BWBR0050283
Artikel 4
Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2025
4.1
De NZa verstrekt de beschikbaarheidbijdrage aan opleidende zorgaanbieders ter vergoeding
van de kosten die de zorgaanbieder daadwerkelijk maakt voor het verzorgen van (medische)
vervolgopleidingen, als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c van de bijlage.
4.2
De NZa verstrekt uitsluitend beschikbaarheidbijdragen aan opleidende zorgaanbieders
die erkend zijn door een registratiecommissie als genoemd in artikel 1.19, de opleidingsinstituten
als genoemd in artikel 1.20 en 1.21 of het CZO als genoemd in artikel 1.27, om een
(medische) vervolgopleiding te verzorgen en aan de werkgevers voor specifieke opleidingen
zoals bedoeld in artikel 1.22.
Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat gedurende de gehele periode
waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd sprake moet zijn van een samenwerkingsovereenkomst
tussen de praktijkopleidingsinstelling die de beschikbaarheidbijdrage aanvraagt en
een door de Minister aangewezen opleidingsinstelling.
4.3 Berekening aantal gerealiseerde fte
De berekening van de realisatie per (medisch) specialist in opleiding (in fte) vindt
plaats volgens de volgende formule:
Aantal uren opleiding volgens de personeels- of salarisadministratie van de zorgaanbieder'
gedeeld door ‘uren reguliere werkweek overeenkomstig de van toepassing zijnde collectieve
arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling.
De collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling wordt gehanteerd
van de opleidende zorgaanbieder waar de (medisch) specialist in opleiding zijn formeel
dienstverband heeft. Het aantal uren dat voor één persoon wordt ingevoerd in de aanvraag
mag nooit leiden tot een realisatie hoger dan 1 fte.
Boventallige (medisch) specialisten in opleiding, zoals beschreven in artikel 1.18,
komen niet in aanmerking voor een beschikbaarheidbijdrage en mogen niet in de berekening
van de realisatie worden meegenomen.
In de toelichting van deze beleidsregel worden een aantal rekenvoorbeelden gegeven
van hoe het aantal gerealiseerde fte moet worden berekend.
Maximum fte in opleiding voor ggz-opleidingen conform het opleidingsregister
Voor een aantal opleidingen in de ggz bestaat een maximum aantal uren dat een opleideling
in opleiding mag zijn per week. Het aantal gerealiseerde fte per opleideling mag niet
boven dit maximum uitkomen. Een opleideling mag voor meer uren dan het maximum in
dienst zijn bij de opleidende zorgaanbieder, maar deze zorgaanbieder mag voor de uren
boven het maximum geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.
• Voor de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog geldt een maximum van 36 opleidingsuren
per week (1 fte).
• Voor de opleiding tot klinisch psycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren
per werkweek (0,75 fte).
• Voor de opleiding tot klinisch neuropsycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren
per werkweek (0,75 fte).
• Voor de opleiding tot psychotherapeut geldt een maximum van 18 opleidingsuren per
werkweek (0,50 fte).
• Voor de opleiding tot verpleegkundig specialist in de ggz geldt een maximum van 36
opleidingsuren per werkweek (1 fte).
4.4
De NZa accepteert geen mutaties in het instroomjaar, met uitzondering van de opleiding
klinische fysica en de situatie beschreven in artikel 1.16 sub b. De NZa houdt in
alle gevallen, met uitzondering van de situaties genoemd in artikel 10.1 (sub a en
sub b), het verdeeloverzicht aan voor de berekening van de beschikbaarheidbijdrage
over het instroomjaar.
4.5
De NZa beoordeelt de ontvangen aanvragen aan de criteria gesteld in deze beleidsregel
en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.
4.6
In aanvulling op het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ gelden de volgende
voorwaarden, voorschriften en beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheidbijdrage
(medische) vervolgopleidingen:
a. De opleidende zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het juist en tijdig laten registreren
van de opleidingsgegevens van de (medisch) specialist in opleiding bij desbetreffende
registratiecommissie, zoals genoemd in artikel 1.19 of het CZO als genoemd in artikel
1.27.
b.
• (Medische) vervolgopleidingen: Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder uiterlijk
31 december van het subsidiejaar (jaar t) een opleideling koppelt aan een toegekende
instroomplaats in het opleidingsregister van de desbetreffende registratiecommissie.
Als een opleideling uiterlijk 31 december van het subsidiejaar niet is gekoppeld aan
een instroomplaats, dan ontvangt de zorgaanbieder voor dat subsidiejaar geen beschikbaarheidbijdrage
voor deze instromer.
• De zorgaanbieder kan voor deze opleideling wel een doorstroomsubsidie voor jaar t+1
aanvragen als de opleideling door de registratiecommissie in jaar t+1 als doorstromer
wordt aangemerkt.
• De situatie kan zich voordoen dat een zorgaanbieder een afwijzing ontvangt op zijn
aanvraag tot verlening voor jaar t+1, omdat de zorgaanbieder alleen één doorstromer
in opleiding heeft die niet tijdig als instromer is gekoppeld in jaar t. In afwijking
van artikel 5.1.3 van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ kan de NZa in
deze situatie de beschikbaarheidbijdrage voor jaar t+1 vaststellen zonder dat er voorafgaand
een verleningsbeschikking is afgegeven.
• Ziekenhuisopleidingen:
Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder de opleideling registreert in het
Opleidingsregister van het CZO.
• De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het correct registreren van EPA’s en EOL
in het Opleidingsregister van het CZO een certificaat is behaald in het jaar t. Deze
registratie moet uiterlijk 31 december van het jaar t plaatsvinden.
• Voor de ziekenhuisopleidingen in artikel 1.3 a en b voor opleidelingen die hun opleiding
vóór 2025 zijn gestart en waar beschikbaarheidbijdrage per gediplomeerde kan worden
aangevraagd, is de zorgaanbieder er verantwoordelijk voor dat uiterlijk 31 december
van het jaar van diplomering het diploma is aangevraagd bij het CZO.
c. Substitutie van toegewezen fte’s tussen soorten opleidingen en substitutie van fte’s
tussen de categorieën instroom en doorstroom is niet mogelijk.
d. Het is toegestaan dat opleidelingen met een vooropleiding tijdens de opleiding overstappen
naar een ander specialisme met dezelfde vooropleiding, mits uiterlijk 31 december
van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar het opleidingsschema volledig is goedgekeurd
door desbetreffende registratiecommissie en dit is opgenomen in het opleidingsregister
van desbetreffende registratiecommissie.
e. Er wordt geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt voor (medisch) specialisten in opleiding
die zijn ingestroomd voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder
of voor rekening van derden. Er wordt ook geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt voor
deze (medisch) specialisten in opleiding in latere jaren. Uitzondering op dit laatste
vormt de (medisch) specialist in opleiding die later instroomt op een instroomplaats
die in het verdeeloverzicht is toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder.
f. Indien op grond van een andere subsidieregeling subsidie wordt aangevraagd en toegekend
voor dezelfde activiteiten als waarvoor de beschikbaarheidbijdrage dient, kan (een
deel van) die verkregen subsidie in mindering worden gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.
g. De beschikbaarheidbijdrage wordt, met inachtneming van het aantal subsidiabele opleidingsplaatsen
per opleiding, alleen verstrekt aan de opleidende zorgaanbieder bij wie de (medisch)
specialist in opleiding volgens de desbetreffende registratiecommissie geregistreerd
staat.
h. Indien sprake is van het door een opleidende zorgaanbieder detacheren van een opleideling
naar een andere opleidende zorgaanbieder dient tussen deze zorgaanbieders een schriftelijke
overeenkomst te bestaan waarin in ieder geval het aantal fte’s dat de opleideling
bij iedere zorgaanbieder wordt opgeleid is vastgelegd;
i. Niet-gerealiseerde instroom, als vastgelegd in het verdeeloverzicht, van beroepsbeoefenaren
in opleiding kan niet worden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar.
j. Vanwege opleidingsinhoudelijke redenen kan de duur van de opleiding van een (medisch)
specialist in opleiding worden verlengd. Hier dient een besluit van de registratiecommissie
of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met 1.21 aan ten grondslag
te liggen waaruit blijkt dat de duur van de opleiding wordt verlengd. Voor de opleidingen
genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de opleidingsinstelling als bedoeld in artikel
1.6 het besluit neemt over de verlenging van de duur van de opleiding. De CRT van
de FGzPt verwerkt de verlenging in het opleidingsregister.
k. Bij de bepaling van het gerealiseerde aantal opleidingsplaatsen dient rekening te
worden gehouden met het startmoment en de einddatum van de opleiding en met deeltijdarbeid
zoals vermeld in de (leer)-arbeidsovereenkomst.
l. De opleidende zorgaanbieder doet direct schriftelijk mededeling aan de NZa wanneer
een samenwerkingsovereenkomst wordt ontbonden, vernietigd of nietig is voor wat betreft
de beroepen als genoemd in artikel 1.2 sub e, een opleidingserkenning wordt ingetrokken
of van andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor (een beslissing tot intrekking
van) de beschikbaarheidbijdrage, zoals een fusie, splitsing of een faillissement.
Daarbij worden relevante stukken overlegd.
4.7 Faillissementen
Als de rechtbank het faillissement van een zorgaanbieder heeft uitgesproken en een
curator heeft aangesteld, dient de curator de aanvraag tot vaststelling namens de
failliete zorgaanbieder in. Dit doet de curator voor de subsidiejaren waarvoor de
failliete zorgaanbieder nog geen vaststelling heeft ingediend, maar wel een verleningsbeschikking
heeft ontvangen. De curator handelt daarbij volgens de voorschriften en voorwaarden
uit deze beleidsregel en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.
Als een failliete zorgaanbieder een aanvraag indient voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage,
neemt de NZa deze aanvraag niet in behandeling. Als het faillissement vóór 1 januari
van jaar t wordt uitgesproken en de verleningsbeschikking voor jaar t reeds door de
NZa is afgegeven, kan de NZa de verleningsbeschikking intrekken en de uitgekeerde
voorschotten terugvorderen. Er is dan immers vanwege het faillissement niet opgeleid
in jaar t.
4.8 Fusie en overname
1. Als een juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW tussen opleidende zorgaanbieders voor of op 1 januari van jaar t plaatsvindt, gaat
de NZa in jaar t uit van de gefuseerde zorgaanbieder. De gefuseerde zorgaanbieder
dient voor zowel de verlening als de vaststelling van jaar t één aanvraag in op het
NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder. De NZa geeft op basis van deze aanvraag
voor zowel de verlening als de vaststelling één beschikking af op het NZa-nummer van
de gefuseerde zorgaanbieder. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld
in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.
2. Indien:
a. een juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW tussen opleidende zorgaanbieders plaatsvindt na 1 januari van jaar t;
b. een overname van opleidende zorgaanbieders zonder dat sprake is van een juridische
fusie in de zin van artikel 2:309 BW, plaatsvindt voor jaar t of in jaar t;
gaat de NZa voor de verlening en vaststelling van jaar t uit van de afzonderlijke
zorgaanbieders. Beide zorgaanbieders dienen voor zowel de verlening als vaststelling
van jaar t een aanvraag in op hun eigen NZa-nummer. De NZa geeft op basis van deze
aanvragen voor zowel de verlening als de vaststelling een beschikking per zorgaanbieder
af op hun eigen NZa-nummer. Voor opleidende zorgaanbieders betrokken bij een overname
zonder dat sprake is van een juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW, geldt dit voor jaar t+1 en verder ook. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden
als bedoeld in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.
3. Als de juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW plaatsvindt in jaar t, gaat de NZa vanaf het jaar dat volgt op de juridische fusie,
bij de verlening en de vaststelling uit van de gefuseerde zorgaanbieder. Dit betekent
dat de gefuseerde zorgaanbieder voor zowel de verlening als de vaststelling vanaf
het jaar volgend op de fusie of overname één aanvraag moet indienen op het NZa-nummer
van de gefuseerde zorgaanbieder. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als
bedoeld in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.
4.9
De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld in de aanwijzing of door de NZa, zijn gedurende
de gehele opleiding gekoppeld aan het specialisme waar de betreffende (medisch) specialist
is ingestroomd.
4.10
Een (medisch) specialist of medisch beroepsbeoefenaar in dienst van het Ministerie
van Defensie kan niet instromen op een instroomplaats. (Medisch) specialisten of medisch
beroepsbeoefenaren in dienst van het Ministerie van Defensie die hun opleiding zijn
gestart vóór het jaar 2022 en waarvoor reeds een beschikbaarheidbijdrage is toegekend,
blijven in aanmerking komen voor een beschikbaarheidbijdrage.
4.11
De vastgestelde beschikbaarheidbijdrage wordt verrekend met de bevoorschotting. Wanneer
de definitieve beschikbaarheidbijdrage hoger uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt
de NZa in de vaststellingsbeschikking dat het openstaande bedrag door Zorginstituut
Nederland wordt voldaan aan de opleidende zorgaanbieder. Wanneer de definitieve beschikbaarheidbijdrage
lager uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt de NZa in de vaststellingsbeschikking
dat de opleidende zorgaanbieder het terug te betalen bedrag dient te voldoen aan Zorginstituut
Nederland.
De NZa verstrekt de beschikbaarheidbijdrage aan opleidende zorgaanbieders ter vergoeding
van de kosten die de zorgaanbieder daadwerkelijk maakt voor het verzorgen van (medische)
vervolgopleidingen, als bedoeld in artikel 2 van het Besluit beschikbaarheidbijdrage WMG, juncto onderdeel B, onder 1, sub a, b en c van de bijlage.
4.2
De NZa verstrekt uitsluitend beschikbaarheidbijdragen aan opleidende zorgaanbieders
die erkend zijn door een registratiecommissie als genoemd in artikel 1.19, de opleidingsinstituten
als genoemd in artikel 1.20 en 1.21 of het CZO als genoemd in artikel 1.27, om een
(medische) vervolgopleiding te verzorgen en aan de werkgevers voor specifieke opleidingen
zoals bedoeld in artikel 1.22.
Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat gedurende de gehele periode
waarover de beschikbaarheidbijdrage wordt aangevraagd sprake moet zijn van een samenwerkingsovereenkomst
tussen de praktijkopleidingsinstelling die de beschikbaarheidbijdrage aanvraagt en
een door de Minister aangewezen opleidingsinstelling.
4.3 Berekening aantal gerealiseerde fte
De berekening van de realisatie per (medisch) specialist in opleiding (in fte) vindt
plaats volgens de volgende formule:
Aantal uren opleiding volgens de personeels- of salarisadministratie van de zorgaanbieder'
gedeeld door ‘uren reguliere werkweek overeenkomstig de van toepassing zijnde collectieve
arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling.
De collectieve arbeidsovereenkomst of sectorale rechtspositieregeling wordt gehanteerd
van de opleidende zorgaanbieder waar de (medisch) specialist in opleiding zijn formeel
dienstverband heeft. Het aantal uren dat voor één persoon wordt ingevoerd in de aanvraag
mag nooit leiden tot een realisatie hoger dan 1 fte.
Boventallige (medisch) specialisten in opleiding, zoals beschreven in artikel 1.18,
komen niet in aanmerking voor een beschikbaarheidbijdrage en mogen niet in de berekening
van de realisatie worden meegenomen.
In de toelichting van deze beleidsregel worden een aantal rekenvoorbeelden gegeven
van hoe het aantal gerealiseerde fte moet worden berekend.
Maximum fte in opleiding voor ggz-opleidingen conform het opleidingsregister
Voor een aantal opleidingen in de ggz bestaat een maximum aantal uren dat een opleideling
in opleiding mag zijn per week. Het aantal gerealiseerde fte per opleideling mag niet
boven dit maximum uitkomen. Een opleideling mag voor meer uren dan het maximum in
dienst zijn bij de opleidende zorgaanbieder, maar deze zorgaanbieder mag voor de uren
boven het maximum geen beschikbaarheidbijdrage ontvangen.
• Voor de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog geldt een maximum van 36 opleidingsuren
per week (1 fte).
• Voor de opleiding tot klinisch psycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren
per werkweek (0,75 fte).
• Voor de opleiding tot klinisch neuropsycholoog geldt een maximum van 27 opleidingsuren
per werkweek (0,75 fte).
• Voor de opleiding tot psychotherapeut geldt een maximum van 18 opleidingsuren per
werkweek (0,50 fte).
• Voor de opleiding tot verpleegkundig specialist in de ggz geldt een maximum van 36
opleidingsuren per werkweek (1 fte).
4.4
De NZa accepteert geen mutaties in het instroomjaar, met uitzondering van de opleiding
klinische fysica en de situatie beschreven in artikel 1.16 sub b. De NZa houdt in
alle gevallen, met uitzondering van de situaties genoemd in artikel 10.1 (sub a en
sub b), het verdeeloverzicht aan voor de berekening van de beschikbaarheidbijdrage
over het instroomjaar.
4.5
De NZa beoordeelt de ontvangen aanvragen aan de criteria gesteld in deze beleidsregel
en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.
4.6
In aanvulling op het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ gelden de volgende
voorwaarden, voorschriften en beperkingen ten aanzien van de beschikbaarheidbijdrage
(medische) vervolgopleidingen:
a. De opleidende zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het juist en tijdig laten registreren
van de opleidingsgegevens van de (medisch) specialist in opleiding bij desbetreffende
registratiecommissie, zoals genoemd in artikel 1.19 of het CZO als genoemd in artikel
1.27.
b.
• (Medische) vervolgopleidingen: Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder uiterlijk
31 december van het subsidiejaar (jaar t) een opleideling koppelt aan een toegekende
instroomplaats in het opleidingsregister van de desbetreffende registratiecommissie.
Als een opleideling uiterlijk 31 december van het subsidiejaar niet is gekoppeld aan
een instroomplaats, dan ontvangt de zorgaanbieder voor dat subsidiejaar geen beschikbaarheidbijdrage
voor deze instromer.
• De zorgaanbieder kan voor deze opleideling wel een doorstroomsubsidie voor jaar t+1
aanvragen als de opleideling door de registratiecommissie in jaar t+1 als doorstromer
wordt aangemerkt.
• De situatie kan zich voordoen dat een zorgaanbieder een afwijzing ontvangt op zijn
aanvraag tot verlening voor jaar t+1, omdat de zorgaanbieder alleen één doorstromer
in opleiding heeft die niet tijdig als instromer is gekoppeld in jaar t. In afwijking
van artikel 5.1.3 van het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’ kan de NZa in
deze situatie de beschikbaarheidbijdrage voor jaar t+1 vaststellen zonder dat er voorafgaand
een verleningsbeschikking is afgegeven.
• Ziekenhuisopleidingen:
Het is van belang dat de opleidende zorgaanbieder de opleideling registreert in het
Opleidingsregister van het CZO.
• De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het correct registreren van EPA’s en EOL
in het Opleidingsregister van het CZO een certificaat is behaald in het jaar t. Deze
registratie moet uiterlijk 31 december van het jaar t plaatsvinden.
• Voor de ziekenhuisopleidingen in artikel 1.3 a en b voor opleidelingen die hun opleiding
vóór 2025 zijn gestart en waar beschikbaarheidbijdrage per gediplomeerde kan worden
aangevraagd, is de zorgaanbieder er verantwoordelijk voor dat uiterlijk 31 december
van het jaar van diplomering het diploma is aangevraagd bij het CZO.
c. Substitutie van toegewezen fte’s tussen soorten opleidingen en substitutie van fte’s
tussen de categorieën instroom en doorstroom is niet mogelijk.
d. Het is toegestaan dat opleidelingen met een vooropleiding tijdens de opleiding overstappen
naar een ander specialisme met dezelfde vooropleiding, mits uiterlijk 31 december
van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar het opleidingsschema volledig is goedgekeurd
door desbetreffende registratiecommissie en dit is opgenomen in het opleidingsregister
van desbetreffende registratiecommissie.
e. Er wordt geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt voor (medisch) specialisten in opleiding
die zijn ingestroomd voor eigen rekening, voor rekening van de opleidende zorgaanbieder
of voor rekening van derden. Er wordt ook geen beschikbaarheidbijdrage verstrekt voor
deze (medisch) specialisten in opleiding in latere jaren. Uitzondering op dit laatste
vormt de (medisch) specialist in opleiding die later instroomt op een instroomplaats
die in het verdeeloverzicht is toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder.
f. Indien op grond van een andere subsidieregeling subsidie wordt aangevraagd en toegekend
voor dezelfde activiteiten als waarvoor de beschikbaarheidbijdrage dient, kan (een
deel van) die verkregen subsidie in mindering worden gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.
g. De beschikbaarheidbijdrage wordt, met inachtneming van het aantal subsidiabele opleidingsplaatsen
per opleiding, alleen verstrekt aan de opleidende zorgaanbieder bij wie de (medisch)
specialist in opleiding volgens de desbetreffende registratiecommissie geregistreerd
staat.
h. Indien sprake is van het door een opleidende zorgaanbieder detacheren van een opleideling
naar een andere opleidende zorgaanbieder dient tussen deze zorgaanbieders een schriftelijke
overeenkomst te bestaan waarin in ieder geval het aantal fte’s dat de opleideling
bij iedere zorgaanbieder wordt opgeleid is vastgelegd;
i. Niet-gerealiseerde instroom, als vastgelegd in het verdeeloverzicht, van beroepsbeoefenaren
in opleiding kan niet worden doorgeschoven naar een volgend kalenderjaar.
j. Vanwege opleidingsinhoudelijke redenen kan de duur van de opleiding van een (medisch)
specialist in opleiding worden verlengd. Hier dient een besluit van de registratiecommissie
of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met 1.21 aan ten grondslag
te liggen waaruit blijkt dat de duur van de opleiding wordt verlengd. Voor de opleidingen
genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de opleidingsinstelling als bedoeld in artikel
1.6 het besluit neemt over de verlenging van de duur van de opleiding. De CRT van
de FGzPt verwerkt de verlenging in het opleidingsregister.
k. Bij de bepaling van het gerealiseerde aantal opleidingsplaatsen dient rekening te
worden gehouden met het startmoment en de einddatum van de opleiding en met deeltijdarbeid
zoals vermeld in de (leer)-arbeidsovereenkomst.
l. De opleidende zorgaanbieder doet direct schriftelijk mededeling aan de NZa wanneer
een samenwerkingsovereenkomst wordt ontbonden, vernietigd of nietig is voor wat betreft
de beroepen als genoemd in artikel 1.2 sub e, een opleidingserkenning wordt ingetrokken
of van andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor (een beslissing tot intrekking
van) de beschikbaarheidbijdrage, zoals een fusie, splitsing of een faillissement.
Daarbij worden relevante stukken overlegd.
4.7 Faillissementen
Als de rechtbank het faillissement van een zorgaanbieder heeft uitgesproken en een
curator heeft aangesteld, dient de curator de aanvraag tot vaststelling namens de
failliete zorgaanbieder in. Dit doet de curator voor de subsidiejaren waarvoor de
failliete zorgaanbieder nog geen vaststelling heeft ingediend, maar wel een verleningsbeschikking
heeft ontvangen. De curator handelt daarbij volgens de voorschriften en voorwaarden
uit deze beleidsregel en het ‘Uniform kader beschikbaarheidbijdrage NZa’.
Als een failliete zorgaanbieder een aanvraag indient voor de verlening van de beschikbaarheidbijdrage,
neemt de NZa deze aanvraag niet in behandeling. Als het faillissement vóór 1 januari
van jaar t wordt uitgesproken en de verleningsbeschikking voor jaar t reeds door de
NZa is afgegeven, kan de NZa de verleningsbeschikking intrekken en de uitgekeerde
voorschotten terugvorderen. Er is dan immers vanwege het faillissement niet opgeleid
in jaar t.
4.8 Fusie en overname
1. Als een juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW tussen opleidende zorgaanbieders voor of op 1 januari van jaar t plaatsvindt, gaat
de NZa in jaar t uit van de gefuseerde zorgaanbieder. De gefuseerde zorgaanbieder
dient voor zowel de verlening als de vaststelling van jaar t één aanvraag in op het
NZa-nummer van de gefuseerde zorgaanbieder. De NZa geeft op basis van deze aanvraag
voor zowel de verlening als de vaststelling één beschikking af op het NZa-nummer van
de gefuseerde zorgaanbieder. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld
in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.
2. Indien:
a. een juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW tussen opleidende zorgaanbieders plaatsvindt na 1 januari van jaar t;
b. een overname van opleidende zorgaanbieders zonder dat sprake is van een juridische
fusie in de zin van artikel 2:309 BW, plaatsvindt voor jaar t of in jaar t;
gaat de NZa voor de verlening en vaststelling van jaar t uit van de afzonderlijke
zorgaanbieders. Beide zorgaanbieders dienen voor zowel de verlening als vaststelling
van jaar t een aanvraag in op hun eigen NZa-nummer. De NZa geeft op basis van deze
aanvragen voor zowel de verlening als de vaststelling een beschikking per zorgaanbieder
af op hun eigen NZa-nummer. Voor opleidende zorgaanbieders betrokken bij een overname
zonder dat sprake is van een juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW, geldt dit voor jaar t+1 en verder ook. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden
als bedoeld in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.
3. Als de juridische fusie in de zin van artikel 2:309 BW plaatsvindt in jaar t, gaat de NZa vanaf het jaar dat volgt op de juridische fusie,
bij de verlening en de vaststelling uit van de gefuseerde zorgaanbieder. Dit betekent
dat de gefuseerde zorgaanbieder voor zowel de verlening als de vaststelling vanaf
het jaar volgend op de fusie of overname één aanvraag moet indienen op het NZa-nummer
van de gefuseerde zorgaanbieder. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden als
bedoeld in artikel 4:84 Awb, kan de NZa hiervan afwijken.
4.9
De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld in de aanwijzing of door de NZa, zijn gedurende
de gehele opleiding gekoppeld aan het specialisme waar de betreffende (medisch) specialist
is ingestroomd.
4.10
Een (medisch) specialist of medisch beroepsbeoefenaar in dienst van het Ministerie
van Defensie kan niet instromen op een instroomplaats. (Medisch) specialisten of medisch
beroepsbeoefenaren in dienst van het Ministerie van Defensie die hun opleiding zijn
gestart vóór het jaar 2022 en waarvoor reeds een beschikbaarheidbijdrage is toegekend,
blijven in aanmerking komen voor een beschikbaarheidbijdrage.
4.11
De vastgestelde beschikbaarheidbijdrage wordt verrekend met de bevoorschotting. Wanneer
de definitieve beschikbaarheidbijdrage hoger uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt
de NZa in de vaststellingsbeschikking dat het openstaande bedrag door Zorginstituut
Nederland wordt voldaan aan de opleidende zorgaanbieder. Wanneer de definitieve beschikbaarheidbijdrage
lager uitvalt dan de bevoorschotting, bepaalt de NZa in de vaststellingsbeschikking
dat de opleidende zorgaanbieder het terug te betalen bedrag dient te voldoen aan Zorginstituut
Nederland.