BWBR0049130
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel XIII
Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen
1. Op verzoek van de commanditaire vennoot wordt het als gevolg van de toepassing van artikel IX, derde lid, door hem behaalde resultaat niet in aanmerking genomen, mits de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel IX, derde lid, met ingang van 1 januari 2025 worden gebruikt in de onderneming waaruit die vennoot, anders dan als ondernemer of aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen winst gaat genieten. In dat geval stelt de commanditaire vennoot, als medegerechtigde tot het vermogen van de commanditaire vennootschap, de betreffende vermogensbestanddelen te boek op de waarde waarvoor die vermogensbestanddelen op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 bij de werkzaamheid te boek waren gesteld.
2. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de fiscale reserves, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.53" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>, de doorschuiving via te conserveren inkomen naar een andere werkzaamheid op de voet van <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.64" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.64 van die wet</a>, alsmede voorzieningen die in overeenstemming met <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.25 van die wet</a>zijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid. Degene die, anders dan als ondernemer of aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen winst gaat genieten en naar wie de reserve of voorziening overgaat dan wel bij wie er via te conserveren inkomen wordt doorgeschoven, wordt voor het bepalen van de winst geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd.
3. Indien als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet de terbeschikkingstelling van onroerende zaken aan een open commanditaire vennootschap als bedoeld in artikel IX, eerste lid, met ingang van 1 januari 2025 niet langer als een werkzaamheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.92" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>wordt aangemerkt en de onroerende zaken met ingang van dat tijdstip dienstbaar zijn aan de onderneming waarin als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet een medegerechtigdheid is ontstaan, dan worden voor de toets of is voldaan aan de periode van één jaar, onderscheidenlijk vijf jaren, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002226/artikel/35d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 35d, eerste lid, van de Successiewet 1956</a>, de onmiddellijk aan 1 januari 2025 voorafgaande periode van die terbeschikkingstelling en de periode waarin die onroerende zaken dienstbaar zijn aan de onderneming waarin die medegerechtigdheid is ontstaan bij elkaar gevoegd als ware het één periode.
4. Indien als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet de terbeschikkingstelling van onroerende zaken aan een open commanditaire vennootschap als bedoeld in artikel IX, eerste lid, met ingang van 1 januari 2025 niet langer als een werkzaamheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.92" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>wordt aangemerkt, wordt dit niet als een gebeurtenis als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002226/artikel/35e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 35e, eerste lid, onderdeel d, onder 1°, van de Successiewet 1956</a>aangemerkt, mits de onroerende zaken met ingang van dat tijdstip dienstbaar zijn aan de onderneming waarin als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet een medegerechtigdheid is ontstaan. Daarbij worden voor de toets of is voldaan aan het voortzettingsvereiste gedurende de periode van vijf jaren, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002226/artikel/35b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 35b, vijfde lid, van de Successiewet 1956</a>, de onmiddellijk aan 1 januari 2025 voorafgaande periode van die terbeschikkingstelling en de periode waarin die onroerende zaken dienstbaar zijn aan de onderneming waarin die medegerechtigdheid is ontstaan bij elkaar gevoegd als ware het één periode.
2. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de fiscale reserves, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.53" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.53, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>, de doorschuiving via te conserveren inkomen naar een andere werkzaamheid op de voet van <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.64" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.64 van die wet</a>, alsmede voorzieningen die in overeenstemming met <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.25 van die wet</a>zijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid. Degene die, anders dan als ondernemer of aandeelhouder, als medegerechtigde tot het vermogen winst gaat genieten en naar wie de reserve of voorziening overgaat dan wel bij wie er via te conserveren inkomen wordt doorgeschoven, wordt voor het bepalen van de winst geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd.
3. Indien als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet de terbeschikkingstelling van onroerende zaken aan een open commanditaire vennootschap als bedoeld in artikel IX, eerste lid, met ingang van 1 januari 2025 niet langer als een werkzaamheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.92" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>wordt aangemerkt en de onroerende zaken met ingang van dat tijdstip dienstbaar zijn aan de onderneming waarin als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet een medegerechtigdheid is ontstaan, dan worden voor de toets of is voldaan aan de periode van één jaar, onderscheidenlijk vijf jaren, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002226/artikel/35d" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 35d, eerste lid, van de Successiewet 1956</a>, de onmiddellijk aan 1 januari 2025 voorafgaande periode van die terbeschikkingstelling en de periode waarin die onroerende zaken dienstbaar zijn aan de onderneming waarin die medegerechtigdheid is ontstaan bij elkaar gevoegd als ware het één periode.
4. Indien als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet de terbeschikkingstelling van onroerende zaken aan een open commanditaire vennootschap als bedoeld in artikel IX, eerste lid, met ingang van 1 januari 2025 niet langer als een werkzaamheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.92" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>wordt aangemerkt, wordt dit niet als een gebeurtenis als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002226/artikel/35e" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 35e, eerste lid, onderdeel d, onder 1°, van de Successiewet 1956</a>aangemerkt, mits de onroerende zaken met ingang van dat tijdstip dienstbaar zijn aan de onderneming waarin als gevolg van de inwerkingtreding van deze wet een medegerechtigdheid is ontstaan. Daarbij worden voor de toets of is voldaan aan het voortzettingsvereiste gedurende de periode van vijf jaren, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002226/artikel/35b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 35b, vijfde lid, van de Successiewet 1956</a>, de onmiddellijk aan 1 januari 2025 voorafgaande periode van die terbeschikkingstelling en de periode waarin die onroerende zaken dienstbaar zijn aan de onderneming waarin die medegerechtigdheid is ontstaan bij elkaar gevoegd als ware het één periode.