BWBR0049804
Geldig vanaf 2024-06-14
Artikel 5
Besluit van de directeur-generaal Belastingdienst houdende de verlening van mandaat, volmacht en machtiging op grond van de Wet politiegegevens aan de algemeen directeur FIOD
Aan de algemeen directeur is voorbehouden:
1. het besluiten over het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen, als bedoeld in de artikelen 4a; 4b; 23, vierde lid; 23a, derde lid; en 24, derde lid, van de Wet politiegegevens;
2. het vaststellen van een systeem van autorisaties en de procedure voor het autoriseren van personen als bedoeld in artikel 6 van de Wet politiegegevens;
3. het vastleggen van de bij of krachtens artikel 13, vierde lid, van de Wet politiegegevens bepaalde gegevens met betrekking tot de verwerking van politiegegevens ter ondersteuning van de politietaak, bedoeld in artikel 13, leden 1, 2 en 3, van de Wet politiegegevens;
4. het afzien van het vernietigen van gegevens op basis van artikel 14, vierde lid, van de Wet politiegegevens;
5. het verstrekken van politiegegevens voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 19 van de Wet politiegegevens;
6. het periodiek doen controleren van de naleving van de bij of krachtens de Wet politiegegevens gegeven regels, door middel van het periodiek doen verrichten van privacy-audits, als bedoeld in artikel 33 van de Wet politiegegevens;
7. het benoemen van een privacyfunctionaris, als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet politiegegevens.
1. het besluiten over het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen, als bedoeld in de artikelen 4a; 4b; 23, vierde lid; 23a, derde lid; en 24, derde lid, van de Wet politiegegevens;
2. het vaststellen van een systeem van autorisaties en de procedure voor het autoriseren van personen als bedoeld in artikel 6 van de Wet politiegegevens;
3. het vastleggen van de bij of krachtens artikel 13, vierde lid, van de Wet politiegegevens bepaalde gegevens met betrekking tot de verwerking van politiegegevens ter ondersteuning van de politietaak, bedoeld in artikel 13, leden 1, 2 en 3, van de Wet politiegegevens;
4. het afzien van het vernietigen van gegevens op basis van artikel 14, vierde lid, van de Wet politiegegevens;
5. het verstrekken van politiegegevens voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 19 van de Wet politiegegevens;
6. het periodiek doen controleren van de naleving van de bij of krachtens de Wet politiegegevens gegeven regels, door middel van het periodiek doen verrichten van privacy-audits, als bedoeld in artikel 33 van de Wet politiegegevens;
7. het benoemen van een privacyfunctionaris, als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet politiegegevens.