BWBR0049736
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 2:4
Beleidsregels betalingsregelingen Rijk 2024 II
1. Het CJIB wijst een verzoek om een betalingsregeling in ieder geval af, indien:
a. de betalingsplichtige naar het oordeel van het CJIB onvoldoende medewerking verleent;
b. de betalingsplichtige verwijtbaar onjuiste gegevens verstrekt;
c. de betalingsregeling zich over een voor het CJIB niet redelijke termijn uitstrekt;
d. het totaal aan openstaande vorderingen niet meer dan € 75 bedraagt.
2. Het CJIB kan een verzoek om een betalingsregeling afwijzen indien:
a. de betalingsplichtige binnen zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek een eerder toegestane betalingsregeling verwijtbaar niet is nagekomen;
b. de betalings- of vermogenscapaciteit van de betalingsplichtige zodanig is dat hij direct geheel de vorderingen kan voldoen;
c. de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling naar het oordeel van het CJIB geen uitkomst zal bieden;
d. één of meerdere vorderingen voortkomen uit een schadevergoedingsmaatregel, en het slachtoffer of diens nabestaanden op het moment van het verzoek nog geen uitkering hebben ontvangen op grond van artikel 6:4:8, derde lid, Wetboek van Strafvordering.
a. de betalingsplichtige naar het oordeel van het CJIB onvoldoende medewerking verleent;
b. de betalingsplichtige verwijtbaar onjuiste gegevens verstrekt;
c. de betalingsregeling zich over een voor het CJIB niet redelijke termijn uitstrekt;
d. het totaal aan openstaande vorderingen niet meer dan € 75 bedraagt.
2. Het CJIB kan een verzoek om een betalingsregeling afwijzen indien:
a. de betalingsplichtige binnen zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek een eerder toegestane betalingsregeling verwijtbaar niet is nagekomen;
b. de betalings- of vermogenscapaciteit van de betalingsplichtige zodanig is dat hij direct geheel de vorderingen kan voldoen;
c. de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling naar het oordeel van het CJIB geen uitkomst zal bieden;
d. één of meerdere vorderingen voortkomen uit een schadevergoedingsmaatregel, en het slachtoffer of diens nabestaanden op het moment van het verzoek nog geen uitkering hebben ontvangen op grond van artikel 6:4:8, derde lid, Wetboek van Strafvordering.