BWBR0049260
Geldig vanaf 2024-01-13
Artikel 7
Beleidsregel evenredigheidstoets en sanctionering bij verlies betrouwbaarheid busvervoer 2024
1. Onze Minister concludeert in het onderzoeksrapport dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder een onevenredig strenge sanctie is indien:
a. de handelingen van een derde die ten grondslag liggen aan overtredingen van wezenlijke invloed zijn geweest;
b. sprake is van een niet toerekenbaar gebrek aan kennis over de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het begaan van overtredingen terwijl kennis daarvan de overtredingen zou hebben voorkomen, of
c. sprake is van een door de vervoerder aan te tonen andere situatie van overmacht waardoor overtredingen niet aan hem zijn te wijten.
2. Onze Minister concludeert in het onderzoeksrapport dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder een onevenredig strenge sanctie is indien de vervoerder kan aantonen dat hij het begaan van bedoelde overtredingen duurzaam heeft beperkt door:
a. het geven van de nodige en kenbare instructies aan de chauffeur;
b. het treffen van structurele maatregelen in de bedrijfsvoering gericht op het bevorderen van de naleving van de regelgeving die ten grondslag lag aan de strafpunten;
c. het aan de chauffeur verstrekken van de nodige middelen voor de naleving van de onder b bedoelde regelgeving; en
d. het houden van in redelijkheid te vorderen toezicht ter zake van de onderdelen a tot en met c.
3. Onze Minister concludeert in het onderzoeksrapport dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder een onevenredig strenge sanctie is indien de vervoersmanager door zijn solistische wijze van optreden en handelen, dat indruist tegen het bestendig bedrijfsbeleid, als enige verantwoordelijk kan worden gehouden voor het begaan of doen begaan van één of meer overtredingen.
4. Onze Minister concludeert in het onderzoeksrapport dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder geen onevenredig strenge sanctie is indien hij door zijn solistische wijze van optreden en handelen, dat indruist tegen het bestendig bedrijfsbeleid, als enige verantwoordelijk kan worden gehouden voor het begaan of doen begaan van de overtredingen.
a. de handelingen van een derde die ten grondslag liggen aan overtredingen van wezenlijke invloed zijn geweest;
b. sprake is van een niet toerekenbaar gebrek aan kennis over de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het begaan van overtredingen terwijl kennis daarvan de overtredingen zou hebben voorkomen, of
c. sprake is van een door de vervoerder aan te tonen andere situatie van overmacht waardoor overtredingen niet aan hem zijn te wijten.
2. Onze Minister concludeert in het onderzoeksrapport dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder een onevenredig strenge sanctie is indien de vervoerder kan aantonen dat hij het begaan van bedoelde overtredingen duurzaam heeft beperkt door:
a. het geven van de nodige en kenbare instructies aan de chauffeur;
b. het treffen van structurele maatregelen in de bedrijfsvoering gericht op het bevorderen van de naleving van de regelgeving die ten grondslag lag aan de strafpunten;
c. het aan de chauffeur verstrekken van de nodige middelen voor de naleving van de onder b bedoelde regelgeving; en
d. het houden van in redelijkheid te vorderen toezicht ter zake van de onderdelen a tot en met c.
3. Onze Minister concludeert in het onderzoeksrapport dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder een onevenredig strenge sanctie is indien de vervoersmanager door zijn solistische wijze van optreden en handelen, dat indruist tegen het bestendig bedrijfsbeleid, als enige verantwoordelijk kan worden gehouden voor het begaan of doen begaan van één of meer overtredingen.
4. Onze Minister concludeert in het onderzoeksrapport dat het verlies van betrouwbaarheid van de vervoerder geen onevenredig strenge sanctie is indien hij door zijn solistische wijze van optreden en handelen, dat indruist tegen het bestendig bedrijfsbeleid, als enige verantwoordelijk kan worden gehouden voor het begaan of doen begaan van de overtredingen.