Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-07-30
ECLI:NL:CBB:2024:533
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,292 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/591
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 28 september 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 3.096,46 teruggevorderd.
Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij in de subsidieperiode (Q4 van 2021) haar zakelijke auto heeft verkocht en daarmee het restantbedrag van de lease heeft afgelost. De opbrengst van de verkoop is in de aangifte omzetbelasting opgenomen als omzet, maar moet volgens de onderneming niet als omzet worden beschouwd bij de berekening van het omzetverlies voor de TVL.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de auto niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag namelijk wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/591
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 28 september 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 3.096,46 teruggevorderd.
Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij in de subsidieperiode (Q4 van 2021) haar zakelijke auto heeft verkocht en daarmee het restantbedrag van de lease heeft afgelost. De opbrengst van de verkoop is in de aangifte omzetbelasting opgenomen als omzet, maar moet volgens de onderneming niet als omzet worden beschouwd bij de berekening van het omzetverlies voor de TVL.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de auto niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag namelijk wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/591
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 28 september 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 3.096,46 teruggevorderd.
Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij in de subsidieperiode (Q4 van 2021) haar zakelijke auto heeft verkocht en daarmee het restantbedrag van de lease heeft afgelost. De opbrengst van de verkoop is in de aangifte omzetbelasting opgenomen als omzet, maar moet volgens de onderneming niet als omzet worden beschouwd bij de berekening van het omzetverlies voor de TVL.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de auto niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag namelijk wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/591
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] , te [plaats] (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 28 september 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) aan de onderneming verleende subsidie voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 3.096,46 teruggevorderd.
Met het besluit van 6 januari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de onderneming niet voldoet aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies.
De onderneming voert aan dat zij in de subsidieperiode (Q4 van 2021) haar zakelijke auto heeft verkocht en daarmee het restantbedrag van de lease heeft afgelost. De opbrengst van de verkoop is in de aangifte omzetbelasting opgenomen als omzet, maar moet volgens de onderneming niet als omzet worden beschouwd bij de berekening van het omzetverlies voor de TVL.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de auto niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag namelijk wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 20% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de subsidie lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
w.g. R.W.L. Koopmans w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.