Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-12
ECLI:NL:GHARL:2023:10541
Civiel recht
Hoger beroep
3,288 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.314.068
zaaknummer rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, 8477202
arrest van de pachtkamer van 12 december 2023
in de zaak van
Kerkgenootschap Cisterciënserabdij O.L. Vrouw van de H. Joseph Lilbosch
die is gevestigd in Echt, gemeente Echt-Susteren
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna: de abdij
advocaat: mr. P.J.W.M. Theunissen
tegen
1Landbouwbedrijf Ulingshof B.V.
die is gevestigd in Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: Ulingshof
advocaat: mr. B. Nijman
2 [geïntimeerde 2]
die kantoor houdt in [vestigingsplaats] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Loonbedrijf [naam B.V.] B.V. (die gevestigd was in [vestigingsplaats 2] , gemeente [naam gemeente] , en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie)
hierna: de curator
niet verschenen.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 20 juni 2023 heeft op 19 oktober 2023 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2Kern van de zaak en de beslissing
2.1
De abdij heeft vanaf 2002 aan Ulingshof van jaar tot jaar ongeveer 60 ha (tuin)land dichtbij abdij Tegelen verpacht met huurovereenkomsten. In 2016 heeft zij Ulingshof meegedeeld dat abdij Tegelen zou sluiten en de grond deels getrokken zou worden bij de abdij in Echt en deels verkocht zou worden. Daarna heeft Ulingshof goedkeuring van de laatste huurovereenkomst gevorderd. De huurovereenkomst is als pachtovereenkomst op 31 oktober 2017 goedgekeurd voor de duur van één jaar.
2.2
Door de werking van artikel 7:322 BW liep deze pachtovereenkomst af op 31 december 2018. Ulingshof vordert in deze procedure schadevergoeding voor de jaren 2017 en 2018 dat zij de gronden niet in gebruik heeft gehad, omdat de Abdij een ander het gebruik in deze jaren heeft gegund. De abdij stelt dat Ulingshof eind 2016/begin 2017 heeft ingestemd met beëindiging van de bestaande pachtovereenkomst en daaraan ook uitvoering heeft gegeven, de pacht daarom is geëindigd en Ulingshof daarom geen recht heeft op schadevergoeding. Zij wil een verklaring voor recht dat de pacht beëindigd is en ook dat Ulingshof de gronden heeft onderverpacht.
2.3
De pachtkamer in Roermond heeft de vordering van Ulingshof toegewezen en die van de abdij afgewezen. De abdij wil dat haar vordering alsnog wordt toegewezen en die van Ulingshof wordt afgewezen. In dat kader vordert zij ook dat Ulingshof verplicht wordt stukken aan haar te geven over de bedrijfsvoering.
2.4
Het hof oordeelt dat Ulingshof geen afstand heeft gedaan van haar rechten uit de pachtovereenkomst van 2016, dat de pachtovereenkomst toen dus niet is beëindigd en Ulingshof in beginsel recht heeft op schadevergoeding voor de jaren 2017 en 2018. Maar omdat het hof ook als vaststaand aanneemt dat Ulingshof de percelen (grotendeels) heeft onderverpacht aan Taco Agro B.V. oordeelt het hof dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de abdij aan Ulingshof schadevergoeding zou moeten betalen. Daarom wijst het hof de vordering van Ulingshof alsnog af. Het hof is het verder eens met de pachtkamer in Roermond dat de abdij onvoldoende belang heeft bij haar vordering zodat het hof het vonnis op dat onderdeel bekrachtigt.
Beoordeling
3.1
Het hof legt zijn oordeel hierna verder uit en bespreekt eerst de vraag of Ulingshof eind 2016/begin 2017 heeft ingestemd met definitieve beëindiging van het gebruik van de percelen van de abdij en daarmee afstand heeft gedaan van haar rechten uit de pachtovereenkomst. Daarna komt de vraag aan de orde of Ulingshof de percelen heeft onderverpacht aan Taco Agro B.V. en het gevolg van de oordelen voor de vorderingen van partijen. Maar eerst gaat het hof in op de positie van de curator die in hoger beroep is betrokken.
Positie van de curator
3.2
Uit de processtukken in eerste aanleg leidt het hof af dat de abdij de curator heeft gevraagd het geding over te nemen door zijn oproeping op 3 augustus 2020. De curator is niet verschenen en de pachtkamer in Roermond heeft in het tussenvonnis van 17 februari 2021 vastgesteld dat hij het geding niet overneemt. De pachtkamer heeft vervolgens in de vonnissen steeds (terecht) de failliet als procespartij aangeduid (in de kop van de processtukken van de abdij komt de failliet of de curator niet meer voor). Het eindvonnis is gewezen tussen de abdij, Ulingshof en de failliet.
3.3
In hoger beroep heeft de abdij - niet de failliet maar - de curator als procespartij gedagvaard, maar hij is geen procespartij. Daarom moet de abdij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep tegen de curator.
De situatie einde 2016/begin 2017
3.4
Bij de pachtkamer in Roermond zijn getuigen gehoord over de vraag of Ulingshof en/of de failliet “mondeling hebben ingestemd met beëindiging van de pachtrelatie tussen partijen, in de herfst van 2016 dan wel in het voorjaar van 2017, en daar vervolgens ook van hun kant feitelijk uitvoering aan hebben gegeven.” Na bewijslevering oordeelde de pachtkamer dat het bewijs niet was geleverd. Het hof is het daarmee eens. Daarbij merkt het hof het volgende op.
3.5
Volgens de abdij heeft Ulingshof zich bij het aflopen van de (grijze) pachtovereenkomst neergelegd, en is daardoor een pachtbeëindigingsovereenkomst tot stand gekomen. Aan die beëindigingsovereenkomst heeft Ulingshof volgens de abdij vervolgens uitvoering gegeven. Op dat moment was de pachtovereenkomst tussen de abdij en Ulingshof niet door de grondkamer goedgekeurd en gold deze dus voor onbepaalde tijd (art. 7:322 BW). De te bewijzen stelling van de abdij komt er in die omstandigheden juridisch op neer dat Ulingshof eind 2016/begin 2017afstand heeft gedaan van haar rechten uit de rechtsverhouding die zij met de abdij had, inclusief die uit hoofde van art. 7:322 BW. Het standpunt van de abdij komt er namelijk op neer dat de rechtsgevolgen die het pachtrecht verbindt aan het niet-tijdig insturen van een pachtovereenkomst – waaronder dat de pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt– , in de rechtsverhouding tussen de abdij en Ulingshof niet gelden. Zij stelt dat Ulingshof vrijwillig afstand heeft gedaan van die rechtsgevolgen door pas op 28 april 2017 aanspraak te maken op voortgezet gebruik.
3.6
Voor het aannemen van afstand van recht geldt een strenge maatstaf. De abdij heeft onvoldoende zwaarwegende feiten en omstandigheden aangevoerd die kunnen meebrengen dat Ulingshof vrijwillig afstand heeft gedaan van haar rechten. Het tegendeel blijkt uit het feit dat Ulingshof alsnog de pachtovereenkomst ter goedkeuring heeft ingezonden en aanspraak heeft gemaakt op voortgezet gebruik. De omstandigheid dat Ulingshof eind 2016/2017 accepteerde dat de abdij niet langer de eigenaar zou zijn van het door haar gebruikte land, is onvoldoende om afstand van recht aan te kunnen nemen. In dat kader heeft Ulingshof blijkbaar afscheid genomen van de abt van de abdij als eigenaar/verpachter maar dat brengt niet mee dat zij geen aanspraak meer zou maken op de rechten die het pachtrecht een pachter biedt. Ook de mededeling aan Taco dat het gebruik door Taco zou eindigen en daarmee de samenwerking tussen hen, brengen dat niet mee. Verder is het logisch dat Ulingshof niet, zoals gebruikelijk, in februari een nieuwe huurovereenkomst voor de duur van een jaar aan de abdij opstuurde, omdat de abdij had gezegd dat het land verkocht zou worden. Vervolgens heeft Ulingshof immers aan de abdij gevraagd wie de nieuwe eigenaar was, omdat het wenselijk was om aan deze het gebruik van de percelen te verzoeken. Andere feiten en omstandigheden, die na bewijslevering voldoende vaststaan, zijn er niet om desondanks afstand van recht aan te kunnen nemen.
Onderverpachting aan Taco Agro B.V.
3.7
De abdij stelt dat Ulingshof de gronden heeft onderverpacht, althans in gebruik heeft gegeven aan Taco en daarom het gepachte niet persoonlijk heeft gebruikt. Zij voert daarvoor aan dat Taco tuingewassen heeft geteeld op het gepachte voor eigen risico. Zij heeft dat onderbouwd door te wijzen op handelingen en verklaringen van [directeur A] , directeur van Taco.
3.8
Na het oordeel van het hof heeft de abdij haar stelling voldoende toegelicht. Het was [directeur A] die de abdij eind 2016 belde om te vragen of hij de spruiten, die nog op het veld stonden, kon oogsten. Verder heeft [directeur A] verklaard dat hij met [directeur B] , de directeur van Ulingshof en Loonbedrijf [naam B.V.] , deelteeltovereenkomsten had. Volgens de verklaring had Taco het teeltrisico, bepaalde zij wat en wanneer waar gebeurde en betaalde zij een vaste vergoeding van gemiddeld € 1.450 per hectare. De financiële afwikkeling gebeurde jaarlijks in november binnen Loonbedrijf [naam B.V.] , dat werkzaamheden voor Taco verrichte. [directeur A] heeft ook uitgelegd dat Taco groenten, aardappelen en bieten teelt en dat hij elk jaar naar [directeur B] belde om te vragen of “of wij het gebruik voor het komende jaar konden voortzetten”. Uit de gecombineerde opgave en opgave gewaspercelen van 2016 blijkt dat het areaal van bijna 60 ha is beteeld met rode kool, spruiten, stamslabonen, mais, bieten en winterpeen. Volgens Ulingshof op de zitting bij het hof, werd binnen Ulingshof alleen tarwe, aardappelen en mais geteeld. De maisteelt in 2016 betrof slechts 5,86 ha. Voor zover Ulingshof die mais zelf heeft geteeld, moet ervan worden uitgegaan dat het overgrote deel van het gepachte is beteeld door Taco. Tegenover de genoemde stukken heeft Ulingshof nauwelijks verweer gevoerd. Zij heeft alleen ontkend dat het gebruik is afgestaan maar geen (financieel) inzicht gegeven in de wijze waarop Ulingshof en Taco de “deelteeltovereenkomsten” vorm gaven en uitvoerden waardoor geen sprake zou zijn van onderpacht. Daarmee heeft Ulingshof onvoldoende verweer gevoerd tegen de stelling van de abdij zodat het hof de stelling dat Ulingshof de percelen aan Taco heeft onderverpacht, als vaststaand moet aannemen.
De gevolgen voor de vorderingen van partijen
3.9
Ulingshof heeft een verklaring voor recht gevorderd dat Ulingshof in 2017 en 2018 gerechtigd is geweest om de gepachte gronden te gebruiken en dat de abdij tekort is geschoten door deze gronden niet aan haar ter beschikking te stellen en ter beschikking te laten. Daarnaast heeft Ulingshof gevorderd dat de abdij veroordeeld wordt tot vergoeding van de haar door deze tekortkoming in 2017 en 2018 geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De pachtkamer in Roermond heeft beide vorderingen toegewezen.
3.10
De abdij heeft betoogd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Ulingshof, die jarenlang € 350 per hectare betaalde, schadevergoeding zou krijgen voor de jaren 2017 en 2018 terwijl zij de percelen steeds (voor ongeveer € 1.450) heeft onderverpacht aan Taco.
Dictum
Het hof:
verklaart de abdij niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de curator;
vernietigt de vonnissen van de pachtkamer te Roermond van 7 april 2021 en 1 juni 2022 en doet opnieuw recht
in het incident, in conventie en in reconventie:
wijst de vorderingen af;
compenseert de kosten zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
compenseert kosten van het hoger beroep zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, R.W.E. van Leuken en M.S.A van Dam en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en ir. J.H. Jurrius, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 december 2023.
productie 14 bij inleidende dagvaarding
productie 13 bij inleidende dagvaarding
Vgl. Hoge Raad 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0893.