BWBR0049604
Geldig vanaf 24-04-2024
Artikel 4
Regeling verantwoording bbaz 2023 compartiment 1
De procedure voor het verantwoordingsjaar 2023 is als volgt:
1. Uiterlijk 1 september 2023: de ontvanger levert de informatie terug aan de NZa zoals uitgewerkt in artikel 4.2.1, lid 3 en artikel 4.2.2, lid 1. Daarbij maakt de ontvanger gebruikt van de door de NZa geleverde data over de jaren 2019 en 2021, exclusief unieke zorg, in csv-format, het toelichtingsdocument en de vulling van de DIS van de top 10 doorverwijzende ziekenhuizen. Tevens maakt de ontvanger gebruik van de door de NZa aangeleverde referentiekostprijzen en indexcijfers om de meerkosten berekenen en te indexeren.
2. Uiterlijk 1 november 2024: Bij eventuele onderverantwoording in eerste aanleg wordt door de betreffende ontvanger en de NZa onderzocht hoe met maatwerk de vergelijking tussen gerealiseerde kosten 2023 en de ontvangen beschikbaarheidbijdrage voor 2023 kan worden verbeterd.
3. De NZa stelt vervolgens de bbaz 2023 formeel vast conform de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2023.
De jaarlijkse verantwoording vindt plaats aan de hand van de volgende twee onderdelen:
1. Patiëntgebonden labels
2. Ontwikkeling en Innovatie
De systematiek voor de verantwoording van de labels bestaat uit de volgende stappen:
1. De NZa berekent de score per label per ontvanger
2. De NZa verstuurt uiterlijk 1 maart 2024 de informatie via het uitwisselportaal naar de ontvanger zoals genoemd in paragraaf 4.1, lid 1.
3. In de verantwoording worden de unieke dbc-zorgproducten voor de topreferente patiënten niet meegeteld.
4. De ontvanger levert uiterlijk 1 september 2024 de volgende gegevens aan: Kwantitatief a. De kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2019.
b. De meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten.
c. In een bijlage bij de verantwoording worden de kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau met als grondslag de topreferente patiënten uit het jaar 2021.
d. In een bijlage bij de verantwoording de meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2021. In aanvulling op bovenstaande geldt het volgende ten aanzien van de berekening van de meerkosten: Ad a) De ontvanger berekent de meerkosten op instellingsniveau als volgt: i. Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt.
ii. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2019 zijn gebruikt.
iii. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2).
iv. Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2019.
v. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap 1).
vi. Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap 4) en de referentiekosten (uit stap 5) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt.
vii. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling.
viii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
i. Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt.
ii. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2019 zijn gebruikt.
iii. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2).
iv. Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2019.
v. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap 1).
vi. Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap 4) en de referentiekosten (uit stap 5) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt.
vii. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling.
viii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
ad b) De instelling bepaalt de top vijf diagnosegroep als volgt: i. Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel.
ii. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording.
iii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
i. Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel.
ii. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording.
iii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages. Scope Bij het bepalen van de kosten voor de subtrajecten is de volgende scope van toepassing. Het gaat uitsluitend om verzekerde dbc-zorgproductie gerelateerd aan academische patiënten die zijn uitgeleverd door de NZa zoals bedoeld onder artikel 4.1 inclusief zorgtype 51. De volgende zorg is uitgesloten bij het bepalen van meerkosten voor de patiënten: – Overig zorgproducten (o.a. kaakchirurgie)
– Psychiatrie
– Klinische genetica
– Zorgprofielklassen dure geneesmiddelen en weesgeneesmiddelen met add-on indicatie en stollingsfactoren. Kwalitatief Een inhoudelijke uitwerking op instellingsniveau van de activiteiten van de ontvanger gericht op academische patiëntenzorg.
a. De kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2019.
b. De meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten.
c. In een bijlage bij de verantwoording worden de kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau met als grondslag de topreferente patiënten uit het jaar 2021.
d. In een bijlage bij de verantwoording de meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2021.
Ad a) De ontvanger berekent de meerkosten op instellingsniveau als volgt: i. Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt.
ii. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2019 zijn gebruikt.
iii. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2).
iv. Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2019.
v. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap 1).
vi. Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap 4) en de referentiekosten (uit stap 5) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt.
vii. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling.
viii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
i. Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt.
ii. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2019 zijn gebruikt.
iii. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2).
iv. Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2019.
v. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap 1).
vi. Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap 4) en de referentiekosten (uit stap 5) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt.
vii. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling.
viii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
ad b) De instelling bepaalt de top vijf diagnosegroep als volgt: i. Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel.
ii. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording.
iii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
i. Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel.
ii. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording.
iii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
– Overig zorgproducten (o.a. kaakchirurgie)
– Psychiatrie
– Klinische genetica
– Zorgprofielklassen dure geneesmiddelen en weesgeneesmiddelen met add-on indicatie en stollingsfactoren.
5. De NZa controleert of de aanlevering van elke ontvanger compleet is; of alle informatie geleverd is zoals omschreven in lid 3, sub a en b van dit artikel.
6. De informatie wordt niet gebruikt om de bbaz voor het jaar 2023 te muteren, maar wel: a. door de NZa om de verantwoordings- en verdeelsystematiek waar nodig te verbeteren. Met betrokken partijen worden de uitkomsten en verklaringen periodiek besproken, waarin getoetst wordt of de systematiek verbeterd moet worden. Dit wordt dan opgenomen in de verantwoording van het daarop volgende jaar;
b. door de ontvanger om zijn bedrijfsvoering waar nodig aan te passen;
c. Een traject voor maatwerk in te zetten en op te starten wanneer er sprake is van onderverantwoording zoals beschreven in artikel 4.1.5.
d. Te leren over de impact van COVID-19 op het verdeel- en verantwoordingsmodel van de bbaz en de robuustheid van de systematiek.
a. door de NZa om de verantwoordings- en verdeelsystematiek waar nodig te verbeteren. Met betrokken partijen worden de uitkomsten en verklaringen periodiek besproken, waarin getoetst wordt of de systematiek verbeterd moet worden. Dit wordt dan opgenomen in de verantwoording van het daarop volgende jaar;
b. door de ontvanger om zijn bedrijfsvoering waar nodig aan te passen;
c. Een traject voor maatwerk in te zetten en op te starten wanneer er sprake is van onderverantwoording zoals beschreven in artikel 4.1.5.
d. Te leren over de impact van COVID-19 op het verdeel- en verantwoordingsmodel van de bbaz en de robuustheid van de systematiek.
De verantwoording van ontwikkeling en innovatie (O&I) ziet er als volgt uit:
1. De ontvanger levert uiterlijk 1 september 2024 de volgende gegevens aan: Kwantitatief a. De kosten voor ontwikkeling en innovatie betrekking hebbend op 2023, onderverdeeld naar de volgende categorieën: i. Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS
ii. Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici
iii. (Nog) niet vergoede zorg
iv. Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen
v. Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën
vi. Kennisdeling en consultatie
vii. Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen
viii. Databank-functie en big data-ontwikkeling
ix. Overkoepelende kosten Kwalitatief
i. Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS
ii. Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici
iii. (Nog) niet vergoede zorg
iv. Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen
v. Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën
vi. Kennisdeling en consultatie
vii. Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen
viii. Databank-functie en big data-ontwikkeling
ix. Overkoepelende kosten
b. Een inhoudelijke omschrijving van welke activiteiten per kostencategorie zijn uitgevoerd door de instelling in 2023, waarvan in elk geval categorie ix nader gespecificeerd wordt.
a. De kosten voor ontwikkeling en innovatie betrekking hebbend op 2023, onderverdeeld naar de volgende categorieën: i. Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS
ii. Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici
iii. (Nog) niet vergoede zorg
iv. Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen
v. Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën
vi. Kennisdeling en consultatie
vii. Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen
viii. Databank-functie en big data-ontwikkeling
ix. Overkoepelende kosten Kwalitatief
i. Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS
ii. Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici
iii. (Nog) niet vergoede zorg
iv. Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen
v. Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën
vi. Kennisdeling en consultatie
vii. Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen
viii. Databank-functie en big data-ontwikkeling
ix. Overkoepelende kosten
b. Een inhoudelijke omschrijving van welke activiteiten per kostencategorie zijn uitgevoerd door de instelling in 2023, waarvan in elk geval categorie ix nader gespecificeerd wordt.
2. De NZa stelt vast dat elke ontvanger de informatie heeft aangeleverd.
3. De informatie wordt niet gebruikt om de bbaz te muteren, maar wel: a. door de NZa om de omschrijving van O&I en de te onderscheiden kostencategorieën te verbeteren;
b. door de ontvangers om inzicht te krijgen in passendheid van de bbaz voor de kosten verbonden aan het in stand houden van academische zorg.
c. Een traject voor maatwerk in te zetten en op te starten wanneer er sprake is van onderverantwoording zoals beschreven in artikel 4.2 lid 4.
a. door de NZa om de omschrijving van O&I en de te onderscheiden kostencategorieën te verbeteren;
b. door de ontvangers om inzicht te krijgen in passendheid van de bbaz voor de kosten verbonden aan het in stand houden van academische zorg.
c. Een traject voor maatwerk in te zetten en op te starten wanneer er sprake is van onderverantwoording zoals beschreven in artikel 4.2 lid 4.
De richtlijnen voor het opstellen van de verantwoording per categorie zoals opgenomen in artikel 4.2.2 lid 1 zijn verder uitgewerkt in de bijlage 2 – formulier huisspecifieke toelichting O&I en TRF 2023.
1. Uiterlijk 1 september 2023: de ontvanger levert de informatie terug aan de NZa zoals uitgewerkt in artikel 4.2.1, lid 3 en artikel 4.2.2, lid 1. Daarbij maakt de ontvanger gebruikt van de door de NZa geleverde data over de jaren 2019 en 2021, exclusief unieke zorg, in csv-format, het toelichtingsdocument en de vulling van de DIS van de top 10 doorverwijzende ziekenhuizen. Tevens maakt de ontvanger gebruik van de door de NZa aangeleverde referentiekostprijzen en indexcijfers om de meerkosten berekenen en te indexeren.
2. Uiterlijk 1 november 2024: Bij eventuele onderverantwoording in eerste aanleg wordt door de betreffende ontvanger en de NZa onderzocht hoe met maatwerk de vergelijking tussen gerealiseerde kosten 2023 en de ontvangen beschikbaarheidbijdrage voor 2023 kan worden verbeterd.
3. De NZa stelt vervolgens de bbaz 2023 formeel vast conform de Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2023.
De jaarlijkse verantwoording vindt plaats aan de hand van de volgende twee onderdelen:
1. Patiëntgebonden labels
2. Ontwikkeling en Innovatie
De systematiek voor de verantwoording van de labels bestaat uit de volgende stappen:
1. De NZa berekent de score per label per ontvanger
2. De NZa verstuurt uiterlijk 1 maart 2024 de informatie via het uitwisselportaal naar de ontvanger zoals genoemd in paragraaf 4.1, lid 1.
3. In de verantwoording worden de unieke dbc-zorgproducten voor de topreferente patiënten niet meegeteld.
4. De ontvanger levert uiterlijk 1 september 2024 de volgende gegevens aan: Kwantitatief a. De kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2019.
b. De meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten.
c. In een bijlage bij de verantwoording worden de kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau met als grondslag de topreferente patiënten uit het jaar 2021.
d. In een bijlage bij de verantwoording de meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2021. In aanvulling op bovenstaande geldt het volgende ten aanzien van de berekening van de meerkosten: Ad a) De ontvanger berekent de meerkosten op instellingsniveau als volgt: i. Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt.
ii. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2019 zijn gebruikt.
iii. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2).
iv. Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2019.
v. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap 1).
vi. Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap 4) en de referentiekosten (uit stap 5) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt.
vii. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling.
viii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
i. Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt.
ii. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2019 zijn gebruikt.
iii. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2).
iv. Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2019.
v. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap 1).
vi. Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap 4) en de referentiekosten (uit stap 5) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt.
vii. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling.
viii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
ad b) De instelling bepaalt de top vijf diagnosegroep als volgt: i. Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel.
ii. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording.
iii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
i. Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel.
ii. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording.
iii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages. Scope Bij het bepalen van de kosten voor de subtrajecten is de volgende scope van toepassing. Het gaat uitsluitend om verzekerde dbc-zorgproductie gerelateerd aan academische patiënten die zijn uitgeleverd door de NZa zoals bedoeld onder artikel 4.1 inclusief zorgtype 51. De volgende zorg is uitgesloten bij het bepalen van meerkosten voor de patiënten: – Overig zorgproducten (o.a. kaakchirurgie)
– Psychiatrie
– Klinische genetica
– Zorgprofielklassen dure geneesmiddelen en weesgeneesmiddelen met add-on indicatie en stollingsfactoren. Kwalitatief Een inhoudelijke uitwerking op instellingsniveau van de activiteiten van de ontvanger gericht op academische patiëntenzorg.
a. De kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2019.
b. De meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten.
c. In een bijlage bij de verantwoording worden de kosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, uitgedrukt in meerkosten op instellingsniveau met als grondslag de topreferente patiënten uit het jaar 2021.
d. In een bijlage bij de verantwoording de meerkosten voor topreferente zorg betrekking hebbend op 2023, voor de vijf diagnosegroepen met de hoogste meerkosten op basis van de topreferente patiënten uit het jaar 2021.
Ad a) De ontvanger berekent de meerkosten op instellingsniveau als volgt: i. Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt.
ii. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2019 zijn gebruikt.
iii. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2).
iv. Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2019.
v. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap 1).
vi. Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap 4) en de referentiekosten (uit stap 5) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt.
vii. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling.
viii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
i. Selecteer alle subtrajecten (inclusief zorgtype 51) met bijbehorende zorgproducten en diagnosegroep o.b.v. het bestand zoals de NZa dat uitgeleverd heeft artikel 4 die gekoppeld kunnen worden aan een academische patiënt.
ii. Hanteer de instellingsspecifieke kostendragers die binnen het kostprijsmodel 2019 zijn gebruikt.
iii. Bereken per subtraject de kostprijs door het zorgprofiel te vermenigvuldigen met de kostendragers (uit stap 2).
iv. Verminder de kostprijs van het subtraject (uit stap 3) met de gemiddelde (patiënt-gebonden) opbrengsten zoals verwerkt in het kostprijsmodel exclusief de opbrengsten kolom “Beschikbaarheidsbijdrage academische component -TRF” 2019.
v. Koppel via de zorgproductcode de referentiekostprijs die de NZa heeft opgeleverd aan de geselecteerde subtrajecten (uit stap 1).
vi. Aggregeer de instellingsspecifieke kosten (uit stap 4) en de referentiekosten (uit stap 5) op het niveau van de patiënt tot twee bedragen. Indien er sprake is van IC-activiteiten die al vergoed zijn via een IC-tarief, dienen deze opbrengsten in mindering gebracht te worden bij de patiënt.
vii. Aggregeer de meerkosten over alle patiënten tot de totale meerkosten van de instelling.
viii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
ad b) De instelling bepaalt de top vijf diagnosegroep als volgt: i. Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel.
ii. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording.
iii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
i. Hanteer het bestand zoals berekend uit stap 5 (in onderdeel b) Bereken de totale instellingsspecifieke kosten en de referentiekosten per diagnosegroep. De subtrajecten zijn gegroepeerd naar diagnosegroep volgens bijlage 3 diagnosegroepentabel.
ii. Selecteer de 5 hoogste bedragen om de top 5 van diagnosegroepen te bepalen en neem deze op in de verantwoording.
iii. Indexeer de meerkosten op instellingsniveau naar het niveau van 2023 op basis van de door de NZa uitgeleverde indexpercentages.
– Overig zorgproducten (o.a. kaakchirurgie)
– Psychiatrie
– Klinische genetica
– Zorgprofielklassen dure geneesmiddelen en weesgeneesmiddelen met add-on indicatie en stollingsfactoren.
5. De NZa controleert of de aanlevering van elke ontvanger compleet is; of alle informatie geleverd is zoals omschreven in lid 3, sub a en b van dit artikel.
6. De informatie wordt niet gebruikt om de bbaz voor het jaar 2023 te muteren, maar wel: a. door de NZa om de verantwoordings- en verdeelsystematiek waar nodig te verbeteren. Met betrokken partijen worden de uitkomsten en verklaringen periodiek besproken, waarin getoetst wordt of de systematiek verbeterd moet worden. Dit wordt dan opgenomen in de verantwoording van het daarop volgende jaar;
b. door de ontvanger om zijn bedrijfsvoering waar nodig aan te passen;
c. Een traject voor maatwerk in te zetten en op te starten wanneer er sprake is van onderverantwoording zoals beschreven in artikel 4.1.5.
d. Te leren over de impact van COVID-19 op het verdeel- en verantwoordingsmodel van de bbaz en de robuustheid van de systematiek.
a. door de NZa om de verantwoordings- en verdeelsystematiek waar nodig te verbeteren. Met betrokken partijen worden de uitkomsten en verklaringen periodiek besproken, waarin getoetst wordt of de systematiek verbeterd moet worden. Dit wordt dan opgenomen in de verantwoording van het daarop volgende jaar;
b. door de ontvanger om zijn bedrijfsvoering waar nodig aan te passen;
c. Een traject voor maatwerk in te zetten en op te starten wanneer er sprake is van onderverantwoording zoals beschreven in artikel 4.1.5.
d. Te leren over de impact van COVID-19 op het verdeel- en verantwoordingsmodel van de bbaz en de robuustheid van de systematiek.
De verantwoording van ontwikkeling en innovatie (O&I) ziet er als volgt uit:
1. De ontvanger levert uiterlijk 1 september 2024 de volgende gegevens aan: Kwantitatief a. De kosten voor ontwikkeling en innovatie betrekking hebbend op 2023, onderverdeeld naar de volgende categorieën: i. Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS
ii. Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici
iii. (Nog) niet vergoede zorg
iv. Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen
v. Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën
vi. Kennisdeling en consultatie
vii. Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen
viii. Databank-functie en big data-ontwikkeling
ix. Overkoepelende kosten Kwalitatief
i. Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS
ii. Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici
iii. (Nog) niet vergoede zorg
iv. Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen
v. Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën
vi. Kennisdeling en consultatie
vii. Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen
viii. Databank-functie en big data-ontwikkeling
ix. Overkoepelende kosten
b. Een inhoudelijke omschrijving van welke activiteiten per kostencategorie zijn uitgevoerd door de instelling in 2023, waarvan in elk geval categorie ix nader gespecificeerd wordt.
a. De kosten voor ontwikkeling en innovatie betrekking hebbend op 2023, onderverdeeld naar de volgende categorieën: i. Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS
ii. Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici
iii. (Nog) niet vergoede zorg
iv. Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen
v. Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën
vi. Kennisdeling en consultatie
vii. Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen
viii. Databank-functie en big data-ontwikkeling
ix. Overkoepelende kosten Kwalitatief
i. Innovatie gekoppeld aan de innovatiekalender van het Ministerie van VWS
ii. Investeringen ten behoeve van innovatieve apparatuur en fysici
iii. (Nog) niet vergoede zorg
iv. Klinische research en randvoorwaardelijke voorzieningen
v. Beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën
vi. Kennisdeling en consultatie
vii. Ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen
viii. Databank-functie en big data-ontwikkeling
ix. Overkoepelende kosten
b. Een inhoudelijke omschrijving van welke activiteiten per kostencategorie zijn uitgevoerd door de instelling in 2023, waarvan in elk geval categorie ix nader gespecificeerd wordt.
2. De NZa stelt vast dat elke ontvanger de informatie heeft aangeleverd.
3. De informatie wordt niet gebruikt om de bbaz te muteren, maar wel: a. door de NZa om de omschrijving van O&I en de te onderscheiden kostencategorieën te verbeteren;
b. door de ontvangers om inzicht te krijgen in passendheid van de bbaz voor de kosten verbonden aan het in stand houden van academische zorg.
c. Een traject voor maatwerk in te zetten en op te starten wanneer er sprake is van onderverantwoording zoals beschreven in artikel 4.2 lid 4.
a. door de NZa om de omschrijving van O&I en de te onderscheiden kostencategorieën te verbeteren;
b. door de ontvangers om inzicht te krijgen in passendheid van de bbaz voor de kosten verbonden aan het in stand houden van academische zorg.
c. Een traject voor maatwerk in te zetten en op te starten wanneer er sprake is van onderverantwoording zoals beschreven in artikel 4.2 lid 4.
De richtlijnen voor het opstellen van de verantwoording per categorie zoals opgenomen in artikel 4.2.2 lid 1 zijn verder uitgewerkt in de bijlage 2 – formulier huisspecifieke toelichting O&I en TRF 2023.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0049604
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl