BWBR0050706
Geldig vanaf 29-01-2026
Artikel 3.14
Subsidieregeling beproeven examenprogramma’s
Indien een subsidieontvanger in de periode tussen de subsidieverlening en de start van het schooljaar 2026–2027 aan de minister meldt af te zullen zien van het beproeven van een conceptexamenprogramma’s van een of meer vakken,
a. trekt de minister de subsidieverlening voor dat vak of die vakken in op grond van artikel 4:48, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht;
b. komt het de daarmee samenhangende subsidiebedrag beschikbaar voor verstrekking van subsidie voor aanvragen die zijn afgewezen wegens het overschrijden van het subsidieplafond; en
c. wijst de minister aanvragen als bedoeld in onderdeel b alsnog toe, een en ander: 1°. voor zover dat naar diens oordeel doelmatig is met oog op de resterende voorbereidingstijd voor het beproeven;
2°. op basis van de oorspronkelijke rangschikking;
3°. zolang de middelen toereikend zijn; en
4°. bij herziening van het oorspronkelijke afwijzende besluit.
1°. voor zover dat naar diens oordeel doelmatig is met oog op de resterende voorbereidingstijd voor het beproeven;
2°. op basis van de oorspronkelijke rangschikking;
3°. zolang de middelen toereikend zijn; en
4°. bij herziening van het oorspronkelijke afwijzende besluit.
a. trekt de minister de subsidieverlening voor dat vak of die vakken in op grond van artikel 4:48, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht;
b. komt het de daarmee samenhangende subsidiebedrag beschikbaar voor verstrekking van subsidie voor aanvragen die zijn afgewezen wegens het overschrijden van het subsidieplafond; en
c. wijst de minister aanvragen als bedoeld in onderdeel b alsnog toe, een en ander: 1°. voor zover dat naar diens oordeel doelmatig is met oog op de resterende voorbereidingstijd voor het beproeven;
2°. op basis van de oorspronkelijke rangschikking;
3°. zolang de middelen toereikend zijn; en
4°. bij herziening van het oorspronkelijke afwijzende besluit.
1°. voor zover dat naar diens oordeel doelmatig is met oog op de resterende voorbereidingstijd voor het beproeven;
2°. op basis van de oorspronkelijke rangschikking;
3°. zolang de middelen toereikend zijn; en
4°. bij herziening van het oorspronkelijke afwijzende besluit.
- Citeren als
- Art. 3.14
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0050706
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl