Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-06-08
ECLI:NL:GHARL:2020:4358
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
5,264 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.231.767/01
CJIB-nummer
: 201867617
Uitspraak d.d.
: 8 juni 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) doorgestuurd aan de gemachtigde van de betrokkene, die daar schriftelijk op heeft gereageerd.
Beoordeling
1. De klacht van de gemachtigde van de betrokkene, inhoudende dat een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt, mist feitelijke grondslag, nu zich in het dossier een proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2018 bevindt. In dat proces-verbaal is de beslissing van de kantonrechter opgenomen.
Dictum
3. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter met betrekking tot de aangevoerde gronden databalk, overige gevraagde stukken, motivering beslissing OVJ en verslag hoorzitting ten onrechte heeft overwogen dat dit algemeen geformuleerde standaardgronden zijn, die reeds daarom niet kunnen slagen. De kantonrechter miskent daarbij dat bij sterk geautomatiseerde handhaving met technische afdoening algemeen geformuleerde gronden wel kunnen slagen.
4. Voor zover de gemachtigde stelt dat de kantonrechter niet heeft gerespondeerd op zijn verweer over het verslag van de hoorzitting, overweegt het hof da de gemachtigde hierover slechts heeft aangevoerd dat hij hiervan een afschrift zou willen ontvangen. Het verslag van de hoorzitting bevindt zich in het dossier. De griffier van de kantonrechter heeft de gemachtigde bij brieven van 14 juli 2017 en 2 oktober 2017 gewezen op de mogelijkheid om de stukken in te zien. Voor zover de gemachtigde meent dat het verslag van de hoorzitting met het besluit kenbaar dient te worden gemaakt, vindt dat geen steun in het recht (vgl. CRvB 17 maart 2010, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2010:BL8325). Het verweer slaagt niet.
5. Met betrekking tot de grond ‘databalk’ heeft de gemachtigde slechts opgemerkt dat in de databalk de gemeten snelheid ontbreekt. De gemachtigde heeft hier verder geen conclusie aan verbonden. In dit licht, en gelet op de omstandigheid dat in de gegevens boven de foto van de gedraging de gemeten snelheid wel staat vermeld, heeft de kantonrechter terecht overwogen dat deze grond niet slaagt.
6. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft gereageerd op het verweer van de gemachtigde aangaande de ‘overige gevraagde stukken’. In zoverre lijdt de beslissing van de kantonrechter aan een motiveringsgebrek.
7. De gemachtigde heeft in de fase van het administratief beroep verzocht om verscheidene andere documenten dan het zaakoverzicht en eventuele foto's van de gedraging, die - kort gezegd - zien op de bevoegdheid en bekwaamheid van de betrokken ambtenaren. Deze stukken mist de gemachtigde nog steeds, zo is in beroep bij de kantonrechter gesteld. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat het enkel opvragen van dergelijke documenten geen aanleiding vormt om deze stukken aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweer faalt.
8. De brief van 12 oktober 2017, waarin de gemachtigde stelt te hebben geklaagd over de motivering van de beslissing van de officier van justitie, bevindt zich niet in het dossier, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de gemachtigde deze brief niet heeft toegezonden. Daarmee treft het verweer dat de kantonrechter deze grond niet heeft behandeld, geen doel.
9. De gemachtigde voert voorts aan dat de kantonrechter met betrekking tot de bevoegdheid van de medewerker om op het administratief beroep te beslissen heeft verwezen naar een ondermandaatregeling, maar niet is gebleken welke medewerker op het beroep heeft beslist, zodat het niet duidelijk is of de mandaatregeling wel op de betreffende medewerker van toepassing is.
10. In zijn algemeenheid mag er van worden uitgegaan dat een namens de officier van justitie verzonden beslissing op een administratief beroep bevoegd is genomen. Dat kan slechts anders zijn wanneer blijkt van concrete feiten of omstandigheden die in een individuele zaak aan de bevoegdheid doen twijfelen. Van dergelijke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Het enkel opwerpen van de vraag of de medewerker in de onderhavige zaak bevoegd was, is hiertoe niet voldoende. De kantonrechter heeft dit verweer van de gemachtigde dan ook terecht (op algemene gronden) verworpen.
11. De gemachtigde stelt dat de locatie van de bebording niet uit het dossier is gebleken en dat de verhouding van die locatie met de locatie van de trajectmeting onbekend is. Na ontvangst van de door de advocaat-generaal overgelegde schouwrapporten voert de gemachtigde aan dat de voorgeschreven afstand tussen bebording en snelheidscontrole niet in acht is genomen. De meting van de snelheid begon bij hmp 39.8 terwijl de relevante bebording bij hmp 39.7 stond.
12. Uit het zaakoverzicht en de foto’s die zich in het dossier bevinden blijkt dat de gedraging heeft plaatsgevonden op de A2 rechts tussen de hectometerpalen 39.8 en 42.7. Uit door de advocaat-generaal ingebrachte schouwrapporten in combinatie met de daarbij gevoegde bijlage blijkt genoegzaam dat de bebording op het traject is gecontroleerd op 15 september 2016 en op 3 oktober 2016 en dat op die momenten is geconstateerd dat voorafgaand aan het controletraject, ter hoogte van onder meer hectometerpalen 37.3, 37.5 , 39.1 én 39.7, borden A1: 100 km/u waren geplaatst. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit op de dag van de constatering ook het geval was.
Nu reeds vanaf hectometerpaal 37.3 borden waren geplaatst met dezelfde toegestane maximumsnelheid, faalt het verweer van de gemachtigde over de afstand tussen de bebording en de snelheidscontrole.
13. De gemachtigde klaagt er verder over dat de kantonrechter geen verweerschrift van de officier van justitie verlangt maar meent dat de gemachtigde maar ter zitting dient te verschijnen om daar te reageren op het standpunt van de officier van justitie. De gemachtigde wijst erop dat hij niet in de gelegenheid is om telkens ter zitting te verschijnen.
14. Hetgeen de kantonrechter heeft overwogen stemt overeen met de bedoeling van de wetgever en het systeem van de Wahv. De gevolgen van de omstandigheid dat de gemachtigde niet telkens ter zitting kan verschijnen, komen voor rekening van de gemachtigde.
15. De gemachtigde stelt zich daarnaast - kort samengevat - op het standpunt dat de privacy van de betrokkene of de bestuurder van het voertuig met de gehanteerde werkwijze van de onderhavige controle is geschonden zonder een adequate (specifieke) wettelijke grondslag. Dit is strijdig met het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De gemachtigde wijst er op dat de gegevens die vrijkomen met de raadpleging van het kentekenregister en de registratie waar het voertuig van betrokkene is geweest, in combinatie met het structurele karakter van het vastleggen en bewaren van dergelijke controlegegevens, een niet geringe privacyschending oplevert. De gemachtigde verwijst onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2017:287. De kantonrechter heeft dit verweer niet juist beoordeeld, aldus de gemachtigde.
16. In de onderhavige zaak is ten aanzien van de betrokkene, zijnde de kentekenhouder, een snelheidsovertreding geconstateerd. De bij de onderhavige controle verkregen gegevens zijn beperkt tot de tenaamgestelde van het kenteken en de locatie, het tijdstip en de datum waarop met het voertuig met dit kenteken de overtreding zou zijn verricht. Anders dan in het door de gemachtigde genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 is in onderhavige zaak geen sprake van het structureel vastleggen en bewaren van voornoemde gegevens, maar van een enkele waarneming in de openbare ruimte. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van de privacy als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM (vgl. het arrest van dit hof van 31 mei 2016, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4270 en het arrest van dit hof van 25 juli 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6129). In verband hiermee treft het verweer van de gemachtigde met betrekking tot het ontbreken van een specifieke wettelijke grondslag en de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad geen doel.
17. De bezwaren van de gemachtigde treffen geen doel. De kantonrechter heeft een juiste beslissing genomen.
18. De gemachtigde heeft het hof ten slotte nog verzocht om een oordeel te geven over het feit dat het openbaar ministerie geen verweerschrift heeft ingediend.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.231.767/01
CJIB-nummer
: 201867617
Uitspraak d.d.
: 8 juni 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 8 januari 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De advocaat-generaal heeft wel aanvullende stukken overgelegd. Deze zijn (in kopie) doorgestuurd aan de gemachtigde van de betrokkene, die daar schriftelijk op heeft gereageerd.
Beoordeling
1. De klacht van de gemachtigde van de betrokkene, inhoudende dat een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter ontbreekt, mist feitelijke grondslag, nu zich in het dossier een proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2018 bevindt. In dat proces-verbaal is de beslissing van de kantonrechter opgenomen.
Dictum
3. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter met betrekking tot de aangevoerde gronden databalk, overige gevraagde stukken, motivering beslissing OVJ en verslag hoorzitting ten onrechte heeft overwogen dat dit algemeen geformuleerde standaardgronden zijn, die reeds daarom niet kunnen slagen. De kantonrechter miskent daarbij dat bij sterk geautomatiseerde handhaving met technische afdoening algemeen geformuleerde gronden wel kunnen slagen.
4. Voor zover de gemachtigde stelt dat de kantonrechter niet heeft gerespondeerd op zijn verweer over het verslag van de hoorzitting, overweegt het hof da de gemachtigde hierover slechts heeft aangevoerd dat hij hiervan een afschrift zou willen ontvangen. Het verslag van de hoorzitting bevindt zich in het dossier. De griffier van de kantonrechter heeft de gemachtigde bij brieven van 14 juli 2017 en 2 oktober 2017 gewezen op de mogelijkheid om de stukken in te zien. Voor zover de gemachtigde meent dat het verslag van de hoorzitting met het besluit kenbaar dient te worden gemaakt, vindt dat geen steun in het recht (vgl. CRvB 17 maart 2010, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2010:BL8325). Het verweer slaagt niet.
5. Met betrekking tot de grond ‘databalk’ heeft de gemachtigde slechts opgemerkt dat in de databalk de gemeten snelheid ontbreekt. De gemachtigde heeft hier verder geen conclusie aan verbonden. In dit licht, en gelet op de omstandigheid dat in de gegevens boven de foto van de gedraging de gemeten snelheid wel staat vermeld, heeft de kantonrechter terecht overwogen dat deze grond niet slaagt.
6. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft gereageerd op het verweer van de gemachtigde aangaande de ‘overige gevraagde stukken’. In zoverre lijdt de beslissing van de kantonrechter aan een motiveringsgebrek.
7. De gemachtigde heeft in de fase van het administratief beroep verzocht om verscheidene andere documenten dan het zaakoverzicht en eventuele foto's van de gedraging, die - kort gezegd - zien op de bevoegdheid en bekwaamheid van de betrokken ambtenaren. Deze stukken mist de gemachtigde nog steeds, zo is in beroep bij de kantonrechter gesteld. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat het enkel opvragen van dergelijke documenten geen aanleiding vormt om deze stukken aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweer faalt.
8. De brief van 12 oktober 2017, waarin de gemachtigde stelt te hebben geklaagd over de motivering van de beslissing van de officier van justitie, bevindt zich niet in het dossier, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de gemachtigde deze brief niet heeft toegezonden. Daarmee treft het verweer dat de kantonrechter deze grond niet heeft behandeld, geen doel.
9. De gemachtigde voert voorts aan dat de kantonrechter met betrekking tot de bevoegdheid van de medewerker om op het administratief beroep te beslissen heeft verwezen naar een ondermandaatregeling, maar niet is gebleken welke medewerker op het beroep heeft beslist, zodat het niet duidelijk is of de mandaatregeling wel op de betreffende medewerker van toepassing is.
10. In zijn algemeenheid mag er van worden uitgegaan dat een namens de officier van justitie verzonden beslissing op een administratief beroep bevoegd is genomen. Dat kan slechts anders zijn wanneer blijkt van concrete feiten of omstandigheden die in een individuele zaak aan de bevoegdheid doen twijfelen. Van dergelijke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Het enkel opwerpen van de vraag of de medewerker in de onderhavige zaak bevoegd was, is hiertoe niet voldoende. De kantonrechter heeft dit verweer van de gemachtigde dan ook terecht (op algemene gronden) verworpen.
11. De gemachtigde stelt dat de locatie van de bebording niet uit het dossier is gebleken en dat de verhouding van die locatie met de locatie van de trajectmeting onbekend is. Na ontvangst van de door de advocaat-generaal overgelegde schouwrapporten voert de gemachtigde aan dat de voorgeschreven afstand tussen bebording en snelheidscontrole niet in acht is genomen. De meting van de snelheid begon bij hmp 39.8 terwijl de relevante bebording bij hmp 39.7 stond.
12. Uit het zaakoverzicht en de foto’s die zich in het dossier bevinden blijkt dat de gedraging heeft plaatsgevonden op de A2 rechts tussen de hectometerpalen 39.8 en 42.7. Uit door de advocaat-generaal ingebrachte schouwrapporten in combinatie met de daarbij gevoegde bijlage blijkt genoegzaam dat de bebording op het traject is gecontroleerd op 15 september 2016 en op 3 oktober 2016 en dat op die momenten is geconstateerd dat voorafgaand aan het controletraject, ter hoogte van onder meer hectometerpalen 37.3, 37.5 , 39.1 én 39.7, borden A1: 100 km/u waren geplaatst. Daarmee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit op de dag van de constatering ook het geval was.
Nu reeds vanaf hectometerpaal 37.3 borden waren geplaatst met dezelfde toegestane maximumsnelheid, faalt het verweer van de gemachtigde over de afstand tussen de bebording en de snelheidscontrole.
13. De gemachtigde klaagt er verder over dat de kantonrechter geen verweerschrift van de officier van justitie verlangt maar meent dat de gemachtigde maar ter zitting dient te verschijnen om daar te reageren op het standpunt van de officier van justitie. De gemachtigde wijst erop dat hij niet in de gelegenheid is om telkens ter zitting te verschijnen.
14. Hetgeen de kantonrechter heeft overwogen stemt overeen met de bedoeling van de wetgever en het systeem van de Wahv. De gevolgen van de omstandigheid dat de gemachtigde niet telkens ter zitting kan verschijnen, komen voor rekening van de gemachtigde.
15. De gemachtigde stelt zich daarnaast - kort samengevat - op het standpunt dat de privacy van de betrokkene of de bestuurder van het voertuig met de gehanteerde werkwijze van de onderhavige controle is geschonden zonder een adequate (specifieke) wettelijke grondslag. Dit is strijdig met het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De gemachtigde wijst er op dat de gegevens die vrijkomen met de raadpleging van het kentekenregister en de registratie waar het voertuig van betrokkene is geweest, in combinatie met het structurele karakter van het vastleggen en bewaren van dergelijke controlegegevens, een niet geringe privacyschending oplevert. De gemachtigde verwijst onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2017:287. De kantonrechter heeft dit verweer niet juist beoordeeld, aldus de gemachtigde.
16. In de onderhavige zaak is ten aanzien van de betrokkene, zijnde de kentekenhouder, een snelheidsovertreding geconstateerd. De bij de onderhavige controle verkregen gegevens zijn beperkt tot de tenaamgestelde van het kenteken en de locatie, het tijdstip en de datum waarop met het voertuig met dit kenteken de overtreding zou zijn verricht. Anders dan in het door de gemachtigde genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 is in onderhavige zaak geen sprake van het structureel vastleggen en bewaren van voornoemde gegevens, maar van een enkele waarneming in de openbare ruimte. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van de privacy als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM (vgl. het arrest van dit hof van 31 mei 2016, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4270 en het arrest van dit hof van 25 juli 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6129). In verband hiermee treft het verweer van de gemachtigde met betrekking tot het ontbreken van een specifieke wettelijke grondslag en de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad geen doel.
17. De bezwaren van de gemachtigde treffen geen doel. De kantonrechter heeft een juiste beslissing genomen.
18. De gemachtigde heeft het hof ten slotte nog verzocht om een oordeel te geven over het feit dat het openbaar ministerie geen verweerschrift heeft ingediend.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.