Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2019-12-04
ECLI:NL:GHARL:2019:10417
Bestuursrecht, Strafrecht
Hoger beroep
2,769 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.220.164/01
CJIB-nummer
: 199242294
Uitspraak d.d.
: 4 december 2019
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 mei 2017, betreffende
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 26 januari 2018 is nog een fax van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
Beoordeling
1. De gemachtigde stelt zich in hoger beroep ten eerste op het standpunt dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting een proces-verbaal is opgemaakt. Daarbij verwijst hij naar het arrest van dit hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589.
2. Van het verhandelde ter zitting dient een proces-verbaal te worden opgemaakt (vgl. het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589).
3. De klacht van de gemachtigde faalt. Het dossier bevat een proces-verbaal, inhoudende de beslissing van de kantonrechter d.d. 30 mei 2017.
4. De gemachtigde voert verder aan dat hij bij de uitnodiging voor de telefonische hoorzitting slechts de foto's van de gedraging heeft ontvangen, maar stelt nog steeds niet over het zaakoverzicht te beschikken. Ook de overige gevraagde stukken zijn niet ontvangen, terwijl dat op grond van rechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:1585) wel moest worden verstrekt. De officier van justitie heeft hem daarnaast niet in de gelegenheid gesteld om de gronden aan te vullen. Tevens is nog niet duidelijk geworden welke bijlage(n) bij de beslissing van de officier van justitie gevoegd hadden moeten zijn.
5. De klacht dat de officier van justitie de gemachtigde ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld de gronden aan te vullen mist eveneens feitelijke grondslag. In het dossier bevindt zich een brief van de CVOM, gedateerd 3 oktober 2016, waarin de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld binnen vier weken na dagtekening van die brief de gronden nader aan te vullen.
6. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om gedurende het administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging.
7. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het administratief beroepschrift aan de officier van justitie het volgende heeft verzocht: "Ik verzoek u mij de stukken toe te zenden. (…) Graag ontvangen wij:" Vervolgens somt de gemachtigde op welke stukken hij wenst te ontvangen. Hij noemt onder meer de foto's van de gedraging, documenten die zien op de bevoegdheid en de bekwaamheid van de betrokken medewerkers en stukken als een proces-verbaal, de voor- en achterzijde van de aankondiging van de beschikking, et cetera. De gemachtigde verzoekt echter niet om het zaakoverzicht of om de 'op de zaak betrekking hebbende stukken'. Ook in de procedure bij de kantonrechter is daar niet om verzocht. Van een professioneel rechtsbijstandverlener zoals de gemachtigde, mag worden verwacht dat een verzoek tot toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken ondubbelzinnig wordt gedaan (vgl. het arrest van dit hof van 3 september 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2018:7872). Nu de gemachtigde niet om het zaakoverzicht heeft verzocht, heeft de officier van justitie met het toezenden van de foto's voldaan aan zijn informatieplicht als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb.
8. Met betrekking tot de overige gevraagde documenten overweegt het hof dat andere documenten dan de op de zaak betrekking hebbende stukken geen deel uit hoeven te maken van het dossier. Dat is slechts anders indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft (vergelijk het arrest van het hof van 17 oktober 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:8247). Die situatie kan zich voordoen wanneer feiten of omstandigheden aannemelijk worden gemaakt die niet of onvoldoende kunnen worden weerlegd aan de hand van het zaakoverzicht, de eventuele foto’s en de overige aanwezige stukken dan wel wanneer feiten of omstandigheden worden aangevoerd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de uit die stukken blijkende gegevens. In het onderhavige geval is daarvan niet gebleken. De door de gemachtigde aangehaalde rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State maakt voorgaande niet anders, nu daaruit in het geheel niet blijkt dat de gemachtigde recht zou hebben op andere stukken dan de op de zaak betrekking hebbende stukken. De officier van justitie was dus niet gehouden de overige gevraagde stukken aan de gemachtigde te doen toekomen.
9. Omtrent de ontbrekende bijlagen bij de beslissing van de officier van justitie, wat daar ook van zij, overweegt het hof dat de gemachtigde slechts heeft gesteld dat deze bijlagen ontbreken en hier verder geen conclusie(s) aan heeft verbonden. Het hof zal hieraan voorbij gaan.
10. Verder stelt de gemachtigde nog dat de kantonrechter de beslissing niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Enkele gronden zijn onbesproken gebleven, zoals hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de vraag of er recht bestaat op de overige opgevraagde stukken, hetgeen is aangevoerd omtrent automatische oplegging van sancties en ook de grond dat sprake is van een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Deze gronden dienen daarom alsnog te worden behandeld.
Dictum
12. Anders dan de gemachtigde stelt, blijkt naar het oordeel van het hof uit de motivering van de beslissing van de kantonrechter dat de kantonrechter afdoende op de grond omtrent het toezenden van stukken is ingegaan. Met de gemachtigde kan wel worden vastgesteld dat de kantonrechter niet heeft gereageerd op hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd omtrent het automatisch opleggen van sancties. De kantonrechter was daartoe echter ook niet gehouden, nu de gemachtigde slechts heeft verwezen naar een artikel waarin over dit onderwerp een vraag wordt opgeworpen. Het stellen van een vraag is geen beroepsgrond waarop door de kantonrechter dient te worden gerespondeerd.
13. De kantonrechter is eveneens niet ingegaan op de grond dat sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Hoewel de kantonrechter niet gehouden is om expliciet op ieder argument van een betrokkene in te gaan, moet de betrokkene wel in grote lijnen uit de beslissing kunnen opmaken waarom de aangevoerde bezwaren geen doel treffen. Dat is hier niet het geval. De beslissing van de kantonrechter is in dit opzicht niet deugdelijk gemotiveerd. Tot een vernietiging van deze beslissing behoeft dat echter niet te leiden. De kantonrechter zou op grond van het onder 16. overwogene namelijk niet tot een ander oordeel hebben kunnen komen.
14. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 juni 2016 om 12:44 uur op de Ringbaan West in Tilburg met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
15. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de privacy van de betrokkene of de bestuurder van het voertuig met de gehanteerde werkwijze van de onderhavige controle is geschonden zonder een adequate (specifieke) wettelijke grondslag. Dit is strijdig met het bepaalde in artikel 8 van het EVRM. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2017:287.
16. In de onderhavige zaak is ten aanzien van de betrokkene, zijnde de kentekenhouder, een roodlichtovertreding geconstateerd. De bij de onderhavige controle verkregen gegevens zijn beperkt tot de tenaamgestelde van het kenteken en de locatie, het tijdstip en de datum waarop met het voertuig met dit kenteken de overtreding zou zijn verricht. Anders dan in het door de gemachtigde genoemde arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 is in onderhavige zaak geen sprake van het structureel vastleggen en bewaren van voornoemde gegevens, maar van een enkele waarneming in de openbare ruimte. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van de privacy als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM (vgl. het arrest van dit hof van 31 mei 2016, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:4270 en het arrest van dit hof van 25 juli 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6129). In verband hiermee treft het verweer van de gemachtigde met betrekking tot het ontbreken van een specifieke wettelijke grondslag en de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad geen doel.
17. Al met al zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen, met, gelet op hetgeen in 12. is overwogen, verbetering van de gronden. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.