BWBR0051538
Geldig vanaf 2025-10-01
Artikel 7
Regeling screenings- en testinstrumenten lwoo en pro schooljaar 2026–2027
1. Het bevoegd gezag stemt het gebruik van een instrument voor het vaststellen van een leerachterstand af op het leerniveau van de leerling. Indien uit de uitslag blijkt dat het gebruikte instrument niet passend is, wordt een aanvullend instrument afgenomen dat aansluit bij het leerniveau van de leerling.
2. Er wordt bij leerjaar gebonden instrumenten van Cito, Boom en Dia in elk geval een aanvullend instrument gebruikt indien de uitslag van het instrument dat aansluit bij het leerniveau van de leerling meer dan 10 DLE-punten afwijkt en indien:
a. de uitslag van het instrument duidelijk afwijkt van de gegevens uit het onderwijskundig rapport of het leerlingvolgsysteem, of;
b. sprake is van tegenstrijdige gegevens, of;
c. sprake is van een intelligentiequotiënt in de bandbreedte van 75 tot en met 80.
3. In afwijking van het eerste lid wordt geen aanvullend instrument afgenomen indien op basis van de gegevens uit het onderwijskundig rapport of het leerlingvolgsysteem wordt verwacht dat een aanvullend instrument niet tot een andere indicatiestelling zal leiden.
4. Bij instrumenten van IEP wordt door- of terug getoetst als de leerling de minimale of maximale score op het afgenomen instrument heeft behaald.
2. Er wordt bij leerjaar gebonden instrumenten van Cito, Boom en Dia in elk geval een aanvullend instrument gebruikt indien de uitslag van het instrument dat aansluit bij het leerniveau van de leerling meer dan 10 DLE-punten afwijkt en indien:
a. de uitslag van het instrument duidelijk afwijkt van de gegevens uit het onderwijskundig rapport of het leerlingvolgsysteem, of;
b. sprake is van tegenstrijdige gegevens, of;
c. sprake is van een intelligentiequotiënt in de bandbreedte van 75 tot en met 80.
3. In afwijking van het eerste lid wordt geen aanvullend instrument afgenomen indien op basis van de gegevens uit het onderwijskundig rapport of het leerlingvolgsysteem wordt verwacht dat een aanvullend instrument niet tot een andere indicatiestelling zal leiden.
4. Bij instrumenten van IEP wordt door- of terug getoetst als de leerling de minimale of maximale score op het afgenomen instrument heeft behaald.