BWBV0006646
Geldig vanaf 2026-04-14
Artikel 28
Strategische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Canada, anderzijds, Brussel, 30-10-2016
Nakoming van verplichtingen Geen andere versie om mee te vergelijken [Tekst zonder datum inwerkingtreding. Zie het wijzigingenoverzicht .] 1 De partijen treffen, in de door deze overeenkomst belichaamde geest van wederzijds respect en samenwerking, de algemene of bijzondere maatregelen die nodig zijn om aan hun verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen. 2 Als er vragen of geschillen ontstaan met betrekking tot de uitvoering of interpretatie van deze overeenkomst, leveren de partijen extra inspanningen om te overleggen en samen te werken om de kwesties tijdig en op vriendschappelijke wijze op te lossen. Vragen of geschillen worden, indien een van beide partijen daarom verzoekt, aan het JCC voorgelegd voor verdere discussie en onderzoek. De partijen kunnen ook gezamenlijk beslissen deze zaken voor te leggen aan bijzondere subcomités die verslag uitbrengen aan het JCC. De partijen zorgen ervoor dat het JCC of het aangeduide subcomité binnen een redelijke termijn bijeenkomt om geschillen bij de uitvoering of interpretatie van deze overeenkomst op te lossen door middel van tijdige communicatie, een grondige analyse van de feiten, met inbegrip van deskundig advies en wetenschappelijk bewijs indien nodig, en een effectieve dialoog. 3 De partijen herhalen hun sterke gehechtheid aan mensenrechten en non-proliferatie en zijn van oordeel dat een bijzonder ernstige en grove schending van de in artikel 2, lid 1 , en artikel 3, lid 2 , beschreven verplichtingen als een bijzonder dringend geval kan worden beschouwd. De partijen zijn van oordeel dat een situatie als een „bijzonder ernstige en grove schending” van artikel 2, lid 1, kan worden beschouwd indien de ernst en de aard ervan uitzonderlijk zijn, zoals een staatsgreep of ernstige misdrijven die een bedreiging vormen voor de vrede, de veiligheid en het welzijn van de internationale gemeenschap. 4 Wanneer de ernst en aard van een situatie in een derde land als gelijkwaardig aan een bijzonder dringend geval kan worden beschouwd, houden de partijen, wanneer een van beide partijen daarom verzoekt, spoedoverleg om van gedachten te wisselen over de situatie en zich te buigen over mogelijke reacties. 5 In het onwaarschijnlijke en onverwachte geval dat een bijzonder dringend geval zich op het grondgebied van een van de partijen voordoet, kunnen beide partijen een beroep doen op het interministerieel comité. Het interministerieel comité kan het JCC verzoeken om binnen een termijn van 15 dagen spoedoverleg te houden. De partijen verstrekken de relevante informatie en het bewijsmateriaal die nodig zijn voor een diepgaand onderzoek en een tijdige en effectieve afwikkeling van de situatie. Indien het JCC niet in staat is de situatie op te lossen, kan hij de zaak ter bestudering aan het interministerieel comité voorleggen. 6 a. Wanneer het interministerieel comité niet in staat is een bijzonder dringend geval op te lossen, kan elke partij besluiten de bepalingen van deze overeenkomst te schorsen. Het besluit tot schorsing wordt in de Unie met eenparigheid van stemmen genomen. Het besluit tot schorsing wordt in Canada door de overheid van Canada genomen overeenkomstig de daar geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen. Een partij stelt de andere partij onmiddellijk schriftelijk in kennis van het besluit en past het besluit toe gedurende de minimumperiode die nodig is om de kwestie op te lossen op een wijze die voor de partijen aanvaardbaar is. b. De partijen zien nauwlettend toe op de ontwikkeling van de situatie die de aanleiding was voor dat besluit en die reden kan zijn voor andere passende maatregelen die buiten het kader van deze overeenkomst worden genomen. De partij die een beroep doet op de schorsing of andere maatregelen neemt, trekt deze in, zodra dit gerechtvaardigd is. 7 De partijen erkennen bovendien dat een in lid 3 omschreven bijzonder ernstige en grove schending van de mensenrechten of non-proliferatie reden kan zijn voor de beëindiging van de brede economische en handelsovereenkomst (CETA) tussen de Unie en Canada, overeenkomstig artikel 30.9 van die overeenkomst. 8 Deze overeenkomst heeft geen gevolgen voor en doet geen afbreuk aan de interpretatie of toepassing van andere overeenkomsten tussen de partijen. Met name de bepalingen inzake geschillenbeslechting van deze overeenkomst dienen niet ter vervanging van of doen op generlei wijze afbreuk aan de bepalingen inzake geschillenbeslechting van andere overeenkomsten tussen de partijen.