1. Aan de chief executive officer wordt mandaat verleend om besluiten te nemen inzake omgevingsvergunningen, maatwerkvoorschriften en toestemmingen om een gelijkwaardige maatregel toe te passen als bedoeld in
hoofdstuk 9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover:
a. deze alleen betrekking hebben op een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een hoofdspoorweg; en
b. de bevoegdheid daartoe bij of krachtens de Omgevingswet bij de minister is belegd.
2. Aan de chief executive officer wordt mandaat verleend om besluiten te nemen inzake ontheffingen krachtens
artikel 22, derde lid, van de Spoorwegwet.
3. Aan de chief executive officer wordt mandaat verleend om besluiten te nemen inzake aanvragen om schadevergoeding op grond van:
a. de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2024, voor zover de verzoeken tot schadevergoeding samenhangen met het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid;
b. de Beleidsregel nadeelcompensatie verleggen kabels en leidingen vanwege rijkswaterstaatswerken, rijkswegen en hoofdspoorwegen 2024, voor zover de aanvragen tot schadevergoeding samenhangen met: 1°. het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid;
2°. een projectbesluit voor zover ProRail belast is met de werkzaamheden op grond van het desbetreffende projectbesluit;
3°. werkzaamheden die ProRail uitvoert die door het Rijk overeenkomstig artikel 6 van de Wet Mobiliteitsfonds worden gefinancierd.
1°. het nemen van besluiten als bedoeld in het eerste en tweede lid;
2°. een projectbesluit voor zover ProRail belast is met de werkzaamheden op grond van het desbetreffende projectbesluit;
3°. werkzaamheden die ProRail uitvoert die door het Rijk overeenkomstig artikel 6 van de Wet Mobiliteitsfonds worden gefinancierd.
4. Aan de chief executive officer wordt mandaat verleend om besluiten te nemen inzake de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig nemen van besluiten als bedoeld in
artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover dit verband houdt met besluiten die op grond van dit besluit zijn genomen.
5. De chief executive officer wordt mandaat verleend om alle overige rechtshandelingen te verrichten die verband houden met het aan hem in het eerste lid tot en met het vierde lid verleende mandaat.
6. De chief executive officer kan van het hem in het eerste tot en met vijfde lid verleende mandaat ondermandaat verlenen aan één of meerdere onder hem ressorterende functionarissen.