BWBR0048796
Geldig vanaf 2023-10-28
Artikel 34
Regeling bekostiging WPO en WEC 2024
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
asielzoeker:
a. vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, die: – ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag; en
– in het bezit is gesteld: 1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet;
1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet;
– ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag; en
– in het bezit is gesteld: 1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet;
1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet;
b. ontheemde op wie de tijdelijke bescherming van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PbEU 2022, L 071) van toepassing is en die ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag;
c. ontheemde op wie de tijdelijke bescherming van artikel 7 van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PbEU 2001, L 212) van toepassing is en die ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag.
overige vreemdeling:vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, niet zijnde een asielzoeker, die:
– ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag; en
– in het bezit is gesteld: 1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; of 2°. Van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; of
2°. Van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
2. Het bevoegd gezag van een basisschool waar de eerste opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor ten minste vier asielzoekers of overige vreemdelingen die in aanmerking komen voor de bekostiging als bedoeld in dit artikel, ontvangt op aanvraag aanvullende bekostiging.
3. Het recht van aanvullende bekostiging bedraagt per leerling maximaal twaalf maanden gerekend vanaf de eerste dag van inschrijving op een school met inachtneming van de peildata in het vijfde lid.
4. In afwijking van het derde lid wordt in het geval de datum van vestiging in Nederland van de leerling voor het vierde levensjaar van deze leerling ligt, de periode tussen de datum van vestiging in Nederland en het bereiken van de leeftijd van vier jaar in mindering gebracht op het recht op deze bekostiging. De datum van vestiging is de oudste datum van inschrijving in Nederland als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling register onderwijsdeelnemers.
5. De aanvullende bekostiging heeft betrekking op een periode van drie maanden, met als peildata:
a. 1 januari voor de periode januari tot en met maart;
b. 1 april voor de periode april tot en met juni;
c. 1 juli voor de periode juli tot en met september;
d. 1 oktober voor de periode oktober tot en met december.
6. Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de aanvullende bekostiging een aanvraag in die, indien de peildatum 1 juli betreft, moet zijn ontvangen binnen acht weken na de peildatum en, indien het een andere peildatum betreft, binnen vier weken na de peildatum. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft die is ontvangen na deze termijn.
7. Een basisschool die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen verzorgde, komt in aanmerking voor een eenmalige aanvulling op de aanvullende bekostiging van € 15.640,56.
8. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:
a. naam, instellingscode, postcode en plaats van de basisschool;
b. indien de peildatum 1 januari betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op 1 januari, en het aantal asielzoekers en het aantal overige vreemdelingen dat op 1 februari van het voorgaande schooljaar aan de basisschool stond ingeschreven of indien de peildatum niet 1 januari betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de peildatum; en
c. in geval van toepassing van het vijfde lid, een verklaring dat de basisschool niet eerder de eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk de eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen heeft verzorgd.
9. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de formules:
• Indien de peildatum 1 januari betreft: o indien Ap groter is dan At: (Ap – At) x € 13.053,33 x 25,00% verhoogd met (At + Vp) x € 4.055,31 x 25,00%
o indien Ap niet groter is dan At: (Ap + Vp) x € 4.055,31 x 25,00%.
o indien Ap groter is dan At: (Ap – At) x € 13.053,33 x 25,00% verhoogd met (At + Vp) x € 4.055,31 x 25,00%
o indien Ap niet groter is dan At: (Ap + Vp) x € 4.055,31 x 25,00%.
• Indien de peildatum 1 april, 1 juli of 1 oktober betreft: Ap x € 13.053,33 x 25,00% verhoogd met Vp x € 4.055,31 x 25,00%.
waarin steeds:
• Ap = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat asielzoeker is;
• Vp = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat overige vreemdeling is;
• At = het totaal aantal op 1 februari van het voorgaande schooljaar ingeschreven leerlingen dat op de eerste schooldag asielzoeker is.
10. Het bedrag per leerling wordt vastgesteld overeenkomstig de code van de verblijfsrechtelijke status van de leerling waaruit volgt of de leerling als een asielzoeker of een overige vreemdeling wordt beschouwd. Wanneer een leerling asielzoeker of overige vreemdeling is, wordt dit weergegeven in onderstaande tabel:
[tabel]
11. Het bevoegd gezag bepaalt of een leerling een asielzoeker of een overige vreemdeling is in het geval de leerling:
a. is ingeschreven op basis van het onderwijsnummer bedoeld in artikel 40b, vierde lid, van de WPO en waarvan het evident is dat hij asielzoeker of overige vreemdeling is; of
b. een verblijfstitel 21 of 98 heeft als bedoeld in de tabel in het tiende lid.
12. De aanvullende bekostiging, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor leerlingen die geboren zijn in Nederland en die de verblijfsrechtelijke status krijgen van één van de ouders of voogden.
asielzoeker:
a. vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, die: – ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag; en
– in het bezit is gesteld: 1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet;
1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet;
– ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag; en
– in het bezit is gesteld: 1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet;
1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet; of
2°. Door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers van een verklaring waaruit blijkt dat de vreemdeling in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h of j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van die wet;
b. ontheemde op wie de tijdelijke bescherming van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (PbEU 2022, L 071) van toepassing is en die ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag;
c. ontheemde op wie de tijdelijke bescherming van artikel 7 van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PbEU 2001, L 212) van toepassing is en die ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag.
overige vreemdeling:vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, niet zijnde een asielzoeker, die:
– ingeschreven staat op een basisschool, niet zijnde een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs als bedoeld in artikel 85a, van de WPO of een afdeling basisonderwijs van de Europese school te Den Haag; en
– in het bezit is gesteld: 1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; of 2°. Van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
1°. Door de Minister van Justitie en Veiligheid van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; of
2°. Van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
2. Het bevoegd gezag van een basisschool waar de eerste opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor ten minste vier asielzoekers of overige vreemdelingen die in aanmerking komen voor de bekostiging als bedoeld in dit artikel, ontvangt op aanvraag aanvullende bekostiging.
3. Het recht van aanvullende bekostiging bedraagt per leerling maximaal twaalf maanden gerekend vanaf de eerste dag van inschrijving op een school met inachtneming van de peildata in het vijfde lid.
4. In afwijking van het derde lid wordt in het geval de datum van vestiging in Nederland van de leerling voor het vierde levensjaar van deze leerling ligt, de periode tussen de datum van vestiging in Nederland en het bereiken van de leeftijd van vier jaar in mindering gebracht op het recht op deze bekostiging. De datum van vestiging is de oudste datum van inschrijving in Nederland als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling register onderwijsdeelnemers.
5. De aanvullende bekostiging heeft betrekking op een periode van drie maanden, met als peildata:
a. 1 januari voor de periode januari tot en met maart;
b. 1 april voor de periode april tot en met juni;
c. 1 juli voor de periode juli tot en met september;
d. 1 oktober voor de periode oktober tot en met december.
6. Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de aanvullende bekostiging een aanvraag in die, indien de peildatum 1 juli betreft, moet zijn ontvangen binnen acht weken na de peildatum en, indien het een andere peildatum betreft, binnen vier weken na de peildatum. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft die is ontvangen na deze termijn.
7. Een basisschool die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen verzorgde, komt in aanmerking voor een eenmalige aanvulling op de aanvullende bekostiging van € 15.640,56.
8. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:
a. naam, instellingscode, postcode en plaats van de basisschool;
b. indien de peildatum 1 januari betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op 1 januari, en het aantal asielzoekers en het aantal overige vreemdelingen dat op 1 februari van het voorgaande schooljaar aan de basisschool stond ingeschreven of indien de peildatum niet 1 januari betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de peildatum; en
c. in geval van toepassing van het vijfde lid, een verklaring dat de basisschool niet eerder de eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk de eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen heeft verzorgd.
9. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de formules:
• Indien de peildatum 1 januari betreft: o indien Ap groter is dan At: (Ap – At) x € 13.053,33 x 25,00% verhoogd met (At + Vp) x € 4.055,31 x 25,00%
o indien Ap niet groter is dan At: (Ap + Vp) x € 4.055,31 x 25,00%.
o indien Ap groter is dan At: (Ap – At) x € 13.053,33 x 25,00% verhoogd met (At + Vp) x € 4.055,31 x 25,00%
o indien Ap niet groter is dan At: (Ap + Vp) x € 4.055,31 x 25,00%.
• Indien de peildatum 1 april, 1 juli of 1 oktober betreft: Ap x € 13.053,33 x 25,00% verhoogd met Vp x € 4.055,31 x 25,00%.
waarin steeds:
• Ap = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat asielzoeker is;
• Vp = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat overige vreemdeling is;
• At = het totaal aantal op 1 februari van het voorgaande schooljaar ingeschreven leerlingen dat op de eerste schooldag asielzoeker is.
10. Het bedrag per leerling wordt vastgesteld overeenkomstig de code van de verblijfsrechtelijke status van de leerling waaruit volgt of de leerling als een asielzoeker of een overige vreemdeling wordt beschouwd. Wanneer een leerling asielzoeker of overige vreemdeling is, wordt dit weergegeven in onderstaande tabel:
[tabel]
11. Het bevoegd gezag bepaalt of een leerling een asielzoeker of een overige vreemdeling is in het geval de leerling:
a. is ingeschreven op basis van het onderwijsnummer bedoeld in artikel 40b, vierde lid, van de WPO en waarvan het evident is dat hij asielzoeker of overige vreemdeling is; of
b. een verblijfstitel 21 of 98 heeft als bedoeld in de tabel in het tiende lid.
12. De aanvullende bekostiging, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor leerlingen die geboren zijn in Nederland en die de verblijfsrechtelijke status krijgen van één van de ouders of voogden.