Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-08-27
ECLI:NL:CBB:2024:595
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,760 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1216
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 21 november 2022 heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 4.971,16 teruggevorderd.
Met het besluit van 27 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de verleende subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
3. De ondernemer voert aan dat de verkoopopbrengst van een bedrijfsvoertuig uit zijn onderneming niet tot de omzet moet worden gerekend. Die verkoop is een daling van de waarde van zijn onderneming die door de afdracht van btw in de aangifte omzetbelasting terecht is gekomen.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Het College heeft ook al zaken behandeld die specifiek gingen over de verkoop van bedrijfsauto’s en de vraag of de opbrengst daarvan als omzet in de zin van de TVL moet worden gezien. Zie onder andere de uitspraken van het College van 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106) en 23 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:244). Uit die uitspraken volgt - kort gezegd - dat de opbrengst uit de verkoop van een bedrijfsauto als omzet van een onderneming moet worden aangemerkt, omdat het gaat om de opbrengst uit de levering van een goed van de onderneming. Het College ziet in de omstandigheden die de ondernemer heeft aangevoerd geen aanleiding om van het voorgaande af te wijken. Bovendien is de bedrijfsauto als omzet in de aangifte omzetbelasting over de subsidieperiode opgenomen. De verkoopopbrengst van de bedrijfsauto moet dus tot de omzet gerekend worden. De reden waarom de ondernemer de verkoopopbrengst in de aangifte omzetbelasting heeft opgenomen, maakt niet dat de minister niet van de hoogte van de omzet in die aangifte mocht uitgaan.
5 De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze en de andere genoemde uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1216
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 21 november 2022 heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 4.971,16 teruggevorderd.
Met het besluit van 27 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de verleende subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
3. De ondernemer voert aan dat de verkoopopbrengst van een bedrijfsvoertuig uit zijn onderneming niet tot de omzet moet worden gerekend. Die verkoop is een daling van de waarde van zijn onderneming die door de afdracht van btw in de aangifte omzetbelasting terecht is gekomen.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Het College heeft ook al zaken behandeld die specifiek gingen over de verkoop van bedrijfsauto’s en de vraag of de opbrengst daarvan als omzet in de zin van de TVL moet worden gezien. Zie onder andere de uitspraken van het College van 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106) en 23 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:244). Uit die uitspraken volgt - kort gezegd - dat de opbrengst uit de verkoop van een bedrijfsauto als omzet van een onderneming moet worden aangemerkt, omdat het gaat om de opbrengst uit de levering van een goed van de onderneming. Het College ziet in de omstandigheden die de ondernemer heeft aangevoerd geen aanleiding om van het voorgaande af te wijken. Bovendien is de bedrijfsauto als omzet in de aangifte omzetbelasting over de subsidieperiode opgenomen. De verkoopopbrengst van de bedrijfsauto moet dus tot de omzet gerekend worden. De reden waarom de ondernemer de verkoopopbrengst in de aangifte omzetbelasting heeft opgenomen, maakt niet dat de minister niet van de hoogte van de omzet in die aangifte mocht uitgaan.
5 De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze en de andere genoemde uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1216
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 21 november 2022 heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 4.971,16 teruggevorderd.
Met het besluit van 27 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de verleende subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
3. De ondernemer voert aan dat de verkoopopbrengst van een bedrijfsvoertuig uit zijn onderneming niet tot de omzet moet worden gerekend. Die verkoop is een daling van de waarde van zijn onderneming die door de afdracht van btw in de aangifte omzetbelasting terecht is gekomen.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Het College heeft ook al zaken behandeld die specifiek gingen over de verkoop van bedrijfsauto’s en de vraag of de opbrengst daarvan als omzet in de zin van de TVL moet worden gezien. Zie onder andere de uitspraken van het College van 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106) en 23 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:244). Uit die uitspraken volgt - kort gezegd - dat de opbrengst uit de verkoop van een bedrijfsauto als omzet van een onderneming moet worden aangemerkt, omdat het gaat om de opbrengst uit de levering van een goed van de onderneming. Het College ziet in de omstandigheden die de ondernemer heeft aangevoerd geen aanleiding om van het voorgaande af te wijken. Bovendien is de bedrijfsauto als omzet in de aangifte omzetbelasting over de subsidieperiode opgenomen. De verkoopopbrengst van de bedrijfsauto moet dus tot de omzet gerekend worden. De reden waarom de ondernemer de verkoopopbrengst in de aangifte omzetbelasting heeft opgenomen, maakt niet dat de minister niet van de hoogte van de omzet in die aangifte mocht uitgaan.
5 De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze en de andere genoemde uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1216
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 21 november 2022 heeft de minister de subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 4.971,16 teruggevorderd.
Met het besluit van 27 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de verleende subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
3. De ondernemer voert aan dat de verkoopopbrengst van een bedrijfsvoertuig uit zijn onderneming niet tot de omzet moet worden gerekend. Die verkoop is een daling van de waarde van zijn onderneming die door de afdracht van btw in de aangifte omzetbelasting terecht is gekomen.
4 Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:306) en 21 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:323). Het College heeft ook al zaken behandeld die specifiek gingen over de verkoop van bedrijfsauto’s en de vraag of de opbrengst daarvan als omzet in de zin van de TVL moet worden gezien. Zie onder andere de uitspraken van het College van 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106) en 23 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:244). Uit die uitspraken volgt - kort gezegd - dat de opbrengst uit de verkoop van een bedrijfsauto als omzet van een onderneming moet worden aangemerkt, omdat het gaat om de opbrengst uit de levering van een goed van de onderneming. Het College ziet in de omstandigheden die de ondernemer heeft aangevoerd geen aanleiding om van het voorgaande af te wijken. Bovendien is de bedrijfsauto als omzet in de aangifte omzetbelasting over de subsidieperiode opgenomen. De verkoopopbrengst van de bedrijfsauto moet dus tot de omzet gerekend worden. De reden waarom de ondernemer de verkoopopbrengst in de aangifte omzetbelasting heeft opgenomen, maakt niet dat de minister niet van de hoogte van de omzet in die aangifte mocht uitgaan.
5 De minister heeft terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze en de andere genoemde uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.