BWBR0050095
Artikel 5
Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2025
1
Criteria verstrekking
Aanbieders van academische zorg kunnen in aanmerking komen voor de verstrekking van
een BBAZ indien voldaan is aan de volgende drie cumulatieve criteria:
a. Van het totaal aantal patiënten van een Nederlandse zorgaanbieder op jaarbasis is
minimaal 35% een topreferente patiënt, waarbij een topreferente patiënt voldoet aan
de labelsystematiek, die is ontwikkeld in het ROBIJN-traject; én
b. er is sprake van een bestuurlijk formeel samenwerkingsverband met een Nederlands Instituut
voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek of een Nederlandse geneeskunde faculteit.
Dit samenwerkingsverband wordt ook aanwezig geacht indien beide functies in één organisatie
zijn ondergebracht; én
c. zorgaanbieders moeten voldoen aan de kenmerken uit de huidige definitie van de topreferente
functie waarbij het verrichten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek een belangrijk
element is.
In aanvulling op het bovenstaande geldt:
Ad a) Zorgaanbieders moeten minimaal drie achtereenvolgende jaren het 35% criterium
halen. Hierbij gaat het om de jaren 2018, 2019 en 2022. Als gevolg van de impact van
COVID-19 op de jaren 2020 en 2021 blijven deze jaren buiten beschouwing in de beoordeling.
Voor het toelatingscriterium worden zowel unieke als gedeelde zorgproducten meegeteld
om het percentage topreferente patiënten te berekenen.
Ad b) Tussen de zorgaanbieder en het kennisinstituut moet een formele regeling zijn
overeengekomen door de RvB en RvT van beide instellingen waarmee een gemeenschappelijk
beleidsorgaan is ingesteld. Dit beleidsorgaan heeft als taak doelmatige samenwerking
op het terrein van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen het
kennisinstituut en de zorgaanbieder te bevorderen. Dit beleidsorgaan moet voor de
periode waar de verlening op is gebaseerd bestaan hebben. Het betreffende kennisinstituut
moet zijn genoemd in de subsidieregeling van NWO, dan wel vergelijkbaar zijn wat betreft
belang en omvang.
Er moet sprake zijn van het ontwikkelen en in stand houden van een op kennisoverdracht
gerichte infrastructuur voor de volle breedte van de medisch specialistische zorg.
Er moet sprake zijn van brede uitrol van bewezen innovaties in de zorg (diagnostiek/behandeling).
Ad c) De zorgaanbieder realiseert minimaal een verhouding van 1:10 hoogleraar ten
opzichte van het aantal medische specialisten.
De zorgaanbieder dient tenminste zeven poortspecialismen aanwezig te hebben of structureel
in te huren om de zorg op die poortspecialismen te kunnen garanderen;
De zorgaanbieder dient zorg te leveren in minimaal veertien verschillende zorgproducthoofdgroepen.
De zorgaanbieder vervult de last resort functie. De instelling voert medische verrichtingen
uit bij patiënten die anders uitbehandeld zouden zijn en garandeert deze voorziening.
Dit gebeurt in nauwe afstemming met ontvangers van de BBAZ. De NZa zal dit casuïstisch
beoordelen.
2
Compartimenten
Binnen de BBAZ worden twee compartimenten onderscheiden:
a. Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg niet volledig bekostigd
wordt via prestaties en tarieven;
b. Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg volledig wordt bekostigd
via prestaties en tarieven.
3
Hoogte beschikbaarheidbijdrage
a. De beschikbaarheidbijdrage bestaat uit een vergoeding voor topreferente patiëntenzorg
en het beschikbaar houden van de infrastructuur voor het uitvoeren van fundamenteel
wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de vergoeding bedoeld voor het bedenken,
uittesten en verspreiden van nieuwe behandelingen en diagnostiek en de ontwikkeling
& innovatie die nodig is voor het behandelen van topreferente patiënten.
b. De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment 1 € 989.433.822dit
bedrag is exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC.
c. De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment 2 € 14.213.661
d. Er is € 585.901 bestemd als vergoeding aan het Leids Universitair Medisch Centrum
(LUMC) vanwege haar functie als Nationaal Referentie Centrum Histocompatibiliteitsonderzoek.
e. Naar aanleiding van de fusie tussen het Amsterdam Medisch Centrum en het Vrij Universiteit
Medisch Centrum per 1 januari 2024 is de volgende gefaseerde overgang van toepassing:
Overgangsbedrag
6.509.034
2024 (75% van totaal)
4.881.776
2025 (50% van totaal)
3.254.517
2026 (25% van totaal)
1.627.259
De bedragen zijn afgerond op hele euro’s.
4
Verdeling beschikbare middelen over het variabele en vaste deel compartiment 1
Voor het jaar 2025 is 65% van de totale BBAZ, (exclusief het deel Histocompatibiliteit
voor het LUMC), beschikbaar voor het bekostigen van de topreferente patiëntenzorg
en 35% van de huidige totale BBAZ voor het bekostigen van het vaste ofwel O&I-deel.
Beschikbare middelen
Bedrag in €
Vast deel
€ 346.301.837
Variabel deel
€ 643.131.985
Totaal (excl. histocompatibiliteit)
€ 989.433.822
6
Verlening binnen compartimenten
a. Het variabele deel wordt verdeeld op basis van het aantal topreferente patiënten over
het jaar 2022 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek exclusief patiënten die
uitsluitend unieke zorgproducten ontvangen.
Hiervoor maken we gebruik van DIS data die is aangeleverd tot oktober 2024.
De labels van de labelsystematiek:
1. Patiënten met een hoge behandelintensiteit; het betreft patiënten in een fase in het
ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld.
2. Patiënten die een uniek zorgaanbod nodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag
of de benodigde infrastructuur.
3. Patiënten die multispecialistische zorg nodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor
tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken.
4. Patiënten die een complexe ingreep nodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis
voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan.
5. Patiënten met een zeldzame diagnose die gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op
de 100.000 mensen wordt gesteld.
6. Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (tertiaire verwijzing).
Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden
kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder.
7. Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd
hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met
de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex.
De functionele omschrijving wordt verder doorontwikkeld in overleg met het zorgveld.
De functionele omschrijving c.q. uitwerking van bovenstaande labels is opgenomen in
de bijlage 1 bij deze beleidsregel.
b. Het vaste deel wordt verdeeld op basis van de academische zorgomzet zoals deze blijkt
uit de meest recent vastgestelde enkelvoudige jaarrekeningen. Voorwaarde is dat de
jaarrekeningen van alle rechthebbenden moeten zijn vastgesteld. Indien de academische
zorgomzet niet direct uit de jaarrekeningen volgt vragen we deze informatie aanvullend
op bij de aanbieder en behoudt de NZa zich het recht voor om deze aanvullende informatie
te onderzoeken en toetsen.
c. In afwijking op het uniform kader kan de aanvraag tot verlening tot en met 31 oktober
van jaar t-1 worden ingediend.
d. In het geval van een juridische fusie tussen BBAZ ontvangers is er ten aanzien van
de hoogte van het subsidiebedrag een gefaseerde overgang om schokeffecten te voorkomen.
Dit is alleen het geval indien als gevolg van de fusie de totale BBAZ-subsidie van
de fuserende BBAZ-ontvangers meer dan 1% daalt. Om die daling te berekenen wordt daartoe
het subsidiebedrag voor 2025 van de nieuwe gefuseerde instelling vergeleken met het
de opgetelde subsidiebedragen van de afzonderlijke fusiepartners voor 2024 (berekend
op basis van deze beleidsregel) als er geen fusie zou zijn, dit gebaseerd op de DIS-cijfers
die gehanteerd worden voor de verlening, en dus 2019 voor de toepassing van deze beleidsregel,
en volgens de berekeningswijze van deze beleidsregel.
Het verschil tussen deze twee berekeningen, als het een daling is, noemen we het overgangsbedrag
en wordt bij de verlening in het eerste jaar waarin de fusie een feit is berekend
en later niet meer herrekend als gevolg van recentere DIS-gegevens. Het overgangsbedrag
wordt wel aangepast door indexatie op dezelfde wijze als dat gebeurt met de andere
BBAZ-subsidiebedragen.
Op het totaal beschikbare variabele deel wordt in het eerste subsidiejaar waarin de
fusie een feit is 75 procent van het overgangsbedrag in mindering gebracht, in het
daarop volgende jaar 50 procent en in het daar weer op volgende jaar 25 procent. Het
restant van het beschikbare variabele deel wordt verdeeld volgens deze beleidsregel.
Het op het variabele deel gekorte deel van het overgangsbedrag wordt elk jaar, ná
de verdeling van het restant van het beschikbare variabele budget, toegekend aan de
nieuwe gefuseerde instelling in aanvulling op het bedrag waar de nieuwe gefuseerde
instelling in dat jaar volgens de verdeling op basis van deze beleidsregel recht op
heeft.
7
Verantwoording
a.
Vaste deel
De bijdrage voor het vaste deel wordt verantwoord aan de hand van negen kostencategorieën
op basis van het jaar 2025:
1. innovatie, onder andere gekoppeld aan de innovatiekalender van VWS (sustainable health);
2. ongedekte investeringen ten bate van innovatieve apparatuur en IT;
3. (nog) niet vergoede zorg (nog geen dbc);
4. randvoorwaardelijke voorzieningen in verband met klinisch onderzoek (niet elders vergoed);
5. beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën;
6. kennisdeling en consultatie (regio, 2e lijn, public health);
7. ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen;
8. databankfunctie en big data ontwikkeling;
9. overkoepelende kosten.
b.
Variabele deel
De bijdrage voor het variabele deel wordt verantwoord aan de hand van de meerkosten
voor de topreferente patiënten op basis van de labelsystematiek. Deze worden berekend
door de kosten voor de academische patiënten af te zetten tegen de referentiekostprijs
voor de door de topreferente patiënten ontvangen zorg.
Een instelling waarvoor als gevolg van een fusie artikel 5 lid 6 sub d van toepassing is, dient ook de daar berekende additionele subsidie te verantwoorden.
c.
Algemeen
De verantwoording door de zorgaanbieder wordt gedaan op basis van de nadere regel
en het accountantsprotocol. Bij de verantwoording wordt onderscheid gemaakt in een
variabel en een vast deel. De zorgaanbieder rekent zelf de gerealiseerde kosten toe
aan één van beide delen. De NZa toetst de ingediende verantwoording mede aan de hand
van het vastgestelde accountsprotocol. De methodiek van kostentoerekening moet zijn
gebaseerd op een bestendige gedragslijn over meerdere jaren bij de desbetreffende
zorgaanbieder. Voor deze verantwoordingsmethodiek zijn instructies vastgesteld door
de NZa in het accountantsprotocol. In de specifieke toelichting door de betreffende
zorgaanbieder wordt aangegeven hoe de instructies zijn gevolgd. Indien van de instructies
is afgeweken wordt dit gemotiveerd.
In het geval minder kosten worden verantwoord voor een deel dan vastgesteld zou worden
op basis van de verdelingssystematiek geldt dat wordt vastgesteld op het niveau van
de verantwoorde kosten. Als de vaststellingsbeschikking daarmee lager uitkomt dan
verleend, dient het te veel ontvangen bedrag te worden terugbetaald aan het Zorgverzekeringsfonds.
Dit bedrag wordt vervolgens beschikbaar gesteld voor de BBAZ-ontvangers die meer verantwoord
hebben dan het bedrag dat zij op basis van de oorspronkelijke verdeling voor de vaststelling
zouden ontvangen, maar nooit meer dan de oververantwoording. Het vastgestelde accountantsprotocol
is bedoeld om een integrale verantwoording mogelijk te maken door de zorgaanbieder
van de gerealiseerde kosten op basis van de bekostigingssystematiek voor de academische
zorg.
Indien de NZa gebruik maakt van de uitzonderingssituatie zoals beschreven in artikel 5 lid 8g zal met geen enkele BBAZ-ontvanger hard worden afgerekend over 2025. Hierdoor is
het vastgestelde bedrag in dat geval ook beschikbaar bij onderverantwoording.
d.
Substitutie
Indien voor een jaar meer kosten worden verantwoord dan vastgesteld zou worden geldt
dat deze meerkosten niet in aanmerking komen voor vergoeding. Dit is alleen anders
wanneer in hetzelfde jaar meer kosten zijn gemaakt voor het variabele deel en tegelijkertijd
minder kosten zijn gemaakt voor het vaste deel (of andersom). Voor deze situatie biedt
het accountantsprotocol de mogelijkheid om aan te tonen dat deze meerkosten alsnog
kunnen worden verantwoord als gemaakt ten behoeve van het andere deel en voor vergoeding
in aanmerking moeten komen tot maximaal het totaalbedrag. Als verantwoord is volgens
het geldende accountantsprotocol dan is aangetoond dat de kosten zijn gemaakt. De
beschreven mogelijkheid tot substitutie van kosten tussen de delen maakt integraal
onderdeel uit van de verantwoording op basis van het accountantsprotocol. De kosten
dienen te zijn gemaakt voor activiteiten en voorzieningen die vallen onder academische
zorg. De mogelijkheid tot substitutie van kosten kan er niet voor zorgen dat uiteindelijk
een hoger totaalbedrag wordt vastgesteld dan vastgesteld zou worden op basis van de
verdelingssystematiek.
8
Vaststelling
a. In de vaststelling worden patiënten die uitsluitend unieke dbc-zorgproducten ontvangen
niet meegeteld.
b. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten
in 2023 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data
tot februari 2026 gebruikt.
c. Bij de vaststelling wordt bij de verdeling bij een fusie de methodiek als beschreven
in artikel 5 lid 6 sub d toegepast.
d. Mocht een van de labels ten tijde van de verlening onvoldoende zijn uitontwikkeld
dan wordt dit label ook niet gebruikt bij de vaststelling.
e. Het vaste deel wordt vastgesteld op basis van de academische zorgomzet 2024.
f. Tussentijdse berekening
De NZa zal uiterlijk in het tweede kwartaal van 2025 aan de ontvangers uit het 1e
compartiment inzicht geven in de labelscores per instelling over het jaar 2023. De
NZa zal zodra dit beschikbaar is tevens inzicht geven in de verdeling op basis van
de academische zorgomzet 2024.
g. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten
in 2023 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data
tot februari 2026 gebruikt.
Criteria verstrekking
Aanbieders van academische zorg kunnen in aanmerking komen voor de verstrekking van
een BBAZ indien voldaan is aan de volgende drie cumulatieve criteria:
a. Van het totaal aantal patiënten van een Nederlandse zorgaanbieder op jaarbasis is
minimaal 35% een topreferente patiënt, waarbij een topreferente patiënt voldoet aan
de labelsystematiek, die is ontwikkeld in het ROBIJN-traject; én
b. er is sprake van een bestuurlijk formeel samenwerkingsverband met een Nederlands Instituut
voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek of een Nederlandse geneeskunde faculteit.
Dit samenwerkingsverband wordt ook aanwezig geacht indien beide functies in één organisatie
zijn ondergebracht; én
c. zorgaanbieders moeten voldoen aan de kenmerken uit de huidige definitie van de topreferente
functie waarbij het verrichten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek een belangrijk
element is.
In aanvulling op het bovenstaande geldt:
Ad a) Zorgaanbieders moeten minimaal drie achtereenvolgende jaren het 35% criterium
halen. Hierbij gaat het om de jaren 2018, 2019 en 2022. Als gevolg van de impact van
COVID-19 op de jaren 2020 en 2021 blijven deze jaren buiten beschouwing in de beoordeling.
Voor het toelatingscriterium worden zowel unieke als gedeelde zorgproducten meegeteld
om het percentage topreferente patiënten te berekenen.
Ad b) Tussen de zorgaanbieder en het kennisinstituut moet een formele regeling zijn
overeengekomen door de RvB en RvT van beide instellingen waarmee een gemeenschappelijk
beleidsorgaan is ingesteld. Dit beleidsorgaan heeft als taak doelmatige samenwerking
op het terrein van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen het
kennisinstituut en de zorgaanbieder te bevorderen. Dit beleidsorgaan moet voor de
periode waar de verlening op is gebaseerd bestaan hebben. Het betreffende kennisinstituut
moet zijn genoemd in de subsidieregeling van NWO, dan wel vergelijkbaar zijn wat betreft
belang en omvang.
Er moet sprake zijn van het ontwikkelen en in stand houden van een op kennisoverdracht
gerichte infrastructuur voor de volle breedte van de medisch specialistische zorg.
Er moet sprake zijn van brede uitrol van bewezen innovaties in de zorg (diagnostiek/behandeling).
Ad c) De zorgaanbieder realiseert minimaal een verhouding van 1:10 hoogleraar ten
opzichte van het aantal medische specialisten.
De zorgaanbieder dient tenminste zeven poortspecialismen aanwezig te hebben of structureel
in te huren om de zorg op die poortspecialismen te kunnen garanderen;
De zorgaanbieder dient zorg te leveren in minimaal veertien verschillende zorgproducthoofdgroepen.
De zorgaanbieder vervult de last resort functie. De instelling voert medische verrichtingen
uit bij patiënten die anders uitbehandeld zouden zijn en garandeert deze voorziening.
Dit gebeurt in nauwe afstemming met ontvangers van de BBAZ. De NZa zal dit casuïstisch
beoordelen.
2
Compartimenten
Binnen de BBAZ worden twee compartimenten onderscheiden:
a. Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg niet volledig bekostigd
wordt via prestaties en tarieven;
b. Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg volledig wordt bekostigd
via prestaties en tarieven.
3
Hoogte beschikbaarheidbijdrage
a. De beschikbaarheidbijdrage bestaat uit een vergoeding voor topreferente patiëntenzorg
en het beschikbaar houden van de infrastructuur voor het uitvoeren van fundamenteel
wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de vergoeding bedoeld voor het bedenken,
uittesten en verspreiden van nieuwe behandelingen en diagnostiek en de ontwikkeling
& innovatie die nodig is voor het behandelen van topreferente patiënten.
b. De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment 1 € 989.433.822dit
bedrag is exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC.
c. De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment 2 € 14.213.661
d. Er is € 585.901 bestemd als vergoeding aan het Leids Universitair Medisch Centrum
(LUMC) vanwege haar functie als Nationaal Referentie Centrum Histocompatibiliteitsonderzoek.
e. Naar aanleiding van de fusie tussen het Amsterdam Medisch Centrum en het Vrij Universiteit
Medisch Centrum per 1 januari 2024 is de volgende gefaseerde overgang van toepassing:
Overgangsbedrag
6.509.034
2024 (75% van totaal)
4.881.776
2025 (50% van totaal)
3.254.517
2026 (25% van totaal)
1.627.259
De bedragen zijn afgerond op hele euro’s.
4
Verdeling beschikbare middelen over het variabele en vaste deel compartiment 1
Voor het jaar 2025 is 65% van de totale BBAZ, (exclusief het deel Histocompatibiliteit
voor het LUMC), beschikbaar voor het bekostigen van de topreferente patiëntenzorg
en 35% van de huidige totale BBAZ voor het bekostigen van het vaste ofwel O&I-deel.
Beschikbare middelen
Bedrag in €
Vast deel
€ 346.301.837
Variabel deel
€ 643.131.985
Totaal (excl. histocompatibiliteit)
€ 989.433.822
6
Verlening binnen compartimenten
a. Het variabele deel wordt verdeeld op basis van het aantal topreferente patiënten over
het jaar 2022 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek exclusief patiënten die
uitsluitend unieke zorgproducten ontvangen.
Hiervoor maken we gebruik van DIS data die is aangeleverd tot oktober 2024.
De labels van de labelsystematiek:
1. Patiënten met een hoge behandelintensiteit; het betreft patiënten in een fase in het
ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld.
2. Patiënten die een uniek zorgaanbod nodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag
of de benodigde infrastructuur.
3. Patiënten die multispecialistische zorg nodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor
tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken.
4. Patiënten die een complexe ingreep nodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis
voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan.
5. Patiënten met een zeldzame diagnose die gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op
de 100.000 mensen wordt gesteld.
6. Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (tertiaire verwijzing).
Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden
kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder.
7. Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd
hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met
de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex.
De functionele omschrijving wordt verder doorontwikkeld in overleg met het zorgveld.
De functionele omschrijving c.q. uitwerking van bovenstaande labels is opgenomen in
de bijlage 1 bij deze beleidsregel.
b. Het vaste deel wordt verdeeld op basis van de academische zorgomzet zoals deze blijkt
uit de meest recent vastgestelde enkelvoudige jaarrekeningen. Voorwaarde is dat de
jaarrekeningen van alle rechthebbenden moeten zijn vastgesteld. Indien de academische
zorgomzet niet direct uit de jaarrekeningen volgt vragen we deze informatie aanvullend
op bij de aanbieder en behoudt de NZa zich het recht voor om deze aanvullende informatie
te onderzoeken en toetsen.
c. In afwijking op het uniform kader kan de aanvraag tot verlening tot en met 31 oktober
van jaar t-1 worden ingediend.
d. In het geval van een juridische fusie tussen BBAZ ontvangers is er ten aanzien van
de hoogte van het subsidiebedrag een gefaseerde overgang om schokeffecten te voorkomen.
Dit is alleen het geval indien als gevolg van de fusie de totale BBAZ-subsidie van
de fuserende BBAZ-ontvangers meer dan 1% daalt. Om die daling te berekenen wordt daartoe
het subsidiebedrag voor 2025 van de nieuwe gefuseerde instelling vergeleken met het
de opgetelde subsidiebedragen van de afzonderlijke fusiepartners voor 2024 (berekend
op basis van deze beleidsregel) als er geen fusie zou zijn, dit gebaseerd op de DIS-cijfers
die gehanteerd worden voor de verlening, en dus 2019 voor de toepassing van deze beleidsregel,
en volgens de berekeningswijze van deze beleidsregel.
Het verschil tussen deze twee berekeningen, als het een daling is, noemen we het overgangsbedrag
en wordt bij de verlening in het eerste jaar waarin de fusie een feit is berekend
en later niet meer herrekend als gevolg van recentere DIS-gegevens. Het overgangsbedrag
wordt wel aangepast door indexatie op dezelfde wijze als dat gebeurt met de andere
BBAZ-subsidiebedragen.
Op het totaal beschikbare variabele deel wordt in het eerste subsidiejaar waarin de
fusie een feit is 75 procent van het overgangsbedrag in mindering gebracht, in het
daarop volgende jaar 50 procent en in het daar weer op volgende jaar 25 procent. Het
restant van het beschikbare variabele deel wordt verdeeld volgens deze beleidsregel.
Het op het variabele deel gekorte deel van het overgangsbedrag wordt elk jaar, ná
de verdeling van het restant van het beschikbare variabele budget, toegekend aan de
nieuwe gefuseerde instelling in aanvulling op het bedrag waar de nieuwe gefuseerde
instelling in dat jaar volgens de verdeling op basis van deze beleidsregel recht op
heeft.
7
Verantwoording
a.
Vaste deel
De bijdrage voor het vaste deel wordt verantwoord aan de hand van negen kostencategorieën
op basis van het jaar 2025:
1. innovatie, onder andere gekoppeld aan de innovatiekalender van VWS (sustainable health);
2. ongedekte investeringen ten bate van innovatieve apparatuur en IT;
3. (nog) niet vergoede zorg (nog geen dbc);
4. randvoorwaardelijke voorzieningen in verband met klinisch onderzoek (niet elders vergoed);
5. beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën;
6. kennisdeling en consultatie (regio, 2e lijn, public health);
7. ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen;
8. databankfunctie en big data ontwikkeling;
9. overkoepelende kosten.
b.
Variabele deel
De bijdrage voor het variabele deel wordt verantwoord aan de hand van de meerkosten
voor de topreferente patiënten op basis van de labelsystematiek. Deze worden berekend
door de kosten voor de academische patiënten af te zetten tegen de referentiekostprijs
voor de door de topreferente patiënten ontvangen zorg.
Een instelling waarvoor als gevolg van een fusie artikel 5 lid 6 sub d van toepassing is, dient ook de daar berekende additionele subsidie te verantwoorden.
c.
Algemeen
De verantwoording door de zorgaanbieder wordt gedaan op basis van de nadere regel
en het accountantsprotocol. Bij de verantwoording wordt onderscheid gemaakt in een
variabel en een vast deel. De zorgaanbieder rekent zelf de gerealiseerde kosten toe
aan één van beide delen. De NZa toetst de ingediende verantwoording mede aan de hand
van het vastgestelde accountsprotocol. De methodiek van kostentoerekening moet zijn
gebaseerd op een bestendige gedragslijn over meerdere jaren bij de desbetreffende
zorgaanbieder. Voor deze verantwoordingsmethodiek zijn instructies vastgesteld door
de NZa in het accountantsprotocol. In de specifieke toelichting door de betreffende
zorgaanbieder wordt aangegeven hoe de instructies zijn gevolgd. Indien van de instructies
is afgeweken wordt dit gemotiveerd.
In het geval minder kosten worden verantwoord voor een deel dan vastgesteld zou worden
op basis van de verdelingssystematiek geldt dat wordt vastgesteld op het niveau van
de verantwoorde kosten. Als de vaststellingsbeschikking daarmee lager uitkomt dan
verleend, dient het te veel ontvangen bedrag te worden terugbetaald aan het Zorgverzekeringsfonds.
Dit bedrag wordt vervolgens beschikbaar gesteld voor de BBAZ-ontvangers die meer verantwoord
hebben dan het bedrag dat zij op basis van de oorspronkelijke verdeling voor de vaststelling
zouden ontvangen, maar nooit meer dan de oververantwoording. Het vastgestelde accountantsprotocol
is bedoeld om een integrale verantwoording mogelijk te maken door de zorgaanbieder
van de gerealiseerde kosten op basis van de bekostigingssystematiek voor de academische
zorg.
Indien de NZa gebruik maakt van de uitzonderingssituatie zoals beschreven in artikel 5 lid 8g zal met geen enkele BBAZ-ontvanger hard worden afgerekend over 2025. Hierdoor is
het vastgestelde bedrag in dat geval ook beschikbaar bij onderverantwoording.
d.
Substitutie
Indien voor een jaar meer kosten worden verantwoord dan vastgesteld zou worden geldt
dat deze meerkosten niet in aanmerking komen voor vergoeding. Dit is alleen anders
wanneer in hetzelfde jaar meer kosten zijn gemaakt voor het variabele deel en tegelijkertijd
minder kosten zijn gemaakt voor het vaste deel (of andersom). Voor deze situatie biedt
het accountantsprotocol de mogelijkheid om aan te tonen dat deze meerkosten alsnog
kunnen worden verantwoord als gemaakt ten behoeve van het andere deel en voor vergoeding
in aanmerking moeten komen tot maximaal het totaalbedrag. Als verantwoord is volgens
het geldende accountantsprotocol dan is aangetoond dat de kosten zijn gemaakt. De
beschreven mogelijkheid tot substitutie van kosten tussen de delen maakt integraal
onderdeel uit van de verantwoording op basis van het accountantsprotocol. De kosten
dienen te zijn gemaakt voor activiteiten en voorzieningen die vallen onder academische
zorg. De mogelijkheid tot substitutie van kosten kan er niet voor zorgen dat uiteindelijk
een hoger totaalbedrag wordt vastgesteld dan vastgesteld zou worden op basis van de
verdelingssystematiek.
8
Vaststelling
a. In de vaststelling worden patiënten die uitsluitend unieke dbc-zorgproducten ontvangen
niet meegeteld.
b. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten
in 2023 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data
tot februari 2026 gebruikt.
c. Bij de vaststelling wordt bij de verdeling bij een fusie de methodiek als beschreven
in artikel 5 lid 6 sub d toegepast.
d. Mocht een van de labels ten tijde van de verlening onvoldoende zijn uitontwikkeld
dan wordt dit label ook niet gebruikt bij de vaststelling.
e. Het vaste deel wordt vastgesteld op basis van de academische zorgomzet 2024.
f. Tussentijdse berekening
De NZa zal uiterlijk in het tweede kwartaal van 2025 aan de ontvangers uit het 1e
compartiment inzicht geven in de labelscores per instelling over het jaar 2023. De
NZa zal zodra dit beschikbaar is tevens inzicht geven in de verdeling op basis van
de academische zorgomzet 2024.
g. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten
in 2023 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data
tot februari 2026 gebruikt.