BWBR0050805
Geldig vanaf 2025-02-28
Artikel 9
Subsidieregeling sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap
1. Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit:
a. een activiteitenplan;
b. een begroting;
c. indien voor de uitvoering van een activiteit de medewerking van één of meer organisaties noodzakelijk is, een intentieverklaring van de desbetreffende organisaties waaruit blijkt dat zij bereid zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van een activiteit; en
d. een verklaring dat de kosten voor een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet uit anderen hoofde zijn of worden vergoed.
2. Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, bestaat uit:
a. een activiteitenplan;
b. een begroting; en
c. een verklaring dat de kosten voor een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet uit anderen hoofde zijn of worden vergoed.
3. Indien de subsidieaanvrager een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, bestaat een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tevens uit:
a. een document waaruit blijkt dat deze rechtspersoon voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van hoger onderwijsinstelling of de minister;
b. indien de aanvraag wordt gedaan door een promovendi-organisatie of werknemersorganisatie, een document waaruit blijkt dat deze rechtspersoon de belangen vertegenwoordigt van promovendi, onderscheidenlijk werknemers;
c. indien de aanvraag wordt gedaan door een studentenorganisatie, een document waaruit blijkt dat binnen deze rechtspersoon studenten zijn georganiseerd; en
d. het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.
4. In het geval van een samenwerkingsverband van organisaties bestaat een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tevens uit:
a. een samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemende organisaties en de penvoerder van het samenwerkingsverband, die uiterlijk bij de start van de activiteiten aanvangt en ten minste geldig is tot en met 1 november 2028. In deze samenwerkingsovereenkomst is in elk geval een beschrijving opgenomen van: 1°. de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemende organisaties; en
2°. indien een deelnemende organisatie, niet zijnde de subsidieaanvrager, een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en
1°. de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemende organisaties; en
2°. indien een deelnemende organisatie, niet zijnde de subsidieaanvrager, een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en
b. indien een deelnemende organisatie een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, de documenten, bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met c.
5. Op het tweede en vierde lid zijn de artikelen 3.4en 3.5 van de kaderregelingvan overeenkomstige toepassing.
a. een activiteitenplan;
b. een begroting;
c. indien voor de uitvoering van een activiteit de medewerking van één of meer organisaties noodzakelijk is, een intentieverklaring van de desbetreffende organisaties waaruit blijkt dat zij bereid zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van een activiteit; en
d. een verklaring dat de kosten voor een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet uit anderen hoofde zijn of worden vergoed.
2. Een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, bestaat uit:
a. een activiteitenplan;
b. een begroting; en
c. een verklaring dat de kosten voor een activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet uit anderen hoofde zijn of worden vergoed.
3. Indien de subsidieaanvrager een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, bestaat een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tevens uit:
a. een document waaruit blijkt dat deze rechtspersoon voor ten minste drie jaar financiële middelen ontvangt van hoger onderwijsinstelling of de minister;
b. indien de aanvraag wordt gedaan door een promovendi-organisatie of werknemersorganisatie, een document waaruit blijkt dat deze rechtspersoon de belangen vertegenwoordigt van promovendi, onderscheidenlijk werknemers;
c. indien de aanvraag wordt gedaan door een studentenorganisatie, een document waaruit blijkt dat binnen deze rechtspersoon studenten zijn georganiseerd; en
d. het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.
4. In het geval van een samenwerkingsverband van organisaties bestaat een subsidieaanvraag voor activiteiten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, tevens uit:
a. een samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemende organisaties en de penvoerder van het samenwerkingsverband, die uiterlijk bij de start van de activiteiten aanvangt en ten minste geldig is tot en met 1 november 2028. In deze samenwerkingsovereenkomst is in elk geval een beschrijving opgenomen van: 1°. de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemende organisaties; en
2°. indien een deelnemende organisatie, niet zijnde de subsidieaanvrager, een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en
1°. de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen van de deelnemende organisaties; en
2°. indien een deelnemende organisatie, niet zijnde de subsidieaanvrager, een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, het nummer waaronder deze organisatie is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel; en
b. indien een deelnemende organisatie een studentenorganisatie, promovendi-organisatie of werknemersorganisatie is, de documenten, bedoeld in het derde lid, onderdelen a tot en met c.
5. Op het tweede en vierde lid zijn de artikelen 3.4en 3.5 van de kaderregelingvan overeenkomstige toepassing.