BWBR0052482
Geldig vanaf 02-04-2026
Artikel 3
Ondermandaatbesluit niet-beheersaangelegenheden van het College van procureurs-generaal 2026
1. Aan de directeur van de Landelijke Bedrijfsvoering Openbaar Ministerie wordt ondermandaat verleend ten aanzien van:
a. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;
b. het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;
c. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;
d. het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;
e. het behandelen van beroepschriften naar aanleiding van beslissingen op bezwaar, evenals het optreden ter zitting en het aanwenden van rechtsmiddelen naar aanleiding van deze beroepschriften;
f. het beslissen op klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers.
2. De directeur van de Landelijke Bedrijfsvoering Openbaar Ministerie kan:
a. het in artikel 6, eerste lid, onder a en c gegeven ondermandaat maximaal twee hiërarchische niveaus doorgeven;
b. het in artikel 6, eerste lid, onder b en d gegeven ondermandaat één hiërarchisch niveau doorgeven;
c. het in artikel 6, eerste lid, onder e gegeven ondermandaat doorgeven aan onder hem ressorterende medewerkers die met die taak zijn belast.
a. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;
b. het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet open overheid en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;
c. het beslissen op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;
d. het beslissen op bezwaarschriften die betrekking hebben op verzoeken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie en het nemen van daarmee samenhangende beslissingen;
e. het behandelen van beroepschriften naar aanleiding van beslissingen op bezwaar, evenals het optreden ter zitting en het aanwenden van rechtsmiddelen naar aanleiding van deze beroepschriften;
f. het beslissen op klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van onder hen ressorterende medewerkers.
2. De directeur van de Landelijke Bedrijfsvoering Openbaar Ministerie kan:
a. het in artikel 6, eerste lid, onder a en c gegeven ondermandaat maximaal twee hiërarchische niveaus doorgeven;
b. het in artikel 6, eerste lid, onder b en d gegeven ondermandaat één hiërarchisch niveau doorgeven;
c. het in artikel 6, eerste lid, onder e gegeven ondermandaat doorgeven aan onder hem ressorterende medewerkers die met die taak zijn belast.
- Citeren als
- Art. 3
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0052482
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl