BWBR0051796
Geldig vanaf 2025-11-21
Artikel 3
Uitvoeringswet dataverordening
1. De Autoriteit Consument en Markt is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de dataverordening voor de hoofdstukken II, met uitzondering van de artikelen 4, twaalfde lid, 5, zevende en achtste lid, en 6, tweede lid, onderdeel b, III, IV, artikel 20, hoofdstukken VI tot en met VIII, en artikel 37, elfde en twaalfde lid, van de dataverordening.
2. Als bevoegde autoriteit heeft de Autoriteit Consument en Markt de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 37, vijfde lid, onderdelen a tot en met i, van de dataverordening.
3. De Autoriteit persoonsgegevens is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de dataverordening voor de artikelen 4, twaalfde lid, 5, zevende en achtste lid, en 6, tweede lid, onderdeel b, en hoofdstuk V, met uitzondering van artikel 20, van de dataverordening.
4. Als bevoegde autoriteit heeft de Autoriteit persoonsgegevens de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 37, vijfde lid, onderdelen a tot en met g en j, van de dataverordening. In afwijking in zoverre van de eerste volzin, is artikel 14, eerste, vierde en vijfde lid van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbeschermingvan overeenkomstige toepassing voor zover het de verwerking van persoonsgegevens betreft.
5. In afwijking van het eerste lid is de Autoriteit persoonsgegevens de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de dataverordening voor artikel 6, eerste lid, van de dataverordening voor zover het de verwerking van persoonsgegevens betreft.
2. Als bevoegde autoriteit heeft de Autoriteit Consument en Markt de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 37, vijfde lid, onderdelen a tot en met i, van de dataverordening.
3. De Autoriteit persoonsgegevens is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de dataverordening voor de artikelen 4, twaalfde lid, 5, zevende en achtste lid, en 6, tweede lid, onderdeel b, en hoofdstuk V, met uitzondering van artikel 20, van de dataverordening.
4. Als bevoegde autoriteit heeft de Autoriteit persoonsgegevens de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 37, vijfde lid, onderdelen a tot en met g en j, van de dataverordening. In afwijking in zoverre van de eerste volzin, is artikel 14, eerste, vierde en vijfde lid van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbeschermingvan overeenkomstige toepassing voor zover het de verwerking van persoonsgegevens betreft.
5. In afwijking van het eerste lid is de Autoriteit persoonsgegevens de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de dataverordening voor artikel 6, eerste lid, van de dataverordening voor zover het de verwerking van persoonsgegevens betreft.