Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-09-27
ECLI:NL:GHARL:2021:9015
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,577 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.249.946/01
CJIB-nummer
: 204652783
Uitspraak d.d.
: 27 september 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2018, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 250,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.
De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal bij brief van 18 maart 2021 verzocht om inlichtingen. Die informatie is op 26 mei 2021 ontvangen.
De gemachtigde van de betrokkene heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.
Beoordeling
1. Bij inleidende beschikking van 3 februari 2017 is aan de betrokkene een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd. De gemachtigde van de betrokkene heeft op 8 juni 2017 beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft hij verzocht om een termijn voor het indienen van de beroepsgronden dan wel de reden van de (verschoonbare) termijnoverschrijding. Bij beslissing van 12 juli 2017 heeft de officier van justitie het beroep wegens termijnoverschrijding kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De gemachtigde heeft op 15 augustus 2017 beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft op 10 juli 2018 een tussenbeslissing en op 18 september 2018 een eindbeslissing gegeven.
2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie - met gegrondverklaring van het beroep - had moeten vernietigen.
3. Uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 10 juli 2018 volgt dat de kantonrechter van oordeel is dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de beslissing van de officier van justitie daarom zal worden vernietigd. Uit de overwegingen in de beslissing van 18 september 2018 blijkt dat de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking heeft beoordeeld en dit beroep ongegrond acht. Volgens het dictum wordt het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie echter ongegrond verklaard. Gelet op de overwegingen van de kantonrechter zal het hof de beslissing van de kantonrechter verbeterd lezen in die zin dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond wordt verklaard, die beslissing wordt vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond wordt verklaard.
4. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en is ten onrechte overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
5. De gemachtigde betoogt dat het de kantonrechter vrij staat om de termijnoverschrijding betreffende het instellen van administratief beroep verschoonbaar te achten. Het openbaar ministerie is niet in hoger beroep gegaan. Het geschil in hoger beroep is derhalve beperkt tot de beoordeling van de door de gemachtigde aanvoerde hoger beroepsgronden.
6. Het hof heeft in het arrest van 22 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7065, geoordeeld dat het hof in hoger beroep niet langer ambtshalve, al dan niet op initiatief van de advocaat-generaal (die in hoger beroep als partij in de plaats treedt van de officier van justitie), zal beoordelen of het administratief beroep tijdig is ingesteld. Slechts als de officier van justitie hoger beroep instelt en in hoger beroep als grond aanvoert dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet aan de betrokkene kan worden toegerekend dat het administratief beroep niet tijdig is ingesteld zodat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond had behoren te verklaren, zal het hof beoordelen of het beroep bij de officier van justitie ontvankelijk is en of de kantonrechter daarover juist heeft beslist. Nu de officier van justitie in het onderhavige geval geen hoger beroep heeft ingesteld, kan het hof in de onderhavige zaak niet beoordelen of het administratief beroep tijdig is ingesteld en zo nee of de termijnoverschrijding de betrokkene niet kan worden toegerekend. Het hof zou daarmee buiten de omvang van het geding treden, hetgeen in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat in deze procedure naar analogie van toepassing is. Het hof zal dan ook overgaan tot de (inhoudelijke) beoordeling van het hoger beroep.
7. De gemachtigde voert gronden aan betreffende de inleidende beschikking. Aan de betrokkene is bij die beschikking een sanctie opgelegd van € 130,- voor: “het kenteken is niet behoorlijk zichtbaar aanwezig op of aan het motorrijtuig” (feitcode K030a). Deze gedraging zou zijn verricht op 24 januari 2017 om 15.10 uur op de Velserweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
8. Primair voert de gemachtigde aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. De ambtenaar meende dat het kenteken niet goed leesbaar was. De betrokkene is echter van mening dat het kenteken (voldoende) leesbaar was. Subsidiair stelt de gemachtigde dat indien het kenteken niet goed leesbaar is ten onrechte feitcode K030a in plaats van feitcode N010d is toegepast. Indien de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, wordt echter verzocht niet over te gaan tot wijziging van de feitcode.
9. De advocaat-generaal neemt het standpunt in dat een onjuiste feitcode is toegepast. Er is sprake van de gedraging “kenteken niet goed leesbaar” (feitcode N010d).
10. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat bij het geparkeerde voertuig bij de voor en achter kentekenplaat de cijfers waren afgeplakt met bruine tape waardoor het kenteken niet leesbaar was.
Overtreden artikel: 40 lid 1 WVW 1994”
11. In het dossier bevinden zich voorts twee foto’s die de officier van justitie in de procedure bij de kantonrechter heeft overgelegd.
12. De gedraging met feitcode K030a waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd, betreft de overtreding van artikel 40, eerste lid, van de WVW 1994. Deze bepaling luidt:
“Het kenteken dient behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig te zijn.”
13. De gedraging met feitcode N010d betreft de overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 5.2.1, vijfde lid, van de Regeling voertuigen. Hierin is bepaald dat het kenteken goed leesbaar moet zijn en dat de kentekenplaten niet mogen zijn afgeschermd.
14. Op voornoemde foto’s zijn de kentekenplaten aan de voor- en achterzijde van het voertuig van de betrokkene te zien. Op beide kentekenplaten zijn de laatste twee karakters van het kenteken niet volledig zichtbaar.
15. Op grond van de gegevens in het zaakoverzicht en de foto’s kan worden vastgesteld dat de laatste twee karakters van het kenteken zijn afgeplakt met bruine tape. Uit de bewoordingen van artikel 40 van de WVW 1994 volgt dat een kenteken zodanig op een voertuig moet zijn bevestigd dat het behoorlijk zichtbaar is. Een op zichzelf zichtbare kentekenplaat betekent niet per definitie dat sprake is van een behoorlijk zichtbaar kenteken in de zin van deze bepaling (vgl. het arrest van het hof van 5 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2687). Uitgangspunt is dat onder alle omstandigheden een onbelemmerd zicht dient te zijn op de kentekenplaat en het kenteken (volledig) zichtbaar dient te zijn (vgl. het arrest van het hof van 11 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2161). Nu het zicht op de laatste twee karakters van het kenteken deels is geblokkeerd door de bruine tape, is het hof van oordeel dat het kenteken niet behoorlijk zichtbaar aanwezig is op of aan het motorrijtuig. Naar het oordeel van het hof kan derhalve worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
16. Het standpunt van de advocaat-generaal, alsmede het subsidiaire standpunt van de gemachtigde dat een andere feitcode van toepassing is, volgt het hof niet. De omstandigheid dat het kenteken in de onderhavige zaak door de bruine tape niet alleen niet behoorlijk zichtbaar, maar (daardoor) ook niet goed leesbaar is en de kentekenplaten gedeeltelijk zijn afgeschermd, brengt niet mee dat de op artikel 40, eerste lid, van de WVW 1994 gebaseerde sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd.
17.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.