Artikel I
Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, Lid-Staten der Europese Gemeenschappen, het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland, het Koninkrijk Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
– deelneming aan de Associatieovereenkomst waarin, na afloop van de op 29 juli 1969 ondertekende Associatieovereenkomst, de betrekkingen zullen worden geregeld tussen de Gemeenschap en de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar die deze Overeenkomst hebben ondertekend;
– sluiting van één of meer bijzondere associatieovereenkomsten op de grondslag van artikel 238 van het E.E.G.-Verdrag, die wederzijdse rechten en verplichtingen, met name op het gebied van het handelsverkeer, omvatten;
– sluiting van handelsakkoorden, ten einde de handel tussen de Gemeenschap en deze landen te vergemakkelijken en uit te breiden.
2. Om redenen van praktische aard acht de Gemeenschap het wenselijk dat de onafhankelijke landen van het Gemenebest tot welke het aanbod van de Gemeenschap is gericht, zo spoedig mogelijk na de toetreding hun standpunt ten aanzien van dit aanbod bepalen.
De Gemeenschap stelt aan de in de bijlage VI van de Akte van toetreding genoemde onafhankelijke landen van het Gemenebest voor dat de onderhandelingen inzake het sluiten van de overeenkomsten op de grondslag van één der drie formules van het aanbod, met ingang van 1 augustus 1973 beginnen.
De Gemeenschap nodigt derhalve die onafhankelijke landen van het Gemenebest die gekozen hebben voor onderhandelingen op de grondslag van de eerste formule, uit om samen met de Geassocieerde Afrikaanse Staten en Madagaskar deel te nemen aan de onderhandelingen over de overeenkomst die de op 29 juli 1969 ondertekende overeenkomst zal opvolgen.
3. Indien Botswana, Lesotho of Swaziland kiezen voor één van de eerste twee formules van het aanbod:
– moeten er passende oplossingen worden gevonden om de specifieke problemen te regelen die zich voordoen in verband met de bijzondere situatie van deze landen, die een douane-unie met een derde land hebben gevormd;
– moet de Gemeenschap op het grondgebied van deze Staten een even gunstige tariefbehandeling genieten als die welke deze toepassen ten aanzien van de meestbegunstigde derde Staat;
– moet de vast te stellen regeling, met name de regels inzake de oorsprong, het mogelijk maken om alle risico's van verlegging van het handelsverkeer ten nadele van de Gemeenschap, die voortvloeien uit de omstandigheid dat deze Staten deelnemen aan een douane-unie met een derde land, te vermijden.
- Citeren als
- Art. I
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0006523
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl