BWBR0051924
Geldig vanaf 2025-12-09
Artikel 2
Regeling tegemoetkoming kosten rechtskundige hulp 2025 (RTKR 2025)
1. Deze regeling is van toepassing indien de defensieambtenaar:
a. in de uitoefening van diens ambt, functie of werkzaamheden handelingen heeft verricht of nagelaten, waardoor: 1°. een derde schade heeft geleden en deze derde de Staat der Nederlanden of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie naar burgerlijk recht aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden schade;
2°. het Ministerie van Defensie dan wel een van zijn dienstonderdelen, of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie in strafrechtelijke zin als verdachte is aangemerkt;
3°. zich dient te verantwoorden voor de Geschillencommissie Defensie Geneeskundige Zorg, een medisch tuchtcollege, de Onderzoeksraad voor Veiligheid, of een commissie, college of raad, met openbaar gezag of enig openbaar gezag bekleed.
1°. een derde schade heeft geleden en deze derde de Staat der Nederlanden of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie naar burgerlijk recht aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden schade;
2°. het Ministerie van Defensie dan wel een van zijn dienstonderdelen, of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie in strafrechtelijke zin als verdachte is aangemerkt;
3°. zich dient te verantwoorden voor de Geschillencommissie Defensie Geneeskundige Zorg, een medisch tuchtcollege, de Onderzoeksraad voor Veiligheid, of een commissie, college of raad, met openbaar gezag of enig openbaar gezag bekleed.
b. in de uitoefening van diens ambt, functie of werkzaamheden door handelen of nalaten van een derde schade heeft geleden of om het leven is gekomen, en deze derde naar burgerlijk recht aansprakelijk is gesteld door de defensieambtenaar respectievelijk de nabestaanden.
2. Deze regeling is niet van toepassing:
a. op procedures in het kader van de Wet militair tuchtrecht;
b. op procedures betreffende een geschil tussen de defensieambtenaar en Defensie;
c. op procedures over schadevergoeding tussen de defensieambtenaar en de Staat der Nederlanden;
d. op procedures indien deze zijn ingeleid doordat door Defensie aangifte is gedaan van een strafbaar feit;
e. op procedures inzake overtredingen als bedoeld in Boek 3 van het Wetboek van Strafrecht, met uitzondering van artikel 425 en artikel 429, 1°, van het Wetboek van Strafrecht.
a. in de uitoefening van diens ambt, functie of werkzaamheden handelingen heeft verricht of nagelaten, waardoor: 1°. een derde schade heeft geleden en deze derde de Staat der Nederlanden of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie naar burgerlijk recht aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden schade;
2°. het Ministerie van Defensie dan wel een van zijn dienstonderdelen, of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie in strafrechtelijke zin als verdachte is aangemerkt;
3°. zich dient te verantwoorden voor de Geschillencommissie Defensie Geneeskundige Zorg, een medisch tuchtcollege, de Onderzoeksraad voor Veiligheid, of een commissie, college of raad, met openbaar gezag of enig openbaar gezag bekleed.
1°. een derde schade heeft geleden en deze derde de Staat der Nederlanden of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie naar burgerlijk recht aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden schade;
2°. het Ministerie van Defensie dan wel een van zijn dienstonderdelen, of de betrokken defensieambtenaar als exponent van het Ministerie van Defensie in strafrechtelijke zin als verdachte is aangemerkt;
3°. zich dient te verantwoorden voor de Geschillencommissie Defensie Geneeskundige Zorg, een medisch tuchtcollege, de Onderzoeksraad voor Veiligheid, of een commissie, college of raad, met openbaar gezag of enig openbaar gezag bekleed.
b. in de uitoefening van diens ambt, functie of werkzaamheden door handelen of nalaten van een derde schade heeft geleden of om het leven is gekomen, en deze derde naar burgerlijk recht aansprakelijk is gesteld door de defensieambtenaar respectievelijk de nabestaanden.
2. Deze regeling is niet van toepassing:
a. op procedures in het kader van de Wet militair tuchtrecht;
b. op procedures betreffende een geschil tussen de defensieambtenaar en Defensie;
c. op procedures over schadevergoeding tussen de defensieambtenaar en de Staat der Nederlanden;
d. op procedures indien deze zijn ingeleid doordat door Defensie aangifte is gedaan van een strafbaar feit;
e. op procedures inzake overtredingen als bedoeld in Boek 3 van het Wetboek van Strafrecht, met uitzondering van artikel 425 en artikel 429, 1°, van het Wetboek van Strafrecht.