BWBR0053086
Geldig vanaf 09-09-2026
Artikel 6
Regeling specifieke uitkering gebiedsgerichte aanpak
1. De regiokassier:
a. draagt er zorg voor dat de specifieke uitkering uitsluitend aan uitvoeringsactiviteiten wordt besteed;
b. neemt bij de besteding van de uitkering het Unierecht met betrekking tot mededinging, aanbesteding en staatssteun in acht;
c. komt de verplichtingen die voortvloeien uit de samenwerkingsovereenkomst en het uitvoeringsprogramma en die verband houden met de uitvoering van deze uitkering na;
d. besteedt de specifieke uitkering binnen de in de beschikking tot verlening opgenomen periode, waarbij de periode uiterlijk 31 december 2035 eindigt;
e. deelt jaarlijks voor 1 oktober aan de minister het bedrag mee dat zij voor het opvolgende kalenderjaar raamt als compensabele omzetbelasting;
f. informeert de minister op verzoek over de voortgang van de uitvoeringsactiviteiten waarvoor de uitkering is verstrekt;
g. werkt op verzoek van de minister mee aan een door de minister ingestelde evaluatie van deze regeling;
h. doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat de uitvoeringsactiviteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht, of niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
2. Voor zover de uitkering is verstrekt voor de waardedaling, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, stelt de regiokassier de minister in één keer voor de hele uitkering, uiterlijk op de datum, bedoeld in artikel 5, derde lid, in kennis van de door een taxateur bepaalde aankoopwaarde en opbrengst- of restwaarde van die goederen.
3. Voor zover de uitvoeringsactiviteit bestaat uit het verstrekken van subsidie, stelt de regiokassier de minister uiterlijk op de datum, bedoeld in artikel 5, vierde lid, in kennis van het vastgestelde bedrag van de subsidie.
4. De minister kan in de beschikking tot verlening andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel en de uitvoering van het uitvoeringsprogramma.
5. Indien de volledige besteding van de specifieke uitkering voor het einde van de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de regiokassier verlengen met ten hoogste vijf jaar.
a. draagt er zorg voor dat de specifieke uitkering uitsluitend aan uitvoeringsactiviteiten wordt besteed;
b. neemt bij de besteding van de uitkering het Unierecht met betrekking tot mededinging, aanbesteding en staatssteun in acht;
c. komt de verplichtingen die voortvloeien uit de samenwerkingsovereenkomst en het uitvoeringsprogramma en die verband houden met de uitvoering van deze uitkering na;
d. besteedt de specifieke uitkering binnen de in de beschikking tot verlening opgenomen periode, waarbij de periode uiterlijk 31 december 2035 eindigt;
e. deelt jaarlijks voor 1 oktober aan de minister het bedrag mee dat zij voor het opvolgende kalenderjaar raamt als compensabele omzetbelasting;
f. informeert de minister op verzoek over de voortgang van de uitvoeringsactiviteiten waarvoor de uitkering is verstrekt;
g. werkt op verzoek van de minister mee aan een door de minister ingestelde evaluatie van deze regeling;
h. doet onverwijld mededeling aan de minister zodra aannemelijk is dat de uitvoeringsactiviteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend niet of niet geheel zullen worden verricht, of niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de uitkering verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
2. Voor zover de uitkering is verstrekt voor de waardedaling, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, stelt de regiokassier de minister in één keer voor de hele uitkering, uiterlijk op de datum, bedoeld in artikel 5, derde lid, in kennis van de door een taxateur bepaalde aankoopwaarde en opbrengst- of restwaarde van die goederen.
3. Voor zover de uitvoeringsactiviteit bestaat uit het verstrekken van subsidie, stelt de regiokassier de minister uiterlijk op de datum, bedoeld in artikel 5, vierde lid, in kennis van het vastgestelde bedrag van de subsidie.
4. De minister kan in de beschikking tot verlening andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel en de uitvoering van het uitvoeringsprogramma.
5. Indien de volledige besteding van de specifieke uitkering voor het einde van de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet mogelijk is, kan de minister die termijn op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de regiokassier verlengen met ten hoogste vijf jaar.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0053086
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl