Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-06-18
ECLI:NL:CBB:2024:412
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,244 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/590
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Met het besluit van 27 juni 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) aan de ondernemer verleende subsidie voor de periode juni – september 2020 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 5.482,55 teruggevorderd.
Met het besluit van 2 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De ondernemer voert aan dat hij er, om de coronatijd te overleven, voor heeft gekozen om één van zijn boten te verkopen. Met dit geld kon hij zijn lopende kosten betalen en zo zijn bedrijf redden. In de omzet waar de minister mee rekent voor de subsidieperiode, te weten € 133.171,-, zit een bedrag van € 100.000,- voor de verkoop van de boot. Dit bedrag hoort dus niet bij de omzet en dient daarom niet meegenomen te worden in de berekening. Het omzetverlies bedraagt ruim 73%.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de boot niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies en heeft de subsidie terecht vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd.
5. De ondernemer heeft verder nog aangevoerd dat de subsidie in eerste instantie was verleend op basis van de verkeerde Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-code, namelijk 50.30. Daardoor kreeg hij veel minder subsidie en heeft hij de drastische stap moeten nemen om één van zijn boten te verkopen. De minister hoefde hierin geen reden te zien geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op € 0,- vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. Als de subsidie inderdaad op basis van de verkeerde SBI-code is verleend, was het aan de ondernemer om tegen die verlening bezwaar te maken. Uit het dossier blijkt dat de ondernemer dit gedaan heeft, maar dat hij het bezwaar niet tijdig heeft ingediend. Daarom heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit komt voor rekening van de ondernemer.
6. Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/590
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Met het besluit van 27 juni 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) aan de ondernemer verleende subsidie voor de periode juni – september 2020 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 5.482,55 teruggevorderd.
Met het besluit van 2 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De ondernemer voert aan dat hij er, om de coronatijd te overleven, voor heeft gekozen om één van zijn boten te verkopen. Met dit geld kon hij zijn lopende kosten betalen en zo zijn bedrijf redden. In de omzet waar de minister mee rekent voor de subsidieperiode, te weten € 133.171,-, zit een bedrag van € 100.000,- voor de verkoop van de boot. Dit bedrag hoort dus niet bij de omzet en dient daarom niet meegenomen te worden in de berekening. Het omzetverlies bedraagt ruim 73%.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de boot niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies en heeft de subsidie terecht vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd.
5. De ondernemer heeft verder nog aangevoerd dat de subsidie in eerste instantie was verleend op basis van de verkeerde Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-code, namelijk 50.30. Daardoor kreeg hij veel minder subsidie en heeft hij de drastische stap moeten nemen om één van zijn boten te verkopen. De minister hoefde hierin geen reden te zien geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op € 0,- vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. Als de subsidie inderdaad op basis van de verkeerde SBI-code is verleend, was het aan de ondernemer om tegen die verlening bezwaar te maken. Uit het dossier blijkt dat de ondernemer dit gedaan heeft, maar dat hij het bezwaar niet tijdig heeft ingediend. Daarom heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit komt voor rekening van de ondernemer.
6. Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/590
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Met het besluit van 27 juni 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) aan de ondernemer verleende subsidie voor de periode juni – september 2020 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 5.482,55 teruggevorderd.
Met het besluit van 2 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De ondernemer voert aan dat hij er, om de coronatijd te overleven, voor heeft gekozen om één van zijn boten te verkopen. Met dit geld kon hij zijn lopende kosten betalen en zo zijn bedrijf redden. In de omzet waar de minister mee rekent voor de subsidieperiode, te weten € 133.171,-, zit een bedrag van € 100.000,- voor de verkoop van de boot. Dit bedrag hoort dus niet bij de omzet en dient daarom niet meegenomen te worden in de berekening. Het omzetverlies bedraagt ruim 73%.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de boot niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies en heeft de subsidie terecht vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd.
5. De ondernemer heeft verder nog aangevoerd dat de subsidie in eerste instantie was verleend op basis van de verkeerde Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-code, namelijk 50.30. Daardoor kreeg hij veel minder subsidie en heeft hij de drastische stap moeten nemen om één van zijn boten te verkopen. De minister hoefde hierin geen reden te zien geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op € 0,- vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. Als de subsidie inderdaad op basis van de verkeerde SBI-code is verleend, was het aan de ondernemer om tegen die verlening bezwaar te maken. Uit het dossier blijkt dat de ondernemer dit gedaan heeft, maar dat hij het bezwaar niet tijdig heeft ingediend. Daarom heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit komt voor rekening van de ondernemer.
6. Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/590
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
Met het besluit van 27 juni 2022 heeft de minister de op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (TVL) aan de ondernemer verleende subsidie voor de periode juni – september 2020 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 5.482,55 teruggevorderd.
Met het besluit van 2 februari 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 0,-, omdat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies.
De ondernemer voert aan dat hij er, om de coronatijd te overleven, voor heeft gekozen om één van zijn boten te verkopen. Met dit geld kon hij zijn lopende kosten betalen en zo zijn bedrijf redden. In de omzet waar de minister mee rekent voor de subsidieperiode, te weten € 133.171,-, zit een bedrag van € 100.000,- voor de verkoop van de boot. Dit bedrag hoort dus niet bij de omzet en dient daarom niet meegenomen te worden in de berekening. Het omzetverlies bedraagt ruim 73%.
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een onderneming over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5), 14 juni 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:307), 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:784) en 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:106). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat betekent dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de opbrengst van de verkoop van de boot niet tot de omzet te rekenen. Volgens de aangifte omzetbelasting behoort dit bedrag immers wel tot de omzet. De minister heeft dus terecht geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies en heeft de subsidie terecht vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot teruggevorderd.
5. De ondernemer heeft verder nog aangevoerd dat de subsidie in eerste instantie was verleend op basis van de verkeerde Standaard Bedrijfsindeling (SBI)-code, namelijk 50.30. Daardoor kreeg hij veel minder subsidie en heeft hij de drastische stap moeten nemen om één van zijn boten te verkopen. De minister hoefde hierin geen reden te zien geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de subsidie op € 0,- vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. Als de subsidie inderdaad op basis van de verkeerde SBI-code is verleend, was het aan de ondernemer om tegen die verlening bezwaar te maken. Uit het dossier blijkt dat de ondernemer dit gedaan heeft, maar dat hij het bezwaar niet tijdig heeft ingediend. Daarom heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit komt voor rekening van de ondernemer.
6. Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2024.
w.g. B. Bastein de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl