Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-12-06
ECLI:NL:GHARL:2023:10395
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
889 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.324.006/01
CJIB-nummer
: 247291737
Uitspraak d.d.
: 6 december 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. E. Derksen, advocaat te Velp (Gld).
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 22 november 2023. De gemachtigde van de betrokkene is, zoals op voorhand is aangekondigd, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de bepalingen over tijdigheid van het beroep dwingend van aard zijn, maar niet van openbare orde. De kantonrechter heeft dan ook ten onrechte ambtshalve beoordeeld of het beroep tijdig is ingesteld.
3. In zijn arrest van 22 juli 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:7065) heeft het hof, in navolging van vaste rechtspraak van onder meer de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad, geoordeeld dat de wettelijke bepalingen over de tijdigheid van het instellen van een rechtsmiddel wel dwingend van aard zijn, maar niet (meer) van openbare orde. Die omstandigheid brengt evenwel niet mee dat de kantonrechter niet gehouden is om - zonder daarop door de officier van justitie te zijn gewezen - de tijdigheid van het bij hem ingestelde beroep te beoordelen (vgl. ook het arrest van het hof van 24 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:10132).
4. Hetgeen is aangevoerd treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
5. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.