Artikel 8
Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden
2. Indien een verdragsluitende partij op basis van haar eigen beoordeling of die van de Europese Commissie, van oordeel is dat een andere verdragsluitende partij niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het in lid 1 bedoelde arrest van het Hof van Justitie, kan zij de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie en vragen dat financiële sancties worden opgelegd overeenkomstig de criteria die de Europese Commissie in het kader van artikel 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld. Indien het Hof van Justitie van oordeel is dat de betrokken verdragsluitende partij zijn arrest niet is nagekomen, kan het deze de betaling van een forfaitaire som of dwangsom opleggen die passend is voor de omstandigheden en maximaal 0,1 % van haar bruto binnenlands product bedraagt. Betalingen die worden opgelegd aan een verdragsluitende partij die de euro als munt heeft, worden aan het Europees Stabiliteitsmechanisme verricht. In andere gevallen worden de betalingen aan de algemene begroting van de Europese Unie verricht.
3. Dit artikel vormt een compromis tussen de verdragsluitende partijen in de zin van artikel 273 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0005670
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl