1. De volgende betrokkenen hebben aanspraak op een eenmalige uitkering van maximaal € 1.500,– in januari 2024:
a. de militair aangesteld bij het beroepspersoneel met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op enig tijdstip in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 met eervol ontslag is gegaan en daaraan voorafgaand met aanspraak op bezoldiging in werkelijke dienst was;
b. de militair aangesteld bij het reservepersoneel die op enig tijdstip in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 met aanspraak op bezoldiging in werkelijke dienst is geweest;
c. de ambtenaar aangesteld in burgerlijke openbare dienst die op enig tijdstip in de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 met eervol ontslag is gegaan en daaraan voorafgaand met aanspraak op salaris in dienst was van het ministerie van Defensie;
d. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal en de gewezen ambtenaar die op enig tijdstip in de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 met pensioen is gegaan en dientengevolge diens uitkering ingevolge artikel 18, zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie is beëindigd;
e. de gewezen ambtenaar die op enig tijdstip in de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 met pensioen is gegaan en dientengevolge diens uitkering op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie is beëindigd;
f. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op enig tijdstip in de periode 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 met pensioen is gegaan en dientengevolge diens uitkering op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen is beëindigd;
g. de militair aangesteld bij het beroepspersoneel met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op 1 januari 2024 met aanspraak op bezoldiging in werkelijke dienst was, alsmede de ambtenaar die op 1 januari 2024 met aanspraak op bezoldiging was aangesteld in burgerlijke openbare dienst om bij de krijgsmacht als geestelijk verzorger doorlopend werkzaam te zijn;
h. de ambtenaar aangesteld in burgerlijke openbare dienst die op 1 januari 2024 met aanspraak op salaris in dienst was van het ministerie van Defensie;
i. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal en de gewezen ambtenaar, die op 1 januari 2024 een uitkering genoot ingevolge artikel 18, zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie;
j. de gewezen ambtenaar die op 1 januari 2024 een uitkering genoot op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie;
k. de gewezen militair met een lagere rang dan vice-admiraal of luitenant-generaal die op 1 januari 2024 een uitkering genoot op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen.
2. De eenmalige uitkering januari 2024, bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend ter grootte van:
a. voor de betrokkenen bedoeld in het eerste lid, onder g, € 1.500,– maal de factor van het voor diegene op 1 januari 2024 voor deeltijdarbeid afwijkende salaris gedeeld door het voor diegene op 1 januari 2024 geldende salaris;
b. voor de betrokkenen bedoeld in het eerste lid, onder a, € 1.500,– maal de factor van het voor diegene op de datum van ontslag voor deeltijdarbeid afwijkende salaris gedeeld door het voor diegene op de datum van ontslag geldende salaris en vervolgens naar rato van de periode dat diegene in 2023 in daadwerkelijke dienst was;
c. voor de betrokkenen bedoeld in het eerste lid, onder b, € 1.500,– maal de factor aantal uren gewerkt in de periode van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 gedeeld door 1980;
d. voor de betrokkenen bedoeld in het eerste lid, onder h, € 1.500,– maal de deeltijdfactor op 1 januari 2024;
e. voor de betrokkenen bedoeld in het eerste lid, onder c, € 1.500,– maal de deeltijdfactor op de datum van ontslag en vervolgens naar rato van de periode dat diegene in 2023 in daadwerkelijke dienst was;
f. voor de betrokkenen bedoeld in het eerste lid, onder i en j, € 1.500,– maal de deeltijdfactor op de datum van ontslag;
g. voor de betrokkene bedoeld in het eerste lid, onder d en e, € 1.500,– maal de deeltijdfactor op de datum van ontslag en vervolgens naar rato van de periode dat diegene in 2023 een uitkering genoot ingevolge artikel 18, zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie dan wel op grond van het Besluit uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag burgerlijke ambtenaren defensie;
h. voor de betrokkenen bedoeld in het eerste lid, onder k, € 1.500,–.
i. voor de betrokkenen bedoeld in het eerst lid, onder f, € 1.500,– naar rato van de periode dat diegene in 2023 een uitkering genoot uitkering op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen.
3. In afwijking van artikel 1, eerste lid, is de aanspraak op de eenmalige uitkering januari 2024 ook van toepassing op de ambtenaar genoemd in artikel 1, eerste lid, onder g, a, h en c, die op 1 januari 2024 ouderschapsverlof genoot. Het ouderschapsverlof heeft geen invloed op de hoogte van de eenmalige uitkering januari 2024.
4. De eenmalige uitkering januari 2024 wordt niet gerekend tot de bezoldiging in de zin van het
Inkomstenbesluit militairen dan wel het
Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie of het inkomen in de zin van de
Uitkeringswet gewezen militairen dan wel de
Kaderwet militaire pensioenen.
5. De eenmalige uitkering januari 2024 maakt deel uit van de pensioengrondslag.
6. Voor betrokkenen met meerdere arbeidsrelaties die daardoor onder meer dan één categorie, als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met k, vallen, geldt dat zij per persoon aanspraak hebben op een eenmalige uitkering van in totaal maximaal € 1.500,–.