BWBR0049024
Geldig vanaf 2023-12-08
Artikel 4
Tijdelijke subsidieregeling elektrificatie binnenvaartschepen 2023–2027
1. Voor de periode tot en met 31 december 2026 is voor de subsidiëring van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, ten hoogste € 15.100.000,– beschikbaar.
2. Voor de periode tot en met 31 december 2025 is voor de subsidiëring van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, ten hoogste € 7.397.000,– beschikbaar.
3. Voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 is € 3.698.000,– beschikbaar.
4. Een aanvraag voor een subsidie kan worden ingediend in de volgende perioden:
a. met ingang van de inwerkingtreding van deze regeling, 9.00 uur tot en met 31 juli 2025, 12.00 uur;
b. van 1 september 2025, 9.00 uur tot en met 15 oktober 2025, 12.00 uur;
c. van 15 januari 2026, 9.00 uur tot en met 15 maart 2026, 12.00 uur.
5. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.
6. De subsidieverlening wordt gerechtvaardigd op grond van artikel 25, eerste lid, en artikel 36 ter, eerste lid, van de AGVV.
7. De subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt ten hoogste 40% van de in aanmerking komende kosten tot een maximum van:
a. € 550.000,– per nieuw te bouwen vaartuig of als het vaartuig vóór de uitvoering van het project was uitgerust met een diesel elektrische aandrijving of volledig elektrische aandrijving; of
b. € 750.000,– per vaartuig als het vaartuig vóór de uitvoering van het project enkel was uitgerust met een conventionele aandrijving met verbrandingsmotoren.
8. De aanvullende subsidie voor een industrieel onderzoeksproject als bedoeld in artikel 3, tweede lid, bedraagt ten hoogste € 75.000,– per aanvraag.
9. Voor een industrieel onderzoeksproject komt 50% van de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten voor industriële onderzoeksprojecten voor subsidie in aanmerking:
a. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon: loon in geld, volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1.650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten.
b. In geval van een parttime dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een fulltime dienstverband;
c. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in onderdeel a bedoelde loonkosten;
d. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
e. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
f. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
g. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten.
10. De steunintensiteit van een onderzoek als bedoeld in het zesde lid kan met 10 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor subsidie aan kleine ondernemingen.
2. Voor de periode tot en met 31 december 2025 is voor de subsidiëring van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, ten hoogste € 7.397.000,– beschikbaar.
3. Voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2026 is € 3.698.000,– beschikbaar.
4. Een aanvraag voor een subsidie kan worden ingediend in de volgende perioden:
a. met ingang van de inwerkingtreding van deze regeling, 9.00 uur tot en met 31 juli 2025, 12.00 uur;
b. van 1 september 2025, 9.00 uur tot en met 15 oktober 2025, 12.00 uur;
c. van 15 januari 2026, 9.00 uur tot en met 15 maart 2026, 12.00 uur.
5. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.
6. De subsidieverlening wordt gerechtvaardigd op grond van artikel 25, eerste lid, en artikel 36 ter, eerste lid, van de AGVV.
7. De subsidie voor de activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt ten hoogste 40% van de in aanmerking komende kosten tot een maximum van:
a. € 550.000,– per nieuw te bouwen vaartuig of als het vaartuig vóór de uitvoering van het project was uitgerust met een diesel elektrische aandrijving of volledig elektrische aandrijving; of
b. € 750.000,– per vaartuig als het vaartuig vóór de uitvoering van het project enkel was uitgerust met een conventionele aandrijving met verbrandingsmotoren.
8. De aanvullende subsidie voor een industrieel onderzoeksproject als bedoeld in artikel 3, tweede lid, bedraagt ten hoogste € 75.000,– per aanvraag.
9. Voor een industrieel onderzoeksproject komt 50% van de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten voor industriële onderzoeksprojecten voor subsidie in aanmerking:
a. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon: loon in geld, volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1.650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten.
b. In geval van een parttime dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een fulltime dienstverband;
c. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in onderdeel a bedoelde loonkosten;
d. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
e. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
f. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
g. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten.
10. De steunintensiteit van een onderzoek als bedoeld in het zesde lid kan met 10 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor subsidie aan kleine ondernemingen.