BWBR0050434
Geldig vanaf 20-11-2024
Artikel 2.12
Regeling Cultuureducatie voor het Caribisch deel van het Koninkrijk 2025–2028
1. De penvoerder:
a. is de partij met wie het Fonds de subsidierelatie aangaat. De penvoerder is volledig verantwoordelijk voor de naleving van de subsidieverplichtingen en voor de financiële en inhoudelijke subsidieverantwoording;
b. is verplicht tot kennisdeling, monitoring en evaluatie van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt;
c. zet in het projectplan uiteen op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan kennisdeling;
d. is verplicht deel te nemen aan het landelijke kennisdelingstraject door het Fonds en het LKCA. Bijkomende kosten hiervoor komen voor rekening van het Fonds;
e. reserveert op de begroting een reëel bedrag voor monitoring en evaluatie van activiteiten die in het kader van de regeling worden verricht;
f. zet in het projectplan uiteen op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan het monitoring- en evaluatietraject;
g. bespreekt een keer per jaar de voortgang van het project met het Fonds en het openbaar lichaam en neemt halverwege de periode deel aan een tussentijdse evaluatie;
h. is verplicht deel te nemen aan het landelijke traject voor monitoring en evaluatie door het Fonds;
i. stelt het projectplan, verantwoordingen, evaluaties en contactgegevens van de penvoerder beschikbaar voor de kennisdelingsactiviteiten die worden georganiseerd door het LKCA.
2. Het project:
a. start niet eerder dan dertien weken na het indienen van de aanvraag;
b. heeft een looptijd van 15 maart 2025 tot en met uiterlijk 31 december 2028. Het Fonds kan besluiten van deze termijnen afwijken.
a. is de partij met wie het Fonds de subsidierelatie aangaat. De penvoerder is volledig verantwoordelijk voor de naleving van de subsidieverplichtingen en voor de financiële en inhoudelijke subsidieverantwoording;
b. is verplicht tot kennisdeling, monitoring en evaluatie van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt;
c. zet in het projectplan uiteen op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan kennisdeling;
d. is verplicht deel te nemen aan het landelijke kennisdelingstraject door het Fonds en het LKCA. Bijkomende kosten hiervoor komen voor rekening van het Fonds;
e. reserveert op de begroting een reëel bedrag voor monitoring en evaluatie van activiteiten die in het kader van de regeling worden verricht;
f. zet in het projectplan uiteen op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan het monitoring- en evaluatietraject;
g. bespreekt een keer per jaar de voortgang van het project met het Fonds en het openbaar lichaam en neemt halverwege de periode deel aan een tussentijdse evaluatie;
h. is verplicht deel te nemen aan het landelijke traject voor monitoring en evaluatie door het Fonds;
i. stelt het projectplan, verantwoordingen, evaluaties en contactgegevens van de penvoerder beschikbaar voor de kennisdelingsactiviteiten die worden georganiseerd door het LKCA.
2. Het project:
a. start niet eerder dan dertien weken na het indienen van de aanvraag;
b. heeft een looptijd van 15 maart 2025 tot en met uiterlijk 31 december 2028. Het Fonds kan besluiten van deze termijnen afwijken.
- Citeren als
- Art. 2.12
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0050434
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl