BWBV0003844
Geldig vanaf 18-11-1976
Artikel 3
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Koeweit inzake luchtdiensten
1. De overeengekomen luchtdiensten op de overeenkomstig het eerste lid van artikel 2 van deze Overeenkomst omschreven routes, mogen op elk moment worden ingesteld, mits
a) de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de in het tweede lid van artikel 2 omschreven rechten zijn verleend, schriftelijk een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen;
b) de Overeenkomstsluitende Partij die deze rechten verleent, de aangewezen luchtvaartmaatschappij vergunning heeft verleend met de luchtdiensten te beginnen.
2. De Overeenkomstsluitende Partij die deze rechten verleent, dient, met inachtneming van het in het derde en vierde lid van dit artikel bepaalde, zonder onnodig uitstel de genoemde vergunning om de overeengekomen luchtdienst te exploiteren, te verlenen, mits ten aanzien van de overeengekomen diensten overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van deze Overeenkomst een tarief is vastgesteld.
3. Van de door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij kan worden verlangd dat zij ten genoege van de andere Overeenkomstsluitende Partij aantoont dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld door de wetten en voorschriften welke door deze Overeenkomstsluitende Partij gewoonlijk en op redelijke wijze ten aanzien van de exploitatie van internationale luchtdiensten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag worden toegepast.
4. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht de uitoefening van de in artikel 2 van deze Overeenkomst genoemde rechten te onthouden aan een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij, indien deze luchtvaartmaatschappij niet in staat is op een daartoe strekkend verzoek aan te tonen dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het feitelijk toezicht op deze luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen of bij onderdanen of maatschappijen van deze Overeenkomstsluitende Partij.
a) de Overeenkomstsluitende Partij waaraan de in het tweede lid van artikel 2 omschreven rechten zijn verleend, schriftelijk een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen;
b) de Overeenkomstsluitende Partij die deze rechten verleent, de aangewezen luchtvaartmaatschappij vergunning heeft verleend met de luchtdiensten te beginnen.
2. De Overeenkomstsluitende Partij die deze rechten verleent, dient, met inachtneming van het in het derde en vierde lid van dit artikel bepaalde, zonder onnodig uitstel de genoemde vergunning om de overeengekomen luchtdienst te exploiteren, te verlenen, mits ten aanzien van de overeengekomen diensten overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 van deze Overeenkomst een tarief is vastgesteld.
3. Van de door elke Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij kan worden verlangd dat zij ten genoege van de andere Overeenkomstsluitende Partij aantoont dat zij in staat is te voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld door de wetten en voorschriften welke door deze Overeenkomstsluitende Partij gewoonlijk en op redelijke wijze ten aanzien van de exploitatie van internationale luchtdiensten overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag worden toegepast.
4. Elk der Overeenkomstsluitende Partijen heeft het recht de uitoefening van de in artikel 2 van deze Overeenkomst genoemde rechten te onthouden aan een door de andere Overeenkomstsluitende Partij aangewezen luchtvaartmaatschappij, indien deze luchtvaartmaatschappij niet in staat is op een daartoe strekkend verzoek aan te tonen dat een aanmerkelijk deel van de eigendom van en het feitelijk toezicht op deze luchtvaartmaatschappij berusten bij de Overeenkomstsluitende Partij die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen of bij onderdanen of maatschappijen van deze Overeenkomstsluitende Partij.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBV0003844
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl