweede spoor zullen dan onderzocht moeten worden. Als het verzoek wel wordt ingetrokken ligt dat mogelijk anders en moet re-integratie in het eerste en eventueel in het tweede spoor worden onderzocht. Voor het geval door de bedrijfsarts wordt geoordeeld dat er geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] , zal deze veroordeling niet gelden voor [verzoekster] . 3.36. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden, nu zij er vanuit gaat dat [verzoekster] aan de veroordeling zal voldoen en een prikkel tot nakoming niet nodig is. Proceskosten 3.37. [verzoekster] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Gelet op de verwevenheid met de verzoeken van [verzoekster] , worden de proceskosten voor deze tegenvordering aan de zijde van [verweerder] begroot op € 721,-, bestaande uit € 577,- aan salaris gemachtigde (half tarief x € 1.154,-) en € 144,- aan nakosten. 4 De beslissing De kantonrechter: 4.1. bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verzoekster] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan (de gemachtigde van) [verweerder] , zal lopen tot en met 10 april 2026 ; voor het geval [verzoekster] het verzoek NIET binnen die termijn intrekt: in de verzoeken van [verzoekster] 4.2. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026; 4.3. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] te betalen: - € 69.271,- bruto aan wettelijke transitievergoeding; - € 400.000,- bruto aan billijke vergoeding; - € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding; - € 14.840,67 aan kosten voor rechtsbijstand; 4.4. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen; 4.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.6. wijst af het meer of anders verzochte; in de tegenverzoeken van [verweerder] 4.7. veroordeelt [verzoekster] tot nakoming van de re-integratieverplichtingen (in het tweede spoor) zolang er sprake is van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] ; 4.8. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 721,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen; 4.9. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.10. wijst af het meer of anders verzochte; voor het geval [verzoekster] het verzoek WEL binnen die termijn intrekt: in de verzoeken van [verzoekster] 4.11. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen; 4.12. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 4.13. wijst af het meer of anders verzochte; in de tegenverzoeken van [verweerder] 4.14. veroordeelt [verzoekster] tot nakoming van de re-integratieverplichtingen zolang er sprake is van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] ; 4.15. veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 721,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verzoekster] ook de kosten van betekening betalen; 4.16. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 4.17. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026. Artikel 7:669 leden 1 en 3 BW. Artikel 7:669 lid 1 en lid 3 sub g BW. Artikel 7:658a lid 1 BW. Artikel 7:673 lid 1 sub a onder 2 BW. Artikel 7:673 lid 7 BW. Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187. Hoge Raad 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193 Artikel 6:106 sub b BW. Artikel 7:686a lid 6 BW. Artikel 7:682 lid 1 sub c BW.