BWBR0049074
Geldig vanaf 2024-01-01
Artikel 3
Regeling specifieke uitkering niet beoogde kosten jeugdzorg vanwege verblijf in gemeente
1. De minister kan op aanvraag een uitkering verstrekken aan een gemeente die op grond de Jeugdwetverantwoordelijk is voor de bekostiging van aaneengesloten jeugdhulp met verblijf en de daarmee samenhangende kosten, die zijn ontstaan na inwerkingtreding van de Wet wijziging woonplaatsbeginsel, voor een jeugdige die:
a. is geboren in een in deze gemeente gevestigde instelling en destijds is ingeschreven in de BRP in deze gemeente; en wiens moeder ten tijde van de geboorte van deze jeugdige is ingeschreven in de BRP in deze gemeente, maar dat niet was voorafgaand aan het verblijf in die instelling;
b. voorafgaand aan de aaneengesloten jeugdhulp met verblijf, verbleef in een in de aanvragende gemeente gevestigd opvangcentrum en destijds is ingeschreven in het BRP in deze gemeente;
c. is geboren buiten Nederland en onmiddellijk sinds diens aankomst in Nederland verbleef in een in de aanvragende gemeente gevestigde instelling en destijds is ingeschreven in de BRP in deze gemeente; of
d. vanuit het buitenland geplaatst is bij een bij de minister en gemeente bekende organisatie voor een observatieperiode en daarna in een in de aanvragende gemeente gevestigde instelling is geplaatst, waar diens moeder voor die plaatsing was ingeschreven in de BRP.
2. De minister kan afwijken van de situaties, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. naar het oordeel van de minister blijkt dat door de aanvragende gemeente redelijkerwijs wordt aangetoond dat sprake is van niet beoogde bekostiging van aaneengesloten jeugdhulp met verblijf en de daarmee samenhangende kosten voor een jeugdige, na inwerkingtreding van de Wet wijziging woonplaatsbeginsel, die voortvloeit uit het feit dat in die gemeente een instelling of opvangcentrum is gevestigd; en
b. de aanvragende gemeente zich heeft ingespannen te onderzoeken en bewerkstelligen dat de juiste gemeente de aaneengesloten jeugdhulp met verblijf aan de jeugdige en de daarmee samenhangende kosten financiert.
a. is geboren in een in deze gemeente gevestigde instelling en destijds is ingeschreven in de BRP in deze gemeente; en wiens moeder ten tijde van de geboorte van deze jeugdige is ingeschreven in de BRP in deze gemeente, maar dat niet was voorafgaand aan het verblijf in die instelling;
b. voorafgaand aan de aaneengesloten jeugdhulp met verblijf, verbleef in een in de aanvragende gemeente gevestigd opvangcentrum en destijds is ingeschreven in het BRP in deze gemeente;
c. is geboren buiten Nederland en onmiddellijk sinds diens aankomst in Nederland verbleef in een in de aanvragende gemeente gevestigde instelling en destijds is ingeschreven in de BRP in deze gemeente; of
d. vanuit het buitenland geplaatst is bij een bij de minister en gemeente bekende organisatie voor een observatieperiode en daarna in een in de aanvragende gemeente gevestigde instelling is geplaatst, waar diens moeder voor die plaatsing was ingeschreven in de BRP.
2. De minister kan afwijken van de situaties, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. naar het oordeel van de minister blijkt dat door de aanvragende gemeente redelijkerwijs wordt aangetoond dat sprake is van niet beoogde bekostiging van aaneengesloten jeugdhulp met verblijf en de daarmee samenhangende kosten voor een jeugdige, na inwerkingtreding van de Wet wijziging woonplaatsbeginsel, die voortvloeit uit het feit dat in die gemeente een instelling of opvangcentrum is gevestigd; en
b. de aanvragende gemeente zich heeft ingespannen te onderzoeken en bewerkstelligen dat de juiste gemeente de aaneengesloten jeugdhulp met verblijf aan de jeugdige en de daarmee samenhangende kosten financiert.