1. De Academische Raad bezit algemene bevoegdheid inzake onderzoek en onderwijs, zulks onverminderd de bevoegdheden van de overige organen van het Instituut.
De Raad wordt voorgezeten door de President van het Instituut.
2. Een Uitvoerend Comité, dat wordt voorgezeten door de President van het Instituut, dat wordt bijgestaan door de Algemeen Secretaris, en dat bestaat uit de President, de afdelingshoofden, de directeurs van de in artikel 11, lid 3, bedoelde centra en een vertegenwoordiger van de wetenschappelijke onderzoekers, staat de President op diens verzoek bij in de vervulling van de opdrachten van het Instituut.
Het Uitvoerend Comité bereidt de werkzaamheden van de Academische Raad voor. Het wijst de leden van het docentencorps aan, met uitzondering van die bedoeld in lid 5, onder e. Het stelt de lijst op van de leden van de toelatingscommissie en van de eindexamencommissie.
Het vervult de bijzondere taken die door de Academische Raad aan het Comité worden opgedragen.
Het brengt regelmatig verslag uit aan de Academische Raad en de Raad van Bestuur over de wijze waarop het zijn opdrachten heeft uitgevoerd.
3. Lid van de Academische Raad zijn:
a. de President van het Instituut;
b. de Algemeen Secretaris van het Instituut, die zonder stemrecht aan de werkzaamheden deelneemt;
c. de afdelingshoofden;
d. de directeuren van de interdisciplinaire centra;
e. alle of een aantal van de aan het Instituut verbonden hoogleraren;
f. alle of een aantal van de aan het Instituut verbonden hoofddocenten;
g. vertegenwoordigers van de andere leden van het docentencorps;
h. vertegenwoordigers van de wetenschappelijke onderzoekers;
i. vertegenwoordigers van de leden van andere categorieën die in het kader van het Instituut deelnemen aan de vervulling van zijn opdrachten.
De Raad van Bestuur kan, onder de door hem vast te stellen voorwaarden, op grond van hun bekwaamheid aangewezen personaliteiten uit de verschillende categorieën van het economische, sociale en culturele leven, die onderdaan van een Overeenkomstsluitende Staat zijn, uitnodigen deel te nemen aan de werkzaamheden van de Academische Raad.
4. In de voorschriften vermeld in artikel 6, lid 5, sub a, worden vastgesteld:
a. het aantal leden van de Academische Raad die de in lid 3, onder e, f, g, h en i, genoemde categorieën vertegenwoordigen, alsmede de wijze van hun benoeming en de duur van hun mandaat;
b. de voorschriften inzake meerderheid die in de Academische Raad van toepassing zijn;
c. de regels voor de werkwijze van het Uitvoerend Comité.
5. De Academische Raad:
a. keurt de studieprogramma’s van de afdelingen en, na raadpleging van de Raad voor Onderzoek, de onderzoekprogramma's van de afdelingen goed;
b. keurt, na raadpleging van de Raad voor Onderzoek, de onderzoekprogramma's van de interdisciplinaire centra goed;
c. werkt mee aan de opstelling van het ontwerp van jaarlijkse begroting, alsook van het ontwerp van driejaarlijkse financiële ramingen;
d. stelt die uitvoeringsmaatregelen op het gebied van onderzoek en onderwijs vast, die niet onder de bevoegdheid van de andere organen van het Instituut ressorteren;
e. wijst de afdelingshoofden, de directeuren van de interdisciplinaire centra, de hoogleraren en de hoofddocenten die voltijds deel zullen uitmaken van het docentencorps van het Instituut, aan in een zitting waaraan alleen die docenten deelnemen wier hoedanigheid ten minste gelijk is aan die der betrokken personen;
f. stelt de voorwaarden vast waarop de in artikel 14 vermelde titels en getuigschriften worden verleend;
g. onderzoekt het ontwerp-verslag over de werkzaamheden, dat door de President van het Instituut wordt opgesteld en aan de Raad van Bestuur wordt voorgelegd.
6. De Academische Raad kan het initiatief nemen om aan de Raad van Bestuur voorstellen te doen over de aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Raad van Bestuur ressorteren.