BWBR0052751
Geldig vanaf 01-07-2026
Artikel 2
Mandaat Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting gemeenten
1. Onze Minister verleent mandaat aan de directeur-generaal Migratie voor het:
a. Verstrekken van een specifieke uitkering op grond van artikel 2 of artikel 7 van de Regeling;
b. Beschikbaar stellen van een formulier, op grond van artikel 2 van de Regeling;
c. Het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag, op grond van artikel 3 van de Regeling, evenals het toekennen van een aanvraag;
d. Het op grond van artikel 7 van de Regeling beëindigen van de periode waarvoor specifieke uitkering is verstrekt;
e. Het verstrekken van een voorschot op grond van artikel 9 van de Regeling; en
f. Het vaststellen, waaronder mede wordt begrepen het lager vaststellen, van een specifieke uitkering, evenals het terugvorderen van verstrekte middelen, op grond van artikel 11 van de Regeling;
2. Onze Minister verleent aan de directeur-generaal Migratie eveneens mandaat voor:
a. Het behandelen van bezwaar of beroep ten aanzien van een besluit genomen op grond van de Regeling;
b. Het behandelen van een verzoek op grond van de Woo ten aanzien van de uitoefening van een in het eerste lid genoemde bevoegdheid;
c. Het behandelen van bezwaarschiften die zijn gericht tegen een krachtens het mandaat genomen besluit ter uitoefening van een in het eerste lid genoemde bevoegdheid;
d. het verrichten van feitelijke handelingen die direct samenhangen met de uitoefening van de bevoegdheden genoemd in het eerste lid en in het tweede lid, onder a, b en c.
3. Er kan ondermandaat worden verleend.
a. Verstrekken van een specifieke uitkering op grond van artikel 2 of artikel 7 van de Regeling;
b. Beschikbaar stellen van een formulier, op grond van artikel 2 van de Regeling;
c. Het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag, op grond van artikel 3 van de Regeling, evenals het toekennen van een aanvraag;
d. Het op grond van artikel 7 van de Regeling beëindigen van de periode waarvoor specifieke uitkering is verstrekt;
e. Het verstrekken van een voorschot op grond van artikel 9 van de Regeling; en
f. Het vaststellen, waaronder mede wordt begrepen het lager vaststellen, van een specifieke uitkering, evenals het terugvorderen van verstrekte middelen, op grond van artikel 11 van de Regeling;
2. Onze Minister verleent aan de directeur-generaal Migratie eveneens mandaat voor:
a. Het behandelen van bezwaar of beroep ten aanzien van een besluit genomen op grond van de Regeling;
b. Het behandelen van een verzoek op grond van de Woo ten aanzien van de uitoefening van een in het eerste lid genoemde bevoegdheid;
c. Het behandelen van bezwaarschiften die zijn gericht tegen een krachtens het mandaat genomen besluit ter uitoefening van een in het eerste lid genoemde bevoegdheid;
d. het verrichten van feitelijke handelingen die direct samenhangen met de uitoefening van de bevoegdheden genoemd in het eerste lid en in het tweede lid, onder a, b en c.
3. Er kan ondermandaat worden verleend.
- Citeren als
- Art. 2
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052751
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl