BWBR0050015
Artikel 5
Beleidsregel jeugdtandverzorging instellingen
5.1 Tariefaanvraag
Om rechtsgeldig een individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice
(met prestatiecode JTV010) en/of de instellingstoeslag (met prestatiecode JTV001)
in rekening te kunnen brengen moet de instelling voor jeugdtandverzorging hiervoor
een rechtsgeldige tariefbeschikking van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben
gekregen. Hiertoe dient de instelling voor jeugdtandverzorging jaarlijks, samen met
twee representerende zorgverzekeraars, een aanvraag in. Voor het tariefverzoek moet
de begroting van verwachte kosten en productie van de haal- en/of brengservice, de
onderbouwing voor de hoogte van de overeengekomen instellingstoeslag en de overeenkomst
met de zorgverzekeraars worden meegestuurd.
5.2 Voorwaarden individueel vast toeslagtarief haal- en/of brengservice en instellingstoeslag
Een (nieuw) individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice en de
instellingstoeslag wordt alleen afgegeven indien de instelling minimaal een verzoek
tot definitieve verrekening van het jaar (t-2) en voorafgaande jaren heeft ingediend
(zie hierna onder paragraaf 5.6).
5.3 Berekening van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice
5.3.1 Tariefberekening
De hoogte van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice
wordt berekend door de totale begrote aanvaardbare kosten voor de haal- en/of brengservice
te delen door het aantal periodieke controles bij patiënten die gebruik maken van
de haal- en/of brengservice. Het toeslagtarief is een individueel vast tarief per
instelling.
Een instelling voor jeugdtandverzorging mag in combinatie met een periodieke controle
van een patiënt tot 18 jaar (C001 of C002) een tarieftoeslag voor de haal- en/of brengservice
in rekening brengen.
5.3.2 Toetsingskader
Haalservice
De kosten voor de haalservice worden vooraf per instelling bepaald op basis van een
begroting van de totale, verwachte kosten voor het vervoer van de patiënten van de
(basis)school naar de behandelplaats en terug.
Aanvaardbaar zijn de totale kosten van het vervoer van de patiënten van de (basis)school
naar de behandelplaats en terug (zowel in eigen beheer als niet in eigen beheer) tot
maximaal de kosten indien dit vervoer door derden zou worden verzorgd. De maximumbedragen
luiden als volgt (definitief niveau 2024):
zitplaatscapaciteit rijdend materieel
per inzetdag
rijdend materieel
per gereden km rijdend materieel
per chauffeursuur
t/m 8 zitplaatsen
minibus
rolstoelbus
€ 101,27
€ 115,90
€ 0,34
€ 0,34
€ 31,21
€ 31,28
9-26 zitplaatsen
€ 154,53
€ 0,45
€ 40,22
Deze bedragen zijn exclusief BTW.
De bedragen per inzetdag of per gereden kilometer rijdend materieel worden jaarlijks
aangepast met de prijsstijging particuliere consumptie (ppc) volgens het Centraal
Economisch Plan (CEP). De bedragen per chauffeursuur worden jaarlijks aangepast op
basis van de door de Minister van VWS voor het betreffende jaar aangegeven overheidsbijdrage
in de arbeidskostenontwikkeling (ova).
De totale, werkelijke salariskosten van een chauffeur bedraagt maximaal € 45.904,-
en van een begeleider maximaal € 41.249,- per jaar op fulltime basis (definitief niveau
2024). Deze bedragen worden jaarlijks aangepast met de mutatie volgens het ova-percentage.
De kosten voor de haalservice kunnen maximaal worden verhoogd met een toeslagpercentage
van 15% voor overheadkosten.
Brengservice
De kosten voor de brengservice worden vooraf per instelling bepaald op basis van een
begroting van het verschil tussen de totale, werkelijke exploitatiekosten (inclusief
kosten van instrumentarium) per (tandarts)stoel in een dental-car of andere mobiele
praktijkruimte van de desbetreffende dienst en het jaarlijks vast te stellen franchisebedrag
per stoel.
Het franchisebedrag bedraagt € 29.618,- (definitief niveau 2024). Het franchisebedrag
per stoel wordt jaarlijks aangepast met de mutatie volgens het ppc-percentage.
Indien de exploitatiekosten per stoel hoger zijn dan het franchisebedrag per stoel
kan het verschil maximaal worden verhoogd met een toeslagpercentage van 15% voor overheadkosten.
De NZa zal de bedragen van het toetsingskader voor het individueel vast toeslagtarief
voor de haal- en/of brengservice jaarlijks per 1 januari van het jaar (t+1) actualiseren
voor de loon- en prijsstijgingen volgens de betreffende indexen. De wijze van indexeren
is geregeld in de Beleidsregel indexering.
5.4 Instellingstoeslag
De tarieven voor tandheelkundige hulp aan jeugdige patiënten tot 18 jaar, met uitzondering
van de techniekkosten, kosten implantanten, stiften, laboratoriumkosten en materiaalkosten
voor regeneratietechnieken, kunnen worden verhoogd met een instellingstoeslag van
maximaal 10% voor de behandeling van risicogroepen. Voorwaarde hiervoor is dat de
NZa op grond van een onderbouwde aanvraag hiervoor een tariefbeschikking heeft afgegeven.
5.5 Nacalculatie
Op grond van de hierboven vastgelegde systematiek wordt een individueel vast toeslagtarief
voor de haal- en/of brengservice op voorcalculatorisch niveau jaar t vastgesteld.
Achteraf vindt een verrekening plaats van de daadwerkelijke kosten en productie jaar
t, rekening houdend met het in artikel 5.3.2 beschreven toetsingskader. De wijze van
verrekening is afhankelijk van de hieronder beschreven situaties:
a. De instelling blijft tandheelkundige hulp aan patiënten tot 18 jaar leveren op basis
van het individueel vast toeslagtarief (JTV010)
Het verschil tussen het voorcalculatorische tariefniveau jaar t en het definitieve
tariefniveau jaar t leidt tot vaststelling van een te verrekenen bedrag jaar t (tekort
of overschot). De hoogte van het te verrekenen bedrag zal worden verrekend via een
tijdelijke toeslag of aftrek op het individueel vast toeslagtarief voor jaar t+1 of
jaar t+2.
b. De instelling fuseert met een andere instelling en levert de tandheelkundige zorg
aan patiënten tot 18 jaar op basis van het individueel vast toeslagtarief (JTV010)
van de overnemende instelling
Het verschil tussen het voorcalculatorische tariefniveau jaar t en het definitieve
tariefniveau jaar t van de overgenomen instelling leidt tot vaststelling van een te
verrekenen bedrag jaar t (tekort of overschot). De hoogte van het te verrekenen bedrag
voor de overgenomen instelling zal worden verrekend via een tijdelijke toeslag of
aftrek op het individueel vast toeslagtarief van de overnemende instelling voor jaar
t+1 of jaar t+2.
c. De instelling blijft tandheelkundige zorg aan patiënten tot 18 jaar leveren op basis
van alleen de instellingstoeslag (JTV001)
Het verschil tussen het voorcalculatorische tariefniveau jaar t en het definitieve
tariefniveau jaar t leidt tot vaststelling van een te verrekenen bedrag jaar t (tekort
of overschot).
c.1 Bij een opbrengsttekort:
De NZa legt op basis van artikel 56b Wmg de definitieve verrekenbedragen jaar t vast in een individuele tariefbeschikking
voor de instelling. Op basis van deze beschikking kan de instelling het door de NZa
berekende (resterende) opbrengsttekort in rekening brengen bij de zorgverzekeraar.
De NZa berekent het definitief in rekening te brengen bedrag per zorgverzekeraar naar
rato van hun definitieve marktaandeel bij de instelling. De instelling overlegt per
zorgverzekeraar de opbrengsten uit de gedeclareerde tarieven. Op basis van deze gegevens
berekent de NZa per instelling de marktaandelen per zorgverzekeraar.
c.2 Bij een opbrengstoverschot:
De NZa legt op basis van artikel 56b Wmg de definitieve vereffeningsbedragen jaar t vast in een individuele tariefbeschikking
voor de instelling. Op basis van deze beschikking kan de zorgverzekeraar het door
de NZa berekende (resterende) opbrengstoverschot bij de instelling terug doen vorderen.
De NZa berekent het definitief terug te vorderen bedrag per zorgverzekeraar naar rato
van hun definitieve marktaandeel bij de instelling. De instelling overlegt per zorgverzekeraar
de opbrengsten uit de gedeclareerde tarieven. Op basis van deze gegevens berekent
de NZa per instelling de marktaandelen per zorgverzekeraar.
d. De instelling gaat failliet of stopt met het leveren van tandheelkundige zorg aan
patiënten tot 18 jaar
Indien de rechtbank het faillissement van de instelling uitspreekt en een curator
benoemt, legt de NZa op verzoek van de failliete instelling, de namens de failliete
instelling handelende curator of de zorgverzekeraar op basis van artikel 56b Wmg de definitieve verrekenbedragen jaar t vast in een individuele tariefbeschikking
voor de instelling. De NZa berekent zowel in het geval van faillissement of het stoppen
met de zorglevering het definitief terug te vorderen bedrag (bij een opbrengstoverschot)
of het in rekening te brengen bedrag (bij een opbrengsttekort) per zorgverzekeraar
naar rato van hun definitieve marktaandeel bij de instelling. De instelling overlegt
per zorgverzekeraar de opbrengsten uit de gedeclareerde tarieven. Op basis van deze
gegevens berekent de NZa per instelling de marktaandelen per zorgverzekeraar.
Ten behoeve van de nacalculatie dient de instelling voor jeugdtandverzorging de jaarrekening
over het jaar t alsmede het bijbehorende verantwoordingsformulier te overleggen. De
jaarrekening en het bijbehorende verantwoordingsformulier bevat de volgende, door
een (externe) accountant gecontroleerde cijfers;
– De totale opbrengsten, uitgesplitst naar tandheelkundige verrichtingen en tandtechnische
werkzaamheden;
– De totale exploitatiekosten;
– Het aantal gedeclareerde toeslagen;
– Het aantal behandelde kinderen.
De verantwoordelijkheid van de accountant is daarbij het geven van een oordeel over
de jaarrekening op basis van zijn controle. Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden
ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de
jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant
toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s van fraude
of fouten. Uiteindelijk zal de accountant op basis van zijn controlewerkzaamheden
een oordeel moeten geven of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte
en de samenstelling van het vermogen en van het resultaat.
Instellingen voor jeugdtandverzorging die niet zelfstandig opereren en op grond van
(andere) wet- en regelgeving niet verplicht zijn om een alleen op deze instelling
voor jeugdtandverzorging betrekking hebbende jaarrekening op te stellen, dienen –
in plaats van de jaarrekening – minimaal een door een (externe) accountant opgesteld
rapport van feitelijke bevindingen ten aanzien van de hierboven genoemde gegevens
te verstrekken. Het rapport van feitelijke bevindingen moet voldoende gedetailleerd
een beschrijving van het doel en van de overeengekomen werkzaamheden geven, teneinde
de gebruiker in staat te stellen de aard en de reikwijdte van de uitgevoerde werkzaamheden
te begrijpen.
5.6 Vaststelling individueel vast toeslagtarief haal- en/of brengservice én instellingstoeslag
De NZa geeft jaarlijks aan een instelling, op aanvraag en na goedkeuring, een individueel
vast toeslagtarief af vóór 1 januari van het jaar (t+1). Hiervoor dient de tariefaanvraag
door instelling en representerende zorgverzekeraars uiterlijk 1 oktober in het jaar
(t) tweezijdig en volledig te zijn ingediend.
Instelling en representerende zorgverzekeraars kunnen vóór 1 december van het jaar
(t) een onderbouwd verzoek tot verlenging van de lopende tariefbeschikking indienen.
De NZa kan daarop de geldigheidsduur van de lopende tariefbeschikking met maximaal
zes maanden verlengen tot uiterlijk 1 juli van het jaar (t+1).
Indien instelling en representerende zorgverzekeraars verzuimen het verzoek tot vaststelling
van het individueel vast toeslagtarief haal- en/of brengservice én instellingstoeslag
tijdig in te dienen of de verlenging van de geldigheidsduur van de lopende tariefbeschikking
is ontoereikend, geldt dat de instelling voor jeugdtandverzorging geen recht meer
heeft op declaratie van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice
en/of de instellingstoeslag.
Om rechtsgeldig een individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice
(met prestatiecode JTV010) en/of de instellingstoeslag (met prestatiecode JTV001)
in rekening te kunnen brengen moet de instelling voor jeugdtandverzorging hiervoor
een rechtsgeldige tariefbeschikking van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) hebben
gekregen. Hiertoe dient de instelling voor jeugdtandverzorging jaarlijks, samen met
twee representerende zorgverzekeraars, een aanvraag in. Voor het tariefverzoek moet
de begroting van verwachte kosten en productie van de haal- en/of brengservice, de
onderbouwing voor de hoogte van de overeengekomen instellingstoeslag en de overeenkomst
met de zorgverzekeraars worden meegestuurd.
5.2 Voorwaarden individueel vast toeslagtarief haal- en/of brengservice en instellingstoeslag
Een (nieuw) individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice en de
instellingstoeslag wordt alleen afgegeven indien de instelling minimaal een verzoek
tot definitieve verrekening van het jaar (t-2) en voorafgaande jaren heeft ingediend
(zie hierna onder paragraaf 5.6).
5.3 Berekening van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice
5.3.1 Tariefberekening
De hoogte van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice
wordt berekend door de totale begrote aanvaardbare kosten voor de haal- en/of brengservice
te delen door het aantal periodieke controles bij patiënten die gebruik maken van
de haal- en/of brengservice. Het toeslagtarief is een individueel vast tarief per
instelling.
Een instelling voor jeugdtandverzorging mag in combinatie met een periodieke controle
van een patiënt tot 18 jaar (C001 of C002) een tarieftoeslag voor de haal- en/of brengservice
in rekening brengen.
5.3.2 Toetsingskader
Haalservice
De kosten voor de haalservice worden vooraf per instelling bepaald op basis van een
begroting van de totale, verwachte kosten voor het vervoer van de patiënten van de
(basis)school naar de behandelplaats en terug.
Aanvaardbaar zijn de totale kosten van het vervoer van de patiënten van de (basis)school
naar de behandelplaats en terug (zowel in eigen beheer als niet in eigen beheer) tot
maximaal de kosten indien dit vervoer door derden zou worden verzorgd. De maximumbedragen
luiden als volgt (definitief niveau 2024):
zitplaatscapaciteit rijdend materieel
per inzetdag
rijdend materieel
per gereden km rijdend materieel
per chauffeursuur
t/m 8 zitplaatsen
minibus
rolstoelbus
€ 101,27
€ 115,90
€ 0,34
€ 0,34
€ 31,21
€ 31,28
9-26 zitplaatsen
€ 154,53
€ 0,45
€ 40,22
Deze bedragen zijn exclusief BTW.
De bedragen per inzetdag of per gereden kilometer rijdend materieel worden jaarlijks
aangepast met de prijsstijging particuliere consumptie (ppc) volgens het Centraal
Economisch Plan (CEP). De bedragen per chauffeursuur worden jaarlijks aangepast op
basis van de door de Minister van VWS voor het betreffende jaar aangegeven overheidsbijdrage
in de arbeidskostenontwikkeling (ova).
De totale, werkelijke salariskosten van een chauffeur bedraagt maximaal € 45.904,-
en van een begeleider maximaal € 41.249,- per jaar op fulltime basis (definitief niveau
2024). Deze bedragen worden jaarlijks aangepast met de mutatie volgens het ova-percentage.
De kosten voor de haalservice kunnen maximaal worden verhoogd met een toeslagpercentage
van 15% voor overheadkosten.
Brengservice
De kosten voor de brengservice worden vooraf per instelling bepaald op basis van een
begroting van het verschil tussen de totale, werkelijke exploitatiekosten (inclusief
kosten van instrumentarium) per (tandarts)stoel in een dental-car of andere mobiele
praktijkruimte van de desbetreffende dienst en het jaarlijks vast te stellen franchisebedrag
per stoel.
Het franchisebedrag bedraagt € 29.618,- (definitief niveau 2024). Het franchisebedrag
per stoel wordt jaarlijks aangepast met de mutatie volgens het ppc-percentage.
Indien de exploitatiekosten per stoel hoger zijn dan het franchisebedrag per stoel
kan het verschil maximaal worden verhoogd met een toeslagpercentage van 15% voor overheadkosten.
De NZa zal de bedragen van het toetsingskader voor het individueel vast toeslagtarief
voor de haal- en/of brengservice jaarlijks per 1 januari van het jaar (t+1) actualiseren
voor de loon- en prijsstijgingen volgens de betreffende indexen. De wijze van indexeren
is geregeld in de Beleidsregel indexering.
5.4 Instellingstoeslag
De tarieven voor tandheelkundige hulp aan jeugdige patiënten tot 18 jaar, met uitzondering
van de techniekkosten, kosten implantanten, stiften, laboratoriumkosten en materiaalkosten
voor regeneratietechnieken, kunnen worden verhoogd met een instellingstoeslag van
maximaal 10% voor de behandeling van risicogroepen. Voorwaarde hiervoor is dat de
NZa op grond van een onderbouwde aanvraag hiervoor een tariefbeschikking heeft afgegeven.
5.5 Nacalculatie
Op grond van de hierboven vastgelegde systematiek wordt een individueel vast toeslagtarief
voor de haal- en/of brengservice op voorcalculatorisch niveau jaar t vastgesteld.
Achteraf vindt een verrekening plaats van de daadwerkelijke kosten en productie jaar
t, rekening houdend met het in artikel 5.3.2 beschreven toetsingskader. De wijze van
verrekening is afhankelijk van de hieronder beschreven situaties:
a. De instelling blijft tandheelkundige hulp aan patiënten tot 18 jaar leveren op basis
van het individueel vast toeslagtarief (JTV010)
Het verschil tussen het voorcalculatorische tariefniveau jaar t en het definitieve
tariefniveau jaar t leidt tot vaststelling van een te verrekenen bedrag jaar t (tekort
of overschot). De hoogte van het te verrekenen bedrag zal worden verrekend via een
tijdelijke toeslag of aftrek op het individueel vast toeslagtarief voor jaar t+1 of
jaar t+2.
b. De instelling fuseert met een andere instelling en levert de tandheelkundige zorg
aan patiënten tot 18 jaar op basis van het individueel vast toeslagtarief (JTV010)
van de overnemende instelling
Het verschil tussen het voorcalculatorische tariefniveau jaar t en het definitieve
tariefniveau jaar t van de overgenomen instelling leidt tot vaststelling van een te
verrekenen bedrag jaar t (tekort of overschot). De hoogte van het te verrekenen bedrag
voor de overgenomen instelling zal worden verrekend via een tijdelijke toeslag of
aftrek op het individueel vast toeslagtarief van de overnemende instelling voor jaar
t+1 of jaar t+2.
c. De instelling blijft tandheelkundige zorg aan patiënten tot 18 jaar leveren op basis
van alleen de instellingstoeslag (JTV001)
Het verschil tussen het voorcalculatorische tariefniveau jaar t en het definitieve
tariefniveau jaar t leidt tot vaststelling van een te verrekenen bedrag jaar t (tekort
of overschot).
c.1 Bij een opbrengsttekort:
De NZa legt op basis van artikel 56b Wmg de definitieve verrekenbedragen jaar t vast in een individuele tariefbeschikking
voor de instelling. Op basis van deze beschikking kan de instelling het door de NZa
berekende (resterende) opbrengsttekort in rekening brengen bij de zorgverzekeraar.
De NZa berekent het definitief in rekening te brengen bedrag per zorgverzekeraar naar
rato van hun definitieve marktaandeel bij de instelling. De instelling overlegt per
zorgverzekeraar de opbrengsten uit de gedeclareerde tarieven. Op basis van deze gegevens
berekent de NZa per instelling de marktaandelen per zorgverzekeraar.
c.2 Bij een opbrengstoverschot:
De NZa legt op basis van artikel 56b Wmg de definitieve vereffeningsbedragen jaar t vast in een individuele tariefbeschikking
voor de instelling. Op basis van deze beschikking kan de zorgverzekeraar het door
de NZa berekende (resterende) opbrengstoverschot bij de instelling terug doen vorderen.
De NZa berekent het definitief terug te vorderen bedrag per zorgverzekeraar naar rato
van hun definitieve marktaandeel bij de instelling. De instelling overlegt per zorgverzekeraar
de opbrengsten uit de gedeclareerde tarieven. Op basis van deze gegevens berekent
de NZa per instelling de marktaandelen per zorgverzekeraar.
d. De instelling gaat failliet of stopt met het leveren van tandheelkundige zorg aan
patiënten tot 18 jaar
Indien de rechtbank het faillissement van de instelling uitspreekt en een curator
benoemt, legt de NZa op verzoek van de failliete instelling, de namens de failliete
instelling handelende curator of de zorgverzekeraar op basis van artikel 56b Wmg de definitieve verrekenbedragen jaar t vast in een individuele tariefbeschikking
voor de instelling. De NZa berekent zowel in het geval van faillissement of het stoppen
met de zorglevering het definitief terug te vorderen bedrag (bij een opbrengstoverschot)
of het in rekening te brengen bedrag (bij een opbrengsttekort) per zorgverzekeraar
naar rato van hun definitieve marktaandeel bij de instelling. De instelling overlegt
per zorgverzekeraar de opbrengsten uit de gedeclareerde tarieven. Op basis van deze
gegevens berekent de NZa per instelling de marktaandelen per zorgverzekeraar.
Ten behoeve van de nacalculatie dient de instelling voor jeugdtandverzorging de jaarrekening
over het jaar t alsmede het bijbehorende verantwoordingsformulier te overleggen. De
jaarrekening en het bijbehorende verantwoordingsformulier bevat de volgende, door
een (externe) accountant gecontroleerde cijfers;
– De totale opbrengsten, uitgesplitst naar tandheelkundige verrichtingen en tandtechnische
werkzaamheden;
– De totale exploitatiekosten;
– Het aantal gedeclareerde toeslagen;
– Het aantal behandelde kinderen.
De verantwoordelijkheid van de accountant is daarbij het geven van een oordeel over
de jaarrekening op basis van zijn controle. Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden
ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de
jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant
toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s van fraude
of fouten. Uiteindelijk zal de accountant op basis van zijn controlewerkzaamheden
een oordeel moeten geven of de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte
en de samenstelling van het vermogen en van het resultaat.
Instellingen voor jeugdtandverzorging die niet zelfstandig opereren en op grond van
(andere) wet- en regelgeving niet verplicht zijn om een alleen op deze instelling
voor jeugdtandverzorging betrekking hebbende jaarrekening op te stellen, dienen –
in plaats van de jaarrekening – minimaal een door een (externe) accountant opgesteld
rapport van feitelijke bevindingen ten aanzien van de hierboven genoemde gegevens
te verstrekken. Het rapport van feitelijke bevindingen moet voldoende gedetailleerd
een beschrijving van het doel en van de overeengekomen werkzaamheden geven, teneinde
de gebruiker in staat te stellen de aard en de reikwijdte van de uitgevoerde werkzaamheden
te begrijpen.
5.6 Vaststelling individueel vast toeslagtarief haal- en/of brengservice én instellingstoeslag
De NZa geeft jaarlijks aan een instelling, op aanvraag en na goedkeuring, een individueel
vast toeslagtarief af vóór 1 januari van het jaar (t+1). Hiervoor dient de tariefaanvraag
door instelling en representerende zorgverzekeraars uiterlijk 1 oktober in het jaar
(t) tweezijdig en volledig te zijn ingediend.
Instelling en representerende zorgverzekeraars kunnen vóór 1 december van het jaar
(t) een onderbouwd verzoek tot verlenging van de lopende tariefbeschikking indienen.
De NZa kan daarop de geldigheidsduur van de lopende tariefbeschikking met maximaal
zes maanden verlengen tot uiterlijk 1 juli van het jaar (t+1).
Indien instelling en representerende zorgverzekeraars verzuimen het verzoek tot vaststelling
van het individueel vast toeslagtarief haal- en/of brengservice én instellingstoeslag
tijdig in te dienen of de verlenging van de geldigheidsduur van de lopende tariefbeschikking
is ontoereikend, geldt dat de instelling voor jeugdtandverzorging geen recht meer
heeft op declaratie van het individueel vast toeslagtarief voor de haal- en/of brengservice
en/of de instellingstoeslag.