BWBR0050283
Artikel 10
Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2025
10.1
De hoogte van de gerealiseerde fte’s voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist
wordt door de NZa vastgesteld, waarbij:
a. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende
zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal instroomplaatsen en/of
instroom fte (medisch) specialist dat voor die zorgaanbieder in het verdeeloverzicht
is vastgelegd. Als blijkt dat bij één of meerdere opleidingen het aantal aangevraagde
plaatsen en/of fte hoger is dan in het verdeeloverzicht is opgenomen, dan zal de NZa
het aantal personen en/of fte neerwaarts bijstellen tot het maximum van het verdeeloverzicht,
tenzij er sprake is van:
• Een (medisch) specialist in vooropleiding die in het instroomjaar niet de opleiding
volgt bij de opleidende zorgaanbieder waaraan de instroomplaats (medisch) specialist
is toegewezen. De instroomplaatsen van opleidingen met een vooropleiding zijn in het
verdeeloverzicht toegewezen aan de zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd.
• Vervanging van een (medisch) specialist in opleiding binnen een instroomjaar, waardoor
het totaal aantal personen het verdeeloverzicht kan overschrijden. Het aantal fte
mag in dit geval niet hoger zijn dan in het verdeeloverzicht is opgenomen.
b. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende
zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal opleidingsplaatsen
dat voor die zorgaanbieder in het verdeeloverzicht is vastgelegd, tenzij er sprake
is van onderstaande uitzonderingen. Genoemde uitzonderingen moeten aan de hand van
de hieronder nader gespecificeerde documenten bij de aanvraag worden aangetoond.
De uitzonderingen zijn:
• De ontbinding, vernietiging of nietigheid van een samenwerkingsovereenkomst voor wat
betreft de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e, het intrekken van een opleidingserkenning
van een opleidende zorgaanbieder waardoor een andere opleidende zorgaanbieder een
of meer opleidingsplaatsen boven het verdeeloverzicht kan aanvragen. Hier dient een
besluit van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstituten als genoemd
in de artikelen 1.19 tot en met en 1.21 aan ten grondslag te liggen.
• Faillissement van een opleidende zorgaanbieder, waardoor een andere opleidende zorgaanbieder
een of meer opleidingsplaatsen boven het verdeeloverzicht krijgt toegekend. Hiervoor
is goedkeuring nodig van het nieuwe opleidingsschema door de relevante registratiecommissie
of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met 1.21. Voor de opleidingen
genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat deze goedkeuring door de CRT van de FGzPt moet
worden verleend.
• Fusie van twee of meer opleidende zorgaanbieders waardoor één zorgaanbieder of de
opvolgende rechtspersoon de opleidingsplaatsen krijgt toegewezen. Het totaal aantal
plaatsen en fte’s van de gefuseerde zorgaanbieders kan niet hoger zijn dan het aantal
plaatsen en fte’s van de afzonderlijke zorgaanbieders voor de fusie.
• Overplaatsing van de (medisch) specialist in opleiding door een uitspraak van een
geschillencommissie of een centrale opleidingscommissie vanuit een opleidende zorgaanbieder
naar een andere opleidende zorgaanbieder. De uitspraak moet bij de aanvraag tot vaststelling
gevoegd worden.
c. Het aantal instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen
met een vooropleiding wordt vastgesteld op basis van de aanvraag tot vaststelling.
d. Een (medisch) specialist in opleiding4 een deel van de opleiding buiten Nederland kan volgen als er vooraf toestemming is
van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen
1.19 tot en met 1.21. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de
opleidingsinstelling als bedoeld in artikel 1.6 deze toestemming geeft. De CRT van
de FGzPt verwerkt dit in het opleidingsregister.
Voorwaarden zijn:
• Het dienstverband en/of de arbeidsovereenkomst tussen de opleidende zorgaanbieder
en de (medisch) specialist in opleiding moet voortduren;
• De opleiding buiten Nederland is vastgelegd in het opleidingsschema;
• De opleiding buiten Nederland mag niet leiden tot verlenging van de duur van de opleiding.
10.2
De beschikbaarheidbijdrage kan naast de in artikel 9.4 genoemde omstandigheden lager
worden vastgesteld als:
a. Een (medisch) specialist in opleiding (tijdelijk) stopt met de opleiding. Dit wordt
aangemerkt als uitval, ongeacht de reden daarvan. Als uitzondering op het voorgaande
zal de beschikbaarheidbijdrage in ieder geval niet lager worden vastgesteld indien
sprake is van:
• Uitval wegens van ziekte: een zieke (medisch) specialist in opleiding telt mee in
het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loondoorbetalingsverplichting
heeft; of
• onderbreking van de opleiding gedurende een geschil: de periode van onderbreking telt
mee in het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loonbetalingsverplichting
heeft.
b. De (medisch) specialist in opleiding tijd besteedt aan activiteiten die buiten de
opleiding vallen, bijvoorbeeld het verrichten van onderzoek.
c. De (medisch) specialist in opleiding vrijstellingen heeft en daardoor eerder gevolgde
onderdelen van de opleiding niet hoeft te volgen.
d. De opleiding (gedeeltelijk) in eigen tijd wordt gevolgd.
e. De (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar in dienst is
bij het Ministerie van Defensie. De opleiding wordt gevolgd bij een zorgaanbieder.
Het salaris van de (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar
wordt betaald door het Ministerie van Defensie.
10.3
De NZa houdt er bij de vaststelling van de definitieve beschikbaarheidbijdrage van
de opleidingen tot (medisch) specialist rekening mee dat:
a. Opleidingen niet altijd per 1 januari van het jaar beginnen.
b. Een (medisch) specialist in opleiding die een doorstroomplaats (medisch) specialist
bezet, gedurende het jaar kan wisselen van opleidende zorgaanbieder volgens de regels
van de registratiecommissie. De wijzigingen worden door de NZa verwerkt bij de vaststelling
van de beschikbaarheidbijdrage. Mutaties kunnen alleen plaatsvinden bij doorstroomplaatsen
(medisch) specialist in opleiding, met uitzondering van de situatie als genoemd in
artikel 1.16 sub b.
c. De opleidende zorgaanbieder een aanvraag indient voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage
van de instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen met
een vooropleiding. Gelet op artikel 6.2 vindt de bekostiging van deze vooropleidingen
en opleidingen met een vooropleiding volledig bij de vaststelling plaats.
d. Een instroomplaats (medisch) specialist in opleiding met een vooropleiding in het
verdeeloverzicht wordt toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder waar de eindopleiding
wordt gevolgd.
10.4
De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt vastgesteld, waarbij:
a. Het aantal gerealiseerde fte per opleiding wordt bepaald, rekening houdend met de
criteria van de artikelen 10.1 tot en met 10.3. De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld
door de Minister en geïndexeerd door de NZa, worden bepaald per opleiding. Bij de
berekening van de beschikbaarheidbijdrage vergoedingsbedragen wordt er rekening gehouden
met de staffel zoals omschreven in artikel 6, tweede lid van de aanwijzing5.
b. In afwijking op artikel 10.4 sub a zijn de vergoedingsbedragen voor de opleidingen
tot gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog,
psychiater in de ggz, klinisch geriater in de ggz en verpleegkundig specialist in
de ggz en verslavingsarts door de NZa vastgesteld. Deze vergoedingsbedragen staan
in Bijlage 1 van deze beleidsregel. Bij de berekening van de beschikbaarheidbijdrage voor deze
opleidingen is met uitzondering van de opleiding tot verslavingsarts rekening gehouden
met de staffel zoals beschreven in artikel 6.7.
c. In afwijking op artikel 10.4 sub a zijn de vergoedingsbedragen voor de arts verstandelijk
gehandicapten, huisarts en specialist ouderengeneeskunde door de NZa vastgesteld.
Deze vergoedingsbijdragen staan in Bijlage 1 van deze beleidsregel.
d. In afwijking op artikel 10.4 sub a is het vergoedingsbedrag voor de sportarts door
de NZa vastgesteld. Dit vergoedingsbedrag staat in Bijlage 1 van deze beleidsregel.
e. Voor specifieke opleidingen van de in artikel 1.22 genoemde werkgevers is per opleiding
een component voor onvoorziene kosten aan het vergoedingsbedrag toegevoegd ter hoogte
van 2% van het vergoedingsbedrag. Indien de algemene reserve per opleiding op 31 december
hoger is dan 10% van de totale omzet uit de beschikbaarheidsbijdrage per opleiding
exclusief de component voor onvoorziene kosten, wordt de component voor onvoorziene
kosten bij de vaststelling in mindering gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.
De instelling dient bij de aanvraag tot vaststelling een jaarrekening in. In de jaarrekening
dient onder het eigen vermogen de algemene reserve te zijn uitgesplitst naar elke
opleiding waarvoor een beschikbaarheidbijdrage is ontvangen, hierbij moet ten minste
een samenstellingsverklaring van de accountant worden overlegd. Indien de organisatie
controleplichtig is dient een goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekening
te worden overlegd.
f. Het aantal gerealiseerde fte per opleiding vermenigvuldigd wordt met het corresponderende
vergoedingsbedrag.
De hoogte van de gerealiseerde fte’s voor de vervolgopleiding tot (medisch) specialist
wordt door de NZa vastgesteld, waarbij:
a. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende
zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal instroomplaatsen en/of
instroom fte (medisch) specialist dat voor die zorgaanbieder in het verdeeloverzicht
is vastgelegd. Als blijkt dat bij één of meerdere opleidingen het aantal aangevraagde
plaatsen en/of fte hoger is dan in het verdeeloverzicht is opgenomen, dan zal de NZa
het aantal personen en/of fte neerwaarts bijstellen tot het maximum van het verdeeloverzicht,
tenzij er sprake is van:
• Een (medisch) specialist in vooropleiding die in het instroomjaar niet de opleiding
volgt bij de opleidende zorgaanbieder waaraan de instroomplaats (medisch) specialist
is toegewezen. De instroomplaatsen van opleidingen met een vooropleiding zijn in het
verdeeloverzicht toegewezen aan de zorgaanbieder waar de eindopleiding wordt gevolgd.
• Vervanging van een (medisch) specialist in opleiding binnen een instroomjaar, waardoor
het totaal aantal personen het verdeeloverzicht kan overschrijden. Het aantal fte
mag in dit geval niet hoger zijn dan in het verdeeloverzicht is opgenomen.
b. Het aantal instroomplaatsen en/of fte (medisch) specialist per opleiding per opleidende
zorgaanbieder niet hoger vastgesteld kan worden dan het aantal opleidingsplaatsen
dat voor die zorgaanbieder in het verdeeloverzicht is vastgelegd, tenzij er sprake
is van onderstaande uitzonderingen. Genoemde uitzonderingen moeten aan de hand van
de hieronder nader gespecificeerde documenten bij de aanvraag worden aangetoond.
De uitzonderingen zijn:
• De ontbinding, vernietiging of nietigheid van een samenwerkingsovereenkomst voor wat
betreft de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e, het intrekken van een opleidingserkenning
van een opleidende zorgaanbieder waardoor een andere opleidende zorgaanbieder een
of meer opleidingsplaatsen boven het verdeeloverzicht kan aanvragen. Hier dient een
besluit van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstituten als genoemd
in de artikelen 1.19 tot en met en 1.21 aan ten grondslag te liggen.
• Faillissement van een opleidende zorgaanbieder, waardoor een andere opleidende zorgaanbieder
een of meer opleidingsplaatsen boven het verdeeloverzicht krijgt toegekend. Hiervoor
is goedkeuring nodig van het nieuwe opleidingsschema door de relevante registratiecommissie
of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen 1.19 tot en met 1.21. Voor de opleidingen
genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat deze goedkeuring door de CRT van de FGzPt moet
worden verleend.
• Fusie van twee of meer opleidende zorgaanbieders waardoor één zorgaanbieder of de
opvolgende rechtspersoon de opleidingsplaatsen krijgt toegewezen. Het totaal aantal
plaatsen en fte’s van de gefuseerde zorgaanbieders kan niet hoger zijn dan het aantal
plaatsen en fte’s van de afzonderlijke zorgaanbieders voor de fusie.
• Overplaatsing van de (medisch) specialist in opleiding door een uitspraak van een
geschillencommissie of een centrale opleidingscommissie vanuit een opleidende zorgaanbieder
naar een andere opleidende zorgaanbieder. De uitspraak moet bij de aanvraag tot vaststelling
gevoegd worden.
c. Het aantal instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen
met een vooropleiding wordt vastgesteld op basis van de aanvraag tot vaststelling.
d. Een (medisch) specialist in opleiding4 een deel van de opleiding buiten Nederland kan volgen als er vooraf toestemming is
van de relevante registratiecommissie of opleidingsinstituut als genoemd in de artikelen
1.19 tot en met 1.21. Voor de opleidingen genoemd in artikel 1.2 sub e geldt dat de
opleidingsinstelling als bedoeld in artikel 1.6 deze toestemming geeft. De CRT van
de FGzPt verwerkt dit in het opleidingsregister.
Voorwaarden zijn:
• Het dienstverband en/of de arbeidsovereenkomst tussen de opleidende zorgaanbieder
en de (medisch) specialist in opleiding moet voortduren;
• De opleiding buiten Nederland is vastgelegd in het opleidingsschema;
• De opleiding buiten Nederland mag niet leiden tot verlenging van de duur van de opleiding.
10.2
De beschikbaarheidbijdrage kan naast de in artikel 9.4 genoemde omstandigheden lager
worden vastgesteld als:
a. Een (medisch) specialist in opleiding (tijdelijk) stopt met de opleiding. Dit wordt
aangemerkt als uitval, ongeacht de reden daarvan. Als uitzondering op het voorgaande
zal de beschikbaarheidbijdrage in ieder geval niet lager worden vastgesteld indien
sprake is van:
• Uitval wegens van ziekte: een zieke (medisch) specialist in opleiding telt mee in
het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loondoorbetalingsverplichting
heeft; of
• onderbreking van de opleiding gedurende een geschil: de periode van onderbreking telt
mee in het gerealiseerde aantal fte indien de zorgaanbieder een loonbetalingsverplichting
heeft.
b. De (medisch) specialist in opleiding tijd besteedt aan activiteiten die buiten de
opleiding vallen, bijvoorbeeld het verrichten van onderzoek.
c. De (medisch) specialist in opleiding vrijstellingen heeft en daardoor eerder gevolgde
onderdelen van de opleiding niet hoeft te volgen.
d. De opleiding (gedeeltelijk) in eigen tijd wordt gevolgd.
e. De (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar in dienst is
bij het Ministerie van Defensie. De opleiding wordt gevolgd bij een zorgaanbieder.
Het salaris van de (medisch) specialist in opleiding of de medisch beroepsbeoefenaar
wordt betaald door het Ministerie van Defensie.
10.3
De NZa houdt er bij de vaststelling van de definitieve beschikbaarheidbijdrage van
de opleidingen tot (medisch) specialist rekening mee dat:
a. Opleidingen niet altijd per 1 januari van het jaar beginnen.
b. Een (medisch) specialist in opleiding die een doorstroomplaats (medisch) specialist
bezet, gedurende het jaar kan wisselen van opleidende zorgaanbieder volgens de regels
van de registratiecommissie. De wijzigingen worden door de NZa verwerkt bij de vaststelling
van de beschikbaarheidbijdrage. Mutaties kunnen alleen plaatsvinden bij doorstroomplaatsen
(medisch) specialist in opleiding, met uitzondering van de situatie als genoemd in
artikel 1.16 sub b.
c. De opleidende zorgaanbieder een aanvraag indient voor vaststelling van de beschikbaarheidbijdrage
van de instroomplaatsen (medisch) specialist van vooropleidingen en opleidingen met
een vooropleiding. Gelet op artikel 6.2 vindt de bekostiging van deze vooropleidingen
en opleidingen met een vooropleiding volledig bij de vaststelling plaats.
d. Een instroomplaats (medisch) specialist in opleiding met een vooropleiding in het
verdeeloverzicht wordt toegewezen aan de opleidende zorgaanbieder waar de eindopleiding
wordt gevolgd.
10.4
De hoogte van de beschikbaarheidbijdrage wordt vastgesteld, waarbij:
a. Het aantal gerealiseerde fte per opleiding wordt bepaald, rekening houdend met de
criteria van de artikelen 10.1 tot en met 10.3. De vergoedingsbedragen, zoals vastgesteld
door de Minister en geïndexeerd door de NZa, worden bepaald per opleiding. Bij de
berekening van de beschikbaarheidbijdrage vergoedingsbedragen wordt er rekening gehouden
met de staffel zoals omschreven in artikel 6, tweede lid van de aanwijzing5.
b. In afwijking op artikel 10.4 sub a zijn de vergoedingsbedragen voor de opleidingen
tot gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut, klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog,
psychiater in de ggz, klinisch geriater in de ggz en verpleegkundig specialist in
de ggz en verslavingsarts door de NZa vastgesteld. Deze vergoedingsbedragen staan
in Bijlage 1 van deze beleidsregel. Bij de berekening van de beschikbaarheidbijdrage voor deze
opleidingen is met uitzondering van de opleiding tot verslavingsarts rekening gehouden
met de staffel zoals beschreven in artikel 6.7.
c. In afwijking op artikel 10.4 sub a zijn de vergoedingsbedragen voor de arts verstandelijk
gehandicapten, huisarts en specialist ouderengeneeskunde door de NZa vastgesteld.
Deze vergoedingsbijdragen staan in Bijlage 1 van deze beleidsregel.
d. In afwijking op artikel 10.4 sub a is het vergoedingsbedrag voor de sportarts door
de NZa vastgesteld. Dit vergoedingsbedrag staat in Bijlage 1 van deze beleidsregel.
e. Voor specifieke opleidingen van de in artikel 1.22 genoemde werkgevers is per opleiding
een component voor onvoorziene kosten aan het vergoedingsbedrag toegevoegd ter hoogte
van 2% van het vergoedingsbedrag. Indien de algemene reserve per opleiding op 31 december
hoger is dan 10% van de totale omzet uit de beschikbaarheidsbijdrage per opleiding
exclusief de component voor onvoorziene kosten, wordt de component voor onvoorziene
kosten bij de vaststelling in mindering gebracht op de beschikbaarheidbijdrage.
De instelling dient bij de aanvraag tot vaststelling een jaarrekening in. In de jaarrekening
dient onder het eigen vermogen de algemene reserve te zijn uitgesplitst naar elke
opleiding waarvoor een beschikbaarheidbijdrage is ontvangen, hierbij moet ten minste
een samenstellingsverklaring van de accountant worden overlegd. Indien de organisatie
controleplichtig is dient een goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekening
te worden overlegd.
f. Het aantal gerealiseerde fte per opleiding vermenigvuldigd wordt met het corresponderende
vergoedingsbedrag.