1. De in de begroting van de Unie opgevoerde eigen middelen worden gevormd door de ontvangsten uit:
a. traditionele eigen middelen bestaande uit de heffingen, premies, extra bedragen of compenserende bedragen, aanvullende bedragen of aanvullende elementen, rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Unie ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met derde landen, de douanerechten op de onder het vervallen Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten, alsmede de bijdragen en andere heffingen die in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker zijn vastgesteld;
b. onverminderd lid 4, tweede alinea, de toepassing van een voor alle lidstaten geldend uniform percentage op de btw- grondslag die op uniforme wijze is vastgesteld volgens Unievoorschriften. Voor elke lidstaat mag de hiertoe in aanmerking te nemen grondslag niet meer bedragen dan 50 % van het bruto nationaal inkomen (bni), als omschreven in lid 7;
c. onverminderd lid 5, de toepassing van een, met inachtneming van alle andere ontvangsten, in het kader van de begrotingsprocedure vast te stellen uniform percentage op de som van de bni’s van alle lidstaten.
2. De ontvangsten uit nieuwe heffingen die in het kader van een gemeenschappelijk beleid overeenkomstig het
VWEU worden ingesteld, voor zover de procedure van
artikel 311 VWEU is gevolgd, vormen eveneens eigen middelen die op de begroting van de Unie worden opgevoerd.
3. De lidstaten houden 20 % van de in lid 1, onder a), bedoelde bedragen als inningskosten in.
4. Het in lid 1, onder b), bedoelde uniforme percentage bedraagt 0,30 %.
Voor uitsluitend de periode 2014-2020 wordt het afdrachtpercentage voor de eigenmiddelenbron op basis van de btw voor Duitsland, Nederland en Zweden vastgesteld op 0,15 %.
5. Het in lid 1, onder c), bedoelde uniforme percentage is van toepassing op het bni van elke lidstaat.
Voor uitsluitend de periode 2014-2020 wordt de jaarlijkse bni-bijdrage van Denemarken, Nederland en Zweden verminderd met een brutobedrag van respectievelijk 130 miljoen EUR, 695 miljoen EUR en 185 miljoen EUR. Oostenrijk geniet een brutovermindering van zijn jaarlijkse bni-bijdrage van 30 miljoen EUR in 2014, 20 miljoen EUR in 2015 en 10 miljoen EUR in 2016. Al deze bedragen worden uitgedrukt in prijzen van 2011 en omgerekend in actuele prijzen door toepassing van de door de Commissie meegedeelde, meest recente bbp-deflator voor de EU in euro die beschikbaar is bij de opstelling van de ontwerpbegroting. Deze brutoverminderingen worden toegestaan nadat overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van dit besluit de korting ten behoeve van het Verenigd Koninkrijk is berekend en de financiering ervan is vastgesteld, en hebben daarop geen invloed. Deze brutokortingen worden gefinancierd door alle lidstaten.
6. Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet is vastgesteld, blijven de bestaande btw- en bni-afdrachtpercentages van toepassing tot de inwerkingtreding van de nieuwe percentages.
7. Onder bni in de zin van lid 1, onder c), wordt verstaan, een jaarlijks bni, uitgedrukt in marktprijzen, zoals dat door de Commissie is meegedeeld in toepassing van Verordening (EU) nr. 549/2013 („het ESR 2010”).
Indien wijzigingen van het ESR 2010 resulteren in significante veranderingen in het in lid 1, onder c), bedoelde bni, besluit de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen of deze wijzigingen moeten gelden voor de toepassing van dit besluit.