BWBR0050020
Artikel 5
Beleidsregel geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen
1
Tariefsoort
Er gelden maximumtarieven voor de prestaties:
â Zorg zoals specialisten ouderengeneeskunde bieden;
â Zorg zoals artsen verstandelijk gehandicapten bieden;
â Zorg zoals gedragswetenschappers bieden;
â Zorgtraject kwetsbare patiënten startfase;
â Zorgtraject kwetsbare patiënten vervolgfase. Er gelden vrije tarieven voor de prestaties:
â Paramedische zorg;
â Onderlinge dienstverlening.
2
Totstandkoming tarieven
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2, 4.3 en 4.9, 4.11 en 4.12 zijn gebaseerd op het kostenonderzoek gzsp en Wlz-mpt
uit 2024. In het âVerantwoordingsdocument Kostenonderzoek geneeskundige zorg voor
specifieke patiëntgroepen en Wlz modulair pakket thuisâ zijn de tariefonderbouwingen
nader uitgewerkt. Het âVerantwoordingsdocument Kostenonderzoek geneeskundige zorg
voor specifieke patiëntgroepen en Wlz modulair pakket thuisâ is opgenomen als bijlage
bij deze beleidsregel.
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn herijkt naar aanleiding van het kostenonderzoek geneeskundige
zorg voor specifieke patiëntgroepen uit 2021. De onderbouwing van deze maximumtarieven
staat in het âVerantwoordingsdocument gzsp/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep
en sglvg)â, dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
In de tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 is een opslag van 1,17% opgenomen voor de vergoeding van het gederfde
rendement op eigen vermogen (VGREV), om de kosten voor een financiële reserve te vergoeden.
In de tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2, 4.3 en 4.9,
4.11 en 4.12 is een opslag van 2,24% opgenomen als VGREV. Jaarlijks vindt een aanpassing
(indexering) van de tarieven plaats. De wijze van indexeren is geregeld in artikel
5.4.
3
Max-maxtarieven
De maximumtarieven, berekend op basis van artikel 5.2, kunnen ten hoogste met 10%
worden verhoogd indien hier een schriftelijke overeenkomst tussen de betreffende zorgaanbieder
en zorgverzekeraar aan ten grondslag ligt. Met dit aanvullende maximum kunnen zorgverzekeraars
en zorgaanbieders extra afspraken maken op het gebied van innovatie en kwaliteit.
Dit zogenaamde max-maxtarief kan uitsluitend in rekening worden gebracht aan (a) de
zorgverzekeraar met wie het verhoogde maximumtarief is overeengekomen of (b) de verzekerde
ten behoeve van wie een zorgverzekering met betrekking tot de geneeskundige zorg voor
specifieke patiëntgroepen is gesloten bij een zorgverzekeraar met wie een zodanig
verhoogd maximumtarief schriftelijk is overeengekomen.
Een tarief dat niet hoger is dan berekend op basis van artikel 5.2 kan aan eenieder
in rekening worden gebracht.
4
Indexatie
De tarieven worden jaarlijks trendmatig aangepast voor de ontwikkeling van de loonkosten,
materiële kosten en kapitaallasten.
â De loonkosten worden geïndexeerd op basis van de door het Ministerie van VWS aangegeven
Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA).
â Voor de materiële kosten wordt aangesloten bij het prijsindexcijfer particuliere consumptie
uit het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau (CEP).
â De kapitaallasten worden geïndexeerd op basis van de gezondheidszorgindex (voorheen:
bouwkostenindex) van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk
onderzoek (TNO). Deze TNO-gezondheidszorgindex vult de NZa aan met een prognose voor
de ontwikkeling in de bouwkosten voor het lopende jaar. De prognose is gebaseerd op
het Centraal Economisch Plan, dat uitgebracht wordt door het Centraal Plan Bureau
(CBP).
â Met de brief van 20 september 2022 (kenmerk 3434939-1035019-FEZ) heeft VWS de NZa
opdracht gegeven om voor de tariefberekening 2023 incidenteel aan te sluiten op de
ramingen uit de Macro Economische Verkenningen van het Centraal Planbureau. Dit geldt
zowel voor de personele index als de materiële index.
â De toe te passen index is het gewogen gemiddelde van de loon-, materiële- en kapitaalindices,
waarbij wordt uitgegaan van de volgende verhoudingspercentages:
â Voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2 en 4.3 en 4.9, 4.11 en 4.12 wordt de indexatie toegepast op de onderdelen loon
(met de OVA index) en overige kosten (met de prijsindexcijfer particuliere consumptie).
â Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn de verhoudingspercentages tussen loon- en materiële kosten
en kapitaallasten terug te vinden in het âVerantwoordingsdocument gzsp/Wlz-behandelprestaties
(zorg in een groep en sglvg), dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
Tariefsoort
Er gelden maximumtarieven voor de prestaties:
â Zorg zoals specialisten ouderengeneeskunde bieden;
â Zorg zoals artsen verstandelijk gehandicapten bieden;
â Zorg zoals gedragswetenschappers bieden;
â Zorgtraject kwetsbare patiënten startfase;
â Zorgtraject kwetsbare patiënten vervolgfase. Er gelden vrije tarieven voor de prestaties:
â Paramedische zorg;
â Onderlinge dienstverlening.
2
Totstandkoming tarieven
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2, 4.3 en 4.9, 4.11 en 4.12 zijn gebaseerd op het kostenonderzoek gzsp en Wlz-mpt
uit 2024. In het âVerantwoordingsdocument Kostenonderzoek geneeskundige zorg voor
specifieke patiëntgroepen en Wlz modulair pakket thuisâ zijn de tariefonderbouwingen
nader uitgewerkt. Het âVerantwoordingsdocument Kostenonderzoek geneeskundige zorg
voor specifieke patiëntgroepen en Wlz modulair pakket thuisâ is opgenomen als bijlage
bij deze beleidsregel.
De tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn herijkt naar aanleiding van het kostenonderzoek geneeskundige
zorg voor specifieke patiëntgroepen uit 2021. De onderbouwing van deze maximumtarieven
staat in het âVerantwoordingsdocument gzsp/Wlz-behandelprestaties (zorg in een groep
en sglvg)â, dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.
In de tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 is een opslag van 1,17% opgenomen voor de vergoeding van het gederfde
rendement op eigen vermogen (VGREV), om de kosten voor een financiële reserve te vergoeden.
In de tarieven voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2, 4.3 en 4.9,
4.11 en 4.12 is een opslag van 2,24% opgenomen als VGREV. Jaarlijks vindt een aanpassing
(indexering) van de tarieven plaats. De wijze van indexeren is geregeld in artikel
5.4.
3
Max-maxtarieven
De maximumtarieven, berekend op basis van artikel 5.2, kunnen ten hoogste met 10%
worden verhoogd indien hier een schriftelijke overeenkomst tussen de betreffende zorgaanbieder
en zorgverzekeraar aan ten grondslag ligt. Met dit aanvullende maximum kunnen zorgverzekeraars
en zorgaanbieders extra afspraken maken op het gebied van innovatie en kwaliteit.
Dit zogenaamde max-maxtarief kan uitsluitend in rekening worden gebracht aan (a) de
zorgverzekeraar met wie het verhoogde maximumtarief is overeengekomen of (b) de verzekerde
ten behoeve van wie een zorgverzekering met betrekking tot de geneeskundige zorg voor
specifieke patiëntgroepen is gesloten bij een zorgverzekeraar met wie een zodanig
verhoogd maximumtarief schriftelijk is overeengekomen.
Een tarief dat niet hoger is dan berekend op basis van artikel 5.2 kan aan eenieder
in rekening worden gebracht.
4
Indexatie
De tarieven worden jaarlijks trendmatig aangepast voor de ontwikkeling van de loonkosten,
materiële kosten en kapitaallasten.
â De loonkosten worden geïndexeerd op basis van de door het Ministerie van VWS aangegeven
Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA).
â Voor de materiële kosten wordt aangesloten bij het prijsindexcijfer particuliere consumptie
uit het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau (CEP).
â De kapitaallasten worden geïndexeerd op basis van de gezondheidszorgindex (voorheen:
bouwkostenindex) van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk
onderzoek (TNO). Deze TNO-gezondheidszorgindex vult de NZa aan met een prognose voor
de ontwikkeling in de bouwkosten voor het lopende jaar. De prognose is gebaseerd op
het Centraal Economisch Plan, dat uitgebracht wordt door het Centraal Plan Bureau
(CBP).
â Met de brief van 20 september 2022 (kenmerk 3434939-1035019-FEZ) heeft VWS de NZa
opdracht gegeven om voor de tariefberekening 2023 incidenteel aan te sluiten op de
ramingen uit de Macro Economische Verkenningen van het Centraal Planbureau. Dit geldt
zowel voor de personele index als de materiële index.
â De toe te passen index is het gewogen gemiddelde van de loon-, materiële- en kapitaalindices,
waarbij wordt uitgegaan van de volgende verhoudingspercentages:
â Voor de prestaties zoals beschreven in artikel 4.1, 4.2 en 4.3 en 4.9, 4.11 en 4.12 wordt de indexatie toegepast op de onderdelen loon
(met de OVA index) en overige kosten (met de prijsindexcijfer particuliere consumptie).
â Voor de prestatie zoals beschreven in artikel 4.5, 4.6, 4.7 en 4.8 zijn de verhoudingspercentages tussen loon- en materiële kosten
en kapitaallasten terug te vinden in het âVerantwoordingsdocument gzsp/Wlz-behandelprestaties
(zorg in een groep en sglvg), dat als bijlage bij deze beleidsregel is opgenomen.