BWBR0049322
Geldig vanaf 2024-07-01
Artikel 3
Tijdelijke wet Klimaatfonds
1. Het fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016.
2. Onze Minister beheert het fonds.
3. Onze Minister beoordeelt de maatregelen die overeenkomstig artikel 2, tweede lid, gefaciliteerd kunnen worden onder meer met betrekking tot:
a. de overeenstemming met het klimaatplan, bedoeld in artikel 3 van de Klimaatwet;
b. de uitvoerbaarheid, doeltreffendheid en doelmatigheid van de maatregelen;
c. de duur van de maatregelen in relatie tot de tijdelijkheid van het fonds; en
d. of de maatregelen additioneel zijn aan klimaatmaatregelen die zijn vastgesteld en gefinancierd vóór 1 januari 2022.
4. Bij de toepassing van het derde lid, aanhef en onderdeel b, wordt rekening gehouden met de gevolgen van het klimaatbeleid, genoemd in artikel 3, tweede lid, onderdeel g, van de Klimaatwet, en de beschouwing daarover in het klimaatplan.
5. Onze Minister die het aangaat overlegt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur of van een ministeriële regeling voor een maatregel die voor facilitering door het fonds in aanmerking komt aan beide Kamers der Staten Generaal, voor zover de wens daartoe door of namens een der Kamers der Staten-Generaal of door ten minste een derde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers bij de behandeling van een meerjarenprogramma te kennen is gegeven. De voordracht voor de desbetreffende algemene maatregel van bestuur of de vaststelling van de desbetreffende ministeriële regeling gebeurt niet eerder dan vier weken nadat het ontwerp is overgelegd.
2. Onze Minister beheert het fonds.
3. Onze Minister beoordeelt de maatregelen die overeenkomstig artikel 2, tweede lid, gefaciliteerd kunnen worden onder meer met betrekking tot:
a. de overeenstemming met het klimaatplan, bedoeld in artikel 3 van de Klimaatwet;
b. de uitvoerbaarheid, doeltreffendheid en doelmatigheid van de maatregelen;
c. de duur van de maatregelen in relatie tot de tijdelijkheid van het fonds; en
d. of de maatregelen additioneel zijn aan klimaatmaatregelen die zijn vastgesteld en gefinancierd vóór 1 januari 2022.
4. Bij de toepassing van het derde lid, aanhef en onderdeel b, wordt rekening gehouden met de gevolgen van het klimaatbeleid, genoemd in artikel 3, tweede lid, onderdeel g, van de Klimaatwet, en de beschouwing daarover in het klimaatplan.
5. Onze Minister die het aangaat overlegt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur of van een ministeriële regeling voor een maatregel die voor facilitering door het fonds in aanmerking komt aan beide Kamers der Staten Generaal, voor zover de wens daartoe door of namens een der Kamers der Staten-Generaal of door ten minste een derde van het grondwettelijk aantal leden van een der Kamers bij de behandeling van een meerjarenprogramma te kennen is gegeven. De voordracht voor de desbetreffende algemene maatregel van bestuur of de vaststelling van de desbetreffende ministeriële regeling gebeurt niet eerder dan vier weken nadat het ontwerp is overgelegd.