BWBR0049641
Geldig vanaf 2024-05-02
Artikel 9
Subsidieregeling Biotech Booster
1. Indien de subsidieontvanger een onderzoeksorganisatie is die niet-economische activiteiten verricht, bedraagt de subsidie voor een proof of principle-project 100% van de subsidiabele kosten.
2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, bedraagt de subsidie voor een proof of principle-project ten hoogste:
a. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;
b. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
c. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
d. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie;
e. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op innovatie-activiteiten voor kleine- en middelgrote ondernemingen;
f. € 200.000,– van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op activiteiten van startersbedrijven.
3. De percentages, genoemd in het tweede lid, onderdelen b, c en d, kunnen worden verhoogd met maximaal:
a. 10%, indien een samenwerkingspartner in een project een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt door deze middelgrote onderneming; of
b. 20%, indien een samenwerkingspartner in een project een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt door deze kleine onderneming.
4. De percentages, genoemd in het tweede lid, onderdelen b en c, kunnen worden verhoogd met maximaal:
a. 15%, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b van de AGVV; of
b. 5%, indien voldaan wordt aan de voorwaarde bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel c van de AGVV.
5. Indien sprake is van een samenwerkingsverband, wordt het subsidiebedrag vastgesteld met inachtneming van het tweede tot en met het vierde lid, aan de hand van de subsidiabele kosten die per samenwerkingspartner binnen het samenwerkingsverband worden gemaakt.
2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, bedraagt de subsidie voor een proof of principle-project ten hoogste:
a. 100% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op fundamenteel onderzoek;
b. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op industrieel onderzoek;
c. 25% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op experimentele ontwikkeling;
d. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie;
e. 50% van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op innovatie-activiteiten voor kleine- en middelgrote ondernemingen;
f. € 200.000,– van de subsidiabele kosten, voor zover deze betrekking hebben op activiteiten van startersbedrijven.
3. De percentages, genoemd in het tweede lid, onderdelen b, c en d, kunnen worden verhoogd met maximaal:
a. 10%, indien een samenwerkingspartner in een project een middelgrote onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt door deze middelgrote onderneming; of
b. 20%, indien een samenwerkingspartner in een project een kleine onderneming is en de subsidiabele kosten worden gemaakt door deze kleine onderneming.
4. De percentages, genoemd in het tweede lid, onderdelen b en c, kunnen worden verhoogd met maximaal:
a. 15%, indien voldaan wordt aan ten minste één van de voorwaarden, bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel b van de AGVV; of
b. 5%, indien voldaan wordt aan de voorwaarde bedoeld in artikel 25, zesde lid, onderdeel c van de AGVV.
5. Indien sprake is van een samenwerkingsverband, wordt het subsidiebedrag vastgesteld met inachtneming van het tweede tot en met het vierde lid, aan de hand van de subsidiabele kosten die per samenwerkingspartner binnen het samenwerkingsverband worden gemaakt.