BWBR0051041
Geldig vanaf 2025-05-16
Artikel 2
Besluit voorlopige aanwijzing bevoegde instanties methaanverordening
1. De minister wordt aangewezen als bevoegde instantie als bedoeld in de artikelen 18, 25 en 26 van de methaanverordening, voor zover het methaanemissies betreft van:
a. inactieve, tijdelijk gedichte of permanent gedichte en verlaten putten, bedoeld in artikel 18 van die verordening; en
b. gesloten en verlaten ondergrondse kolenmijnen, bedoeld in de artikelen 25 en 26, eerste lid, van die verordening.
2. De aanwijzing bedoeld in het eerste lid geldt uitsluitend voor handelingen ter uitvoering van de artikelen 5, tweede en vierde lid, 10, 18, derde, vierde, zevende, achtste en tiende lid, en 25, tweede, vijfde, zesde en achtste lid, en 26, eerste lid, van de methaanverordening.
3. De minister wordt aangewezen als bevoegde instantie als bedoeld in artikel 26, derde lid, van de methaanverordening, voor zover het de vergunningprocedure voor alternatief gebruik van verlaten ondergrondse kolenmijnen, bestaande uit de winning van aardwarmte dieper dan 500 meter in de ondergrond, betreft.
4. Gedeputeerde staten van Limburg worden aangewezen als bevoegde instantie als bedoeld in artikel 26, derde lid, van de methaanverordening, voor zover het de vergunningprocedure voor alternatief gebruik van verlaten ondergrondse kolenmijnen, bestaande uit de winning van aardwarmte ondieper dan 500 meter in de ondergrond betreft.
a. inactieve, tijdelijk gedichte of permanent gedichte en verlaten putten, bedoeld in artikel 18 van die verordening; en
b. gesloten en verlaten ondergrondse kolenmijnen, bedoeld in de artikelen 25 en 26, eerste lid, van die verordening.
2. De aanwijzing bedoeld in het eerste lid geldt uitsluitend voor handelingen ter uitvoering van de artikelen 5, tweede en vierde lid, 10, 18, derde, vierde, zevende, achtste en tiende lid, en 25, tweede, vijfde, zesde en achtste lid, en 26, eerste lid, van de methaanverordening.
3. De minister wordt aangewezen als bevoegde instantie als bedoeld in artikel 26, derde lid, van de methaanverordening, voor zover het de vergunningprocedure voor alternatief gebruik van verlaten ondergrondse kolenmijnen, bestaande uit de winning van aardwarmte dieper dan 500 meter in de ondergrond, betreft.
4. Gedeputeerde staten van Limburg worden aangewezen als bevoegde instantie als bedoeld in artikel 26, derde lid, van de methaanverordening, voor zover het de vergunningprocedure voor alternatief gebruik van verlaten ondergrondse kolenmijnen, bestaande uit de winning van aardwarmte ondieper dan 500 meter in de ondergrond betreft.