Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2019-12-02
ECLI:NL:GHARL:2019:10426
Bestuursrecht, Strafrecht
Hoger beroep
1,616 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.225.762/01
CJIB-nummer
: 201585556
Uitspraak d.d.
: 2 december 2019
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 18 september 2017, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 23 januari 2018 en op 25 januari 2018 zijn nog faxen van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Kopieën daarvan zijn toegestuurd aan de advocaat-generaal.
Beoordeling
1. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. Daarbij verwijst hij naar het arrest van dit hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589.
2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589).
3. De klacht van de gemachtigde faalt. Het dossier bevat een proces-verbaal, inhoudende de beslissing van de kantonrechter d.d. 18 september 2017.
4. Het hoger beroep is verder gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, inhoudende ongegrondverklaring van het administratief beroep tegen de inleidende beschikking, ongegrond is.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor roodlicht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 september 2016 om 19:55 uur op de Stadsring in Amersfoort met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
6. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter gebrekkig is gemotiveerd. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter de gronden niet serieus heeft genomen en hij verzoekt dan ook om alsnog adequaat op de beroepsgronden te beslissen. Louter ter zake van de rijstrook stelt de kantonrechter, zonder enige onderbouwing of uit het dossier blijkende feiten, dat het voertuig van de betrokkene op rijstrook 1 reed. Deze reactie is derhalve ook onvoldoende, aldus de gemachtigde.
7. Nu de gemachtigde - een professionele rechtsbijstandsverlener - slechts heeft volstaan met deze stelling en geenszins heeft aangegeven welke gronden door de kantonrechter niet zijn behandeld noch wat het gevolg dient te zijn van dit gestelde motiveringsgebrek, gaat het hof voorbij aan dit onderdeel van zijn hoger beroepschrift. Ten aanzien van zijn stelling dat uit het dossier niet blijkt dat het voertuig van de betrokkene op rijstrook 1 reed, wijst het hof de gemachtigde op de databalk onder de foto’s van de gedraging.
8. De gemachtigde stelt zich verder – kort samengevat – op het standpunt dat de privacy van de betrokkene of de bestuurder van het voertuig met de gehanteerde werkwijze van de onderhavige controle is geschonden zonder een adequate (specifieke) wettelijke grondslag. Dit is strijdig met het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De gemachtigde wijst er op dat de gegevens die vrijkomen met de raadpleging van het kentekenregister en de registratie waar het voertuig van betrokkene is geweest, in combinatie met het structurele karakter van het vastleggen en bewaren van dergelijke controlegegevens, een privacyschending oplevert. De gemachtigde verwijst onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2017:287.
9. In de onderhavige zaak is ten aanzien van de betrokkene, zijnde de kentekenhouder, een roodlichtovertreding geconstateerd. De bij de onderhavige controle verkregen gegevens zijn beperkt tot de tenaamgestelde van het kenteken en de locatie, het tijdstip en de datum waarop met het voertuig met dit kenteken de overtreding zou zijn verricht. Anders dan in het door de gemachtigde genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 is in onderhavige zaak geen sprake van het structureel vastleggen en bewaren van voornoemde gegevens, maar van een enkele waarneming in de openbare ruimte. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van de privacy als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM (vgl. het arrest van dit hof van 31 mei 2016, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4270 en het arrest van dit hof van 25 juli 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6129). In verband hiermee treft het verweer van de gemachtigde met betrekking tot het ontbreken van een specifieke wettelijke grondslag en de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad geen doel.
10. Gelet op het voorgaande slagen de verweren van de gemachtigde niet. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het verzoek om een proceskostenvergoeding zal worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.