BWBR0050181
Geldig vanaf 2024-09-03
Artikel 4
Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken AIVD 2024
1. De onder de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ressorterende hoofden van de teams van de Unit Veiligheidsonderzoeken bezitten tekenbevoegdheid ten aanzien van:
a. de in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020 bedoelde bevoegdheid betreffende het afgeven van een verklaring van geen bezwaar.
b. de in artikel 2, eerste lid, onder f, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020 bedoelde bevoegdheid betreffende het doen van mededelingen aan een andere mogendheid of aan een volkenrechtelijke organisatie, dan wel het doen van een kennisgeving;
2. De onder de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ressorterende hoofden van de teams van de Unit Veiligheidsonderzoeken bezitten tekenbevoegdheid ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020bedoelde bevoegdheid betreffende het weigeren van een verklaring van geen bezwaar.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, is de aldaar bedoelde bevoegdheid voorbehouden aan het unithoofd van het Veiligheidsonderzoekenhuis indien een verklaring wordt afgegeven na een aanvankelijk voornemen tot weigeren van deze verklaring.
4. In afwijking van het tweede lid is de aldaar bedoelde bevoegdheid voorbehouden aan de directeur Inlichtingen indien het weigeren volgt op een veiligheidsonderzoek dat verricht is ten behoeve van de afgifte van een verklaring voor beoogd eigen personeel van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
5. In afwijking van het tweede lid is de aldaar bedoelde bevoegdheid voorbehouden aan de directeur Inlichtingen indien bij de uitoefening van deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt van gegevens bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b en c van de Wet veiligheidsonderzoeken.
6. In afwijking van het eerste lid, onder b, is de aldaar bedoelde bevoegdheid voorbehouden aan het unithoofd van het Veiligheidsonderzoekenhuis indien deze mededeling ten opzichte van betrokkene nadelige conclusies bevat.
a. de in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020 bedoelde bevoegdheid betreffende het afgeven van een verklaring van geen bezwaar.
b. de in artikel 2, eerste lid, onder f, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020 bedoelde bevoegdheid betreffende het doen van mededelingen aan een andere mogendheid of aan een volkenrechtelijke organisatie, dan wel het doen van een kennisgeving;
2. De onder de directeur-generaal van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ressorterende hoofden van de teams van de Unit Veiligheidsonderzoeken bezitten tekenbevoegdheid ten aanzien van de in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit tekenbevoegdheid vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken BZK 2020bedoelde bevoegdheid betreffende het weigeren van een verklaring van geen bezwaar.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, is de aldaar bedoelde bevoegdheid voorbehouden aan het unithoofd van het Veiligheidsonderzoekenhuis indien een verklaring wordt afgegeven na een aanvankelijk voornemen tot weigeren van deze verklaring.
4. In afwijking van het tweede lid is de aldaar bedoelde bevoegdheid voorbehouden aan de directeur Inlichtingen indien het weigeren volgt op een veiligheidsonderzoek dat verricht is ten behoeve van de afgifte van een verklaring voor beoogd eigen personeel van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
5. In afwijking van het tweede lid is de aldaar bedoelde bevoegdheid voorbehouden aan de directeur Inlichtingen indien bij de uitoefening van deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk gebruik wordt gemaakt van gegevens bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b en c van de Wet veiligheidsonderzoeken.
6. In afwijking van het eerste lid, onder b, is de aldaar bedoelde bevoegdheid voorbehouden aan het unithoofd van het Veiligheidsonderzoekenhuis indien deze mededeling ten opzichte van betrokkene nadelige conclusies bevat.