BWBR0048759
Geldig vanaf 01-01-2024
Artikel 5
Beleidsregel beschikbaarheidbijdrage academische zorg 2024
1. Criteria verstrekking
Aanbieders van academische zorg kunnen in aanmerking komen voor de verstrekking van een BBAZ indien voldaan is aan de volgende drie cumulatieve criteria:
a. Van het totaal aantal patiënten van een Nederlandse zorgaanbieder op jaarbasis is minimaal 35% een topreferente patiënt, waarbij een topreferente patiënt voldoet aan de labelsystematiek, die is ontwikkeld in het ROBIJN-traject; én
b. er is sprake van een bestuurlijk formeel samenwerkingsverband met een Nederlands Instituut voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek of een Nederlandse geneeskunde faculteit. Dit samenwerkingsverband wordt ook aanwezig geacht indien beide functies in één organisatie zijn ondergebracht; én
c. zorgaanbieders moeten voldoen aan de kenmerken uit de huidige definitie van de topreferente functie waarbij het verrichten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek een belangrijk element is.
In aanvulling op het bovenstaande geldt:
Ad a) Zorgaanbieders moeten minimaal drie achtereenvolgende jaren het 35% criterium halen. Hierbij gaat het om de jaren 2017 t/m 2019. Voor het toelatingscriterium worden zowel unieke als gedeelde zorgproducten meegeteld om het percentage topreferente patiënten te berekenen.
Ad b) Tussen de zorgaanbieder en het kennisinstituut moet een formele regeling zijn overeengekomen door de RvB en RvT van beide instellingen waarmee een gemeenschappelijk beleidsorgaan is ingesteld. Dit beleidsorgaan heeft als taak doelmatige samenwerking op het terrein van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen het kennisinstituut en de zorgaanbieder te bevorderen. Dit beleidsorgaan moet voor de periode waar de verlening op is gebaseerd bestaan hebben. Het betreffende kennisinstituut moet zijn genoemd in de subsidieregeling van NWO, dan wel vergelijkbaar zijn wat betreft belang en omvang.
Er moet sprake zijn van het ontwikkelen en in stand houden van een op kennisoverdracht gerichte infrastructuur voor de volle breedte van de medisch specialistische zorg. Er moet sprake zijn van brede uitrol van bewezen innovaties in de zorg (diagnostiek/behandeling).
Ad c) De zorgaanbieder realiseert minimaal een verhouding van 1:10 hoogleraar ten opzichte van het aantal medische specialisten.
De zorgaanbieder dient tenminste zeven poortspecialismen aanwezig te hebben of structureel in te huren om de zorg op die poortspecialismen te kunnen garanderen;
De zorgaanbieder dient zorg te leveren in minimaal veertien verschillende zorgproducthoofdgroepen.
De zorgaanbieder vervult de last resort functie. De instelling voert medische verrichtingen uit bij patiënten die anders uitbehandeld zouden zijn en garandeert deze voorziening. Dit gebeurt in nauwe afstemming met ontvangers van de BBAZ. De NZa zal dit casuïstisch beoordelen.
2. Compartimenten
Binnen de BBAZ worden twee compartimenten onderscheiden:
a. Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg niet volledig bekostigd wordt via prestaties en tarieven;
b. Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg volledig wordt bekostigd via prestaties en tarieven.
3. Hoogte beschikbaarheidbijdrage
a. De beschikbaarheidbijdrage bestaat uit een vergoeding voor topreferente patiëntenzorg en het beschikbaar houden van de infrastructuur voor het uitvoeren van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de vergoeding bedoeld voor het bedenken, uittesten en verspreiden van nieuwe behandelingen en diagnostiek en de ontwikkeling & innovatie die nodig is voor het behandelen van topreferente patiënten.
b. De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment een € 940.886.231 dit bedrag is exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC.
c. Er is € 557.154 bestemd als vergoeding aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) vanwege haar functie als Nationaal Referentie Centrum Histocompatibiliteitsonderzoek.
4. Verdeling beschikbare middelen over het variabele en vaste deel
Voor het jaar 2024 is 65% van de totale BBAZ, (exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC), beschikbaar voor het bekostigen van de topreferente patiëntenzorg en 35% van de huidige totale BBAZ voor het bekostigen van het vaste ofwel O&I-deel.
[tabel]
5. Beschikbare middelen het 2e compartiment
De vergoeding voor zorgaanbieders uit het tweede compartiment is gebaseerd op de resultaten van een kostenonderzoek/kostenbegroting zoals vastgesteld door VWS.
[tabel]
6. Verlening binnen compartimenten
a. Het variabele deel wordt verdeeld op basis van het aantal topreferente patiënten over het jaar 2019 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek exclusief patiënten die uitsluitend unieke zorgproducten ontvangen. Hiervoor maken we gebruik van DIS data die is aangeleverd tot oktober 2023. De labels van de labelsystematiek: 1. Patiënten met een hoge behandelintensiteit; het betreft patiënten in een fase in het ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld.
2. Patiënten die een uniek zorgaanbod nodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag of de benodigde infrastructuur.
3. Patiënten die multispecialistische zorg nodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken.
4. Patiënten die een complexe ingreep nodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan.
5. Patiënten met een zeldzame diagnose die gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt gesteld.
6. Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (tertiaire verwijzing). Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder.
7. Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex. De functionele omschrijving wordt verder doorontwikkeld in overleg met het zorgveld. De functionele omschrijving c.q. uitwerking van bovenstaande labels is opgenomen in de bijlage 1 bij deze beleidsregel.
1. Patiënten met een hoge behandelintensiteit; het betreft patiënten in een fase in het ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld.
2. Patiënten die een uniek zorgaanbod nodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag of de benodigde infrastructuur.
3. Patiënten die multispecialistische zorg nodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken.
4. Patiënten die een complexe ingreep nodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan.
5. Patiënten met een zeldzame diagnose die gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt gesteld.
6. Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (tertiaire verwijzing). Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder.
7. Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex.
b. Het vaste deel wordt verdeeld op basis van de academische zorgomzet zoals deze blijkt uit de meest recent vastgestelde enkelvoudige jaarrekeningen. Voorwaarde is dat de jaarrekeningen van alle rechthebbenden moeten zijn vastgesteld. Indien de academische zorgomzet niet direct uit de jaarrekeningen volgt vragen we deze informatie aanvullend op bij de aanbieder en behoudt de NZa zich het recht voor om deze aanvullende informatie te onderzoeken en toetsen.
c. In afwijking op het uniform kader kan de aanvraag tot verlening tot en met 31 oktober van jaar t-1 worden ingediend.
d. In het geval van een juridische fusie tussen BBAZ ontvangers is er ten aanzien van de hoogte van het subsidiebedrag een gefaseerde overgang om schokeffecten te voorkomen. Dit is alleen het geval indien als gevolg van de fusie de totale BBAZ-subsidie van de fuserende BBAZ-ontvangers meer dan 1% daalt. Om die daling te berekenen wordt daartoe het subsidiebedrag voor 2024 van de nieuwe gefuseerde instelling vergeleken met het de opgetelde subsidiebedragen van de afzonderlijke fusiepartners voor 2024 (berekend op basis van deze beleidsregel) als er geen fusie zou zijn, dit gebaseerd op de DIS-cijfers die gehanteerd worden voor de verlening, en dus 2019 voor de toepassing van deze beleidsregel, en volgens de berekeningswijze van deze beleidsregel. Het verschil tussen deze twee berekeningen, als het een daling is, noemen we het overgangsbedrag en wordt bij de verlening in het eerste jaar waarin de fusie een feit is berekend en later niet meer herrekend als gevolg van recentere DIS-gegevens. Het overgangsbedrag wordt wel aangepast door indexatie op dezelfde wijze als dat gebeurt met de andere BBAZ-subsidiebedragen. Op het totaal beschikbare variabele deel wordt in het eerste subsidiejaar waarin de fusie een feit is 75 procent van het overgangsbedrag in mindering gebracht, in het daarop volgende jaar 50 procent en in het daar weer op volgende jaar 25 procent. Het restant van het beschikbare variabele deel wordt verdeeld volgens deze beleidsregel. Het op het variabele deel gekorte deel van het overgangsbedrag wordt elk jaar, ná de verdeling van het restant van het beschikbare variabele budget, toegekend aan de nieuwe gefuseerde instelling in aanvulling op het bedrag waar de nieuwe gefuseerde instelling in dat jaar volgens de verdeling op basis van deze beleidsregel recht op heeft.
7. Verantwoording
a. Vaste deel De bijdrage voor het vaste deel wordt verantwoord aan de hand van negen kostencategorieën op basis van het jaar 2024: 1. innovatie, onder andere gekoppeld aan de innovatiekalender van VWS (sustainable health);
2. ongedekte investeringen ten bate van innovatieve apparatuur en IT;
3. (nog) niet vergoede zorg (nog geen dbc);
4. randvoorwaardelijke voorzieningen in verband met klinisch onderzoek (niet elders vergoed);
5. beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën;
6. kennisdeling en consultatie (regio, 2e lijn, public health);
7. ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen;
8. databankfunctie en big data ontwikkeling;
9. overkoepelende kosten.
1. innovatie, onder andere gekoppeld aan de innovatiekalender van VWS (sustainable health);
2. ongedekte investeringen ten bate van innovatieve apparatuur en IT;
3. (nog) niet vergoede zorg (nog geen dbc);
4. randvoorwaardelijke voorzieningen in verband met klinisch onderzoek (niet elders vergoed);
5. beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën;
6. kennisdeling en consultatie (regio, 2e lijn, public health);
7. ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen;
8. databankfunctie en big data ontwikkeling;
9. overkoepelende kosten.
b. Variabele deel De bijdrage voor het variabele deel wordt verantwoord aan de hand van de meerkosten voor de topreferente patiënten op basis van de labelsystematiek. Deze worden berekend door de kosten voor de academische patiënten af te zetten tegen de referentiekostprijs voor de door de topreferente patiënten ontvangen zorg. Een instelling waarvoor als gevolg van een fusie artikel 5 lid 6 sub d van toepassing is, dient ook de daar berekende additionele subsidie te verantwoorden.
c. Algemeen De verantwoording door de zorgaanbieder wordt gedaan op basis van de nadere regel en het accountantsprotocol. Bij de verantwoording wordt onderscheid gemaakt in een variabel en een vast deel. De zorgaanbieder rekent zelf de gerealiseerde kosten toe aan één van beide delen. De NZa toetst de ingediende verantwoording mede aan de hand van het vastgestelde accountsprotocol. De methodiek van kostentoerekening moet zijn gebaseerd op een bestendige gedragslijn over meerdere jaren bij de desbetreffende zorgaanbieder. Voor deze verantwoordingsmethodiek zijn instructies vastgesteld door de NZa in het accountantsprotocol. In de specifieke toelichting door de betreffende zorgaanbieder wordt aangegeven hoe de instructies zijn gevolgd. Indien van de instructies is afgeweken wordt dit gemotiveerd. In het geval minder kosten worden verantwoord voor een deel dan vastgesteld zou worden op basis van de verdelingssystematiek geldt dat wordt vastgesteld op het niveau van de verantwoorde kosten. Als de vaststellingsbeschikking daarmee lager uitkomt dan verleend, dient het te veel ontvangen bedrag te worden terugbetaald aan het Zorgverzekeringsfonds. Dit bedrag wordt vervolgens beschikbaar gesteld voor de BBAZ-ontvangers die meer verantwoord hebben dan het bedrag dat zij op basis van de oorspronkelijke verdeling voor de vaststelling zouden ontvangen, maar nooit meer dan de oververantwoording. Het vastgestelde accountantsprotocol is bedoeld om een integrale verantwoording mogelijk te maken door de zorgaanbieder van de gerealiseerde kosten op basis van de bekostigingssystematiek voor de academische zorg. Indien de NZa gebruik maakt van de uitzonderingssituatie zoals beschreven in artikel 5 lid 8g zal met geen enkele BBAZ-ontvanger hard worden afgerekend over 2024. Hierdoor is het vastgestelde bedrag in dat geval ook beschikbaar bij onderverantwoording.
d. Substitutie Indien voor een jaar meer kosten worden verantwoord dan vastgesteld zou worden geldt dat deze meerkosten niet in aanmerking komen voor vergoeding. Dit is alleen anders wanneer in hetzelfde jaar meer kosten zijn gemaakt voor het variabele deel en tegelijkertijd minder kosten zijn gemaakt voor het vaste deel (of andersom). Voor deze situatie biedt het accountantsprotocol de mogelijkheid om aan te tonen dat deze meerkosten alsnog kunnen worden verantwoord als gemaakt ten behoeve van het andere deel en voor vergoeding in aanmerking moeten komen tot maximaal het totaalbedrag. Als verantwoord is volgens het geldende accountantsprotocol dan is aangetoond dat de kosten zijn gemaakt. De beschreven mogelijkheid tot substitutie van kosten tussen de delen maakt integraal onderdeel uit van de verantwoording op basis van het accountantsprotocol. De kosten dienen te zijn gemaakt voor activiteiten en voorzieningen die vallen onder academische zorg. De mogelijkheid tot substitutie van kosten kan er niet voor zorgen dat uiteindelijk een hoger totaalbedrag wordt vastgesteld dan vastgesteld zou worden op basis van de verdelingssystematiek.
8. Vaststelling
a. In de vaststelling worden patiënten die uitsluitend unieke dbc-zorgproducten ontvangen niet meegeteld.
b. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten in 2022 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data tot februari 2025 gebruikt.
c. Bij de vaststelling wordt bij de verdeling bij een fusie de methodiek als beschreven in artikel 5 lid 6 sub d toegepast.
d. Mocht een van de labels ten tijde van de verlening onvoldoende zijn uitontwikkeld dan wordt dit label ook niet gebruikt bij de vaststelling.
e. Het vaste deel wordt in 2024 vastgesteld op basis van de academische zorgomzet 2023.
f. Tussentijdse berekening De NZa zal in het tweede kwartaal van 2024 aan de ontvangers uit het 1e compartiment inzicht geven in de labelscores per instelling over het jaar 2022. De NZa zal zodra dit beschikbaar is tevens inzicht geven in de verdeling op basis van de academische zorgomzet 2023.
g. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten in 2022 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data tot februari 2025 gebruikt. Gezien de covidsituatie in 2022 wordt op basis van de realisatie 2022 beoordeeld of er aanleiding is om de verdeling anders vast te stellen. Indien de covidsituatie 2022 een daling heeft veroorzaakt van meer dan 20% ten opzichte van de totale labelscore van 2019 bij één of meer BBAZ-ontvangers, dan wordt het variabele deel verdeeld op basis van het aantal topreferente patiënten over het jaar 2019 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. De labelscore is hier het absoluut aantal gelabelde patiënten zoals dat gebruikt wordt voor de verdeling. Een daling van meer dan 20% wordt geacht veroorzaakt te zijn door Covid op het moment dat deze ontvanger gebruik gemaakt heeft van het vangnet van de CB-regeling MSZ 2022. Met totale labelscore wordt het percentage gelabelde patiënten exclusief unieke zorgproducten bedoeld. Bij deze vergelijking wordt uitgegaan van de juridische zelfstandigheid van de ontvangers zoals die in 2022 bestond.
Aanbieders van academische zorg kunnen in aanmerking komen voor de verstrekking van een BBAZ indien voldaan is aan de volgende drie cumulatieve criteria:
a. Van het totaal aantal patiënten van een Nederlandse zorgaanbieder op jaarbasis is minimaal 35% een topreferente patiënt, waarbij een topreferente patiënt voldoet aan de labelsystematiek, die is ontwikkeld in het ROBIJN-traject; én
b. er is sprake van een bestuurlijk formeel samenwerkingsverband met een Nederlands Instituut voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek of een Nederlandse geneeskunde faculteit. Dit samenwerkingsverband wordt ook aanwezig geacht indien beide functies in één organisatie zijn ondergebracht; én
c. zorgaanbieders moeten voldoen aan de kenmerken uit de huidige definitie van de topreferente functie waarbij het verrichten van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek een belangrijk element is.
In aanvulling op het bovenstaande geldt:
Ad a) Zorgaanbieders moeten minimaal drie achtereenvolgende jaren het 35% criterium halen. Hierbij gaat het om de jaren 2017 t/m 2019. Voor het toelatingscriterium worden zowel unieke als gedeelde zorgproducten meegeteld om het percentage topreferente patiënten te berekenen.
Ad b) Tussen de zorgaanbieder en het kennisinstituut moet een formele regeling zijn overeengekomen door de RvB en RvT van beide instellingen waarmee een gemeenschappelijk beleidsorgaan is ingesteld. Dit beleidsorgaan heeft als taak doelmatige samenwerking op het terrein van wetenschappelijk geneeskundig onderwijs en onderzoek tussen het kennisinstituut en de zorgaanbieder te bevorderen. Dit beleidsorgaan moet voor de periode waar de verlening op is gebaseerd bestaan hebben. Het betreffende kennisinstituut moet zijn genoemd in de subsidieregeling van NWO, dan wel vergelijkbaar zijn wat betreft belang en omvang.
Er moet sprake zijn van het ontwikkelen en in stand houden van een op kennisoverdracht gerichte infrastructuur voor de volle breedte van de medisch specialistische zorg. Er moet sprake zijn van brede uitrol van bewezen innovaties in de zorg (diagnostiek/behandeling).
Ad c) De zorgaanbieder realiseert minimaal een verhouding van 1:10 hoogleraar ten opzichte van het aantal medische specialisten.
De zorgaanbieder dient tenminste zeven poortspecialismen aanwezig te hebben of structureel in te huren om de zorg op die poortspecialismen te kunnen garanderen;
De zorgaanbieder dient zorg te leveren in minimaal veertien verschillende zorgproducthoofdgroepen.
De zorgaanbieder vervult de last resort functie. De instelling voert medische verrichtingen uit bij patiënten die anders uitbehandeld zouden zijn en garandeert deze voorziening. Dit gebeurt in nauwe afstemming met ontvangers van de BBAZ. De NZa zal dit casuïstisch beoordelen.
2. Compartimenten
Binnen de BBAZ worden twee compartimenten onderscheiden:
a. Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg niet volledig bekostigd wordt via prestaties en tarieven;
b. Een compartiment voor zorgaanbieders waarbij de topreferente zorg volledig wordt bekostigd via prestaties en tarieven.
3. Hoogte beschikbaarheidbijdrage
a. De beschikbaarheidbijdrage bestaat uit een vergoeding voor topreferente patiëntenzorg en het beschikbaar houden van de infrastructuur voor het uitvoeren van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de vergoeding bedoeld voor het bedenken, uittesten en verspreiden van nieuwe behandelingen en diagnostiek en de ontwikkeling & innovatie die nodig is voor het behandelen van topreferente patiënten.
b. De beschikbaar gestelde middelen voor de BBAZ bedragen voor compartiment een € 940.886.231 dit bedrag is exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC.
c. Er is € 557.154 bestemd als vergoeding aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) vanwege haar functie als Nationaal Referentie Centrum Histocompatibiliteitsonderzoek.
4. Verdeling beschikbare middelen over het variabele en vaste deel
Voor het jaar 2024 is 65% van de totale BBAZ, (exclusief het deel Histocompatibiliteit voor het LUMC), beschikbaar voor het bekostigen van de topreferente patiëntenzorg en 35% van de huidige totale BBAZ voor het bekostigen van het vaste ofwel O&I-deel.
[tabel]
5. Beschikbare middelen het 2e compartiment
De vergoeding voor zorgaanbieders uit het tweede compartiment is gebaseerd op de resultaten van een kostenonderzoek/kostenbegroting zoals vastgesteld door VWS.
[tabel]
6. Verlening binnen compartimenten
a. Het variabele deel wordt verdeeld op basis van het aantal topreferente patiënten over het jaar 2019 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek exclusief patiënten die uitsluitend unieke zorgproducten ontvangen. Hiervoor maken we gebruik van DIS data die is aangeleverd tot oktober 2023. De labels van de labelsystematiek: 1. Patiënten met een hoge behandelintensiteit; het betreft patiënten in een fase in het ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld.
2. Patiënten die een uniek zorgaanbod nodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag of de benodigde infrastructuur.
3. Patiënten die multispecialistische zorg nodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken.
4. Patiënten die een complexe ingreep nodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan.
5. Patiënten met een zeldzame diagnose die gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt gesteld.
6. Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (tertiaire verwijzing). Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder.
7. Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex. De functionele omschrijving wordt verder doorontwikkeld in overleg met het zorgveld. De functionele omschrijving c.q. uitwerking van bovenstaande labels is opgenomen in de bijlage 1 bij deze beleidsregel.
1. Patiënten met een hoge behandelintensiteit; het betreft patiënten in een fase in het ziekteproces die vereist dat veel intensiever dan gebruikelijk moet worden behandeld.
2. Patiënten die een uniek zorgaanbod nodig hebben vanwege de complexiteit van de zorgvraag of de benodigde infrastructuur.
3. Patiënten die multispecialistische zorg nodig hebben, gedefinieerd als zorg waarvoor tenminste drie poortspecialismen nauw met elkaar moeten samenwerken.
4. Patiënten die een complexe ingreep nodig hebben; operaties die gemiddeld op jaarbasis voor minder dan 1 op 100.000 patiënten worden gedaan.
5. Patiënten met een zeldzame diagnose die gemiddeld op jaarbasis bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt gesteld.
6. Patiënten die door medisch specialisten worden doorverwezen (tertiaire verwijzing). Patiënten die zorg nodig hebben die in een algemeen ziekenhuis niet wordt aangeboden kunnen altijd worden doorverwezen naar een gespecialiseerde zorgaanbieder.
7. Multimorbide patiënten, jonger dan 50 jaar, die meer dan drie aandoeningen tegelijkertijd hebben. Bij de verschillende behandelingen moet steeds rekening worden gehouden met de effecten op de andere aandoeningen. Dat maakt de behandeling soms zeer complex.
b. Het vaste deel wordt verdeeld op basis van de academische zorgomzet zoals deze blijkt uit de meest recent vastgestelde enkelvoudige jaarrekeningen. Voorwaarde is dat de jaarrekeningen van alle rechthebbenden moeten zijn vastgesteld. Indien de academische zorgomzet niet direct uit de jaarrekeningen volgt vragen we deze informatie aanvullend op bij de aanbieder en behoudt de NZa zich het recht voor om deze aanvullende informatie te onderzoeken en toetsen.
c. In afwijking op het uniform kader kan de aanvraag tot verlening tot en met 31 oktober van jaar t-1 worden ingediend.
d. In het geval van een juridische fusie tussen BBAZ ontvangers is er ten aanzien van de hoogte van het subsidiebedrag een gefaseerde overgang om schokeffecten te voorkomen. Dit is alleen het geval indien als gevolg van de fusie de totale BBAZ-subsidie van de fuserende BBAZ-ontvangers meer dan 1% daalt. Om die daling te berekenen wordt daartoe het subsidiebedrag voor 2024 van de nieuwe gefuseerde instelling vergeleken met het de opgetelde subsidiebedragen van de afzonderlijke fusiepartners voor 2024 (berekend op basis van deze beleidsregel) als er geen fusie zou zijn, dit gebaseerd op de DIS-cijfers die gehanteerd worden voor de verlening, en dus 2019 voor de toepassing van deze beleidsregel, en volgens de berekeningswijze van deze beleidsregel. Het verschil tussen deze twee berekeningen, als het een daling is, noemen we het overgangsbedrag en wordt bij de verlening in het eerste jaar waarin de fusie een feit is berekend en later niet meer herrekend als gevolg van recentere DIS-gegevens. Het overgangsbedrag wordt wel aangepast door indexatie op dezelfde wijze als dat gebeurt met de andere BBAZ-subsidiebedragen. Op het totaal beschikbare variabele deel wordt in het eerste subsidiejaar waarin de fusie een feit is 75 procent van het overgangsbedrag in mindering gebracht, in het daarop volgende jaar 50 procent en in het daar weer op volgende jaar 25 procent. Het restant van het beschikbare variabele deel wordt verdeeld volgens deze beleidsregel. Het op het variabele deel gekorte deel van het overgangsbedrag wordt elk jaar, ná de verdeling van het restant van het beschikbare variabele budget, toegekend aan de nieuwe gefuseerde instelling in aanvulling op het bedrag waar de nieuwe gefuseerde instelling in dat jaar volgens de verdeling op basis van deze beleidsregel recht op heeft.
7. Verantwoording
a. Vaste deel De bijdrage voor het vaste deel wordt verantwoord aan de hand van negen kostencategorieën op basis van het jaar 2024: 1. innovatie, onder andere gekoppeld aan de innovatiekalender van VWS (sustainable health);
2. ongedekte investeringen ten bate van innovatieve apparatuur en IT;
3. (nog) niet vergoede zorg (nog geen dbc);
4. randvoorwaardelijke voorzieningen in verband met klinisch onderzoek (niet elders vergoed);
5. beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën;
6. kennisdeling en consultatie (regio, 2e lijn, public health);
7. ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen;
8. databankfunctie en big data ontwikkeling;
9. overkoepelende kosten.
1. innovatie, onder andere gekoppeld aan de innovatiekalender van VWS (sustainable health);
2. ongedekte investeringen ten bate van innovatieve apparatuur en IT;
3. (nog) niet vergoede zorg (nog geen dbc);
4. randvoorwaardelijke voorzieningen in verband met klinisch onderzoek (niet elders vergoed);
5. beschikbaarheid kennis en voorzieningen bij rampen, infecties en epidemieën;
6. kennisdeling en consultatie (regio, 2e lijn, public health);
7. ontwikkeling kwaliteitsbeleid, richtlijnen en normeringen;
8. databankfunctie en big data ontwikkeling;
9. overkoepelende kosten.
b. Variabele deel De bijdrage voor het variabele deel wordt verantwoord aan de hand van de meerkosten voor de topreferente patiënten op basis van de labelsystematiek. Deze worden berekend door de kosten voor de academische patiënten af te zetten tegen de referentiekostprijs voor de door de topreferente patiënten ontvangen zorg. Een instelling waarvoor als gevolg van een fusie artikel 5 lid 6 sub d van toepassing is, dient ook de daar berekende additionele subsidie te verantwoorden.
c. Algemeen De verantwoording door de zorgaanbieder wordt gedaan op basis van de nadere regel en het accountantsprotocol. Bij de verantwoording wordt onderscheid gemaakt in een variabel en een vast deel. De zorgaanbieder rekent zelf de gerealiseerde kosten toe aan één van beide delen. De NZa toetst de ingediende verantwoording mede aan de hand van het vastgestelde accountsprotocol. De methodiek van kostentoerekening moet zijn gebaseerd op een bestendige gedragslijn over meerdere jaren bij de desbetreffende zorgaanbieder. Voor deze verantwoordingsmethodiek zijn instructies vastgesteld door de NZa in het accountantsprotocol. In de specifieke toelichting door de betreffende zorgaanbieder wordt aangegeven hoe de instructies zijn gevolgd. Indien van de instructies is afgeweken wordt dit gemotiveerd. In het geval minder kosten worden verantwoord voor een deel dan vastgesteld zou worden op basis van de verdelingssystematiek geldt dat wordt vastgesteld op het niveau van de verantwoorde kosten. Als de vaststellingsbeschikking daarmee lager uitkomt dan verleend, dient het te veel ontvangen bedrag te worden terugbetaald aan het Zorgverzekeringsfonds. Dit bedrag wordt vervolgens beschikbaar gesteld voor de BBAZ-ontvangers die meer verantwoord hebben dan het bedrag dat zij op basis van de oorspronkelijke verdeling voor de vaststelling zouden ontvangen, maar nooit meer dan de oververantwoording. Het vastgestelde accountantsprotocol is bedoeld om een integrale verantwoording mogelijk te maken door de zorgaanbieder van de gerealiseerde kosten op basis van de bekostigingssystematiek voor de academische zorg. Indien de NZa gebruik maakt van de uitzonderingssituatie zoals beschreven in artikel 5 lid 8g zal met geen enkele BBAZ-ontvanger hard worden afgerekend over 2024. Hierdoor is het vastgestelde bedrag in dat geval ook beschikbaar bij onderverantwoording.
d. Substitutie Indien voor een jaar meer kosten worden verantwoord dan vastgesteld zou worden geldt dat deze meerkosten niet in aanmerking komen voor vergoeding. Dit is alleen anders wanneer in hetzelfde jaar meer kosten zijn gemaakt voor het variabele deel en tegelijkertijd minder kosten zijn gemaakt voor het vaste deel (of andersom). Voor deze situatie biedt het accountantsprotocol de mogelijkheid om aan te tonen dat deze meerkosten alsnog kunnen worden verantwoord als gemaakt ten behoeve van het andere deel en voor vergoeding in aanmerking moeten komen tot maximaal het totaalbedrag. Als verantwoord is volgens het geldende accountantsprotocol dan is aangetoond dat de kosten zijn gemaakt. De beschreven mogelijkheid tot substitutie van kosten tussen de delen maakt integraal onderdeel uit van de verantwoording op basis van het accountantsprotocol. De kosten dienen te zijn gemaakt voor activiteiten en voorzieningen die vallen onder academische zorg. De mogelijkheid tot substitutie van kosten kan er niet voor zorgen dat uiteindelijk een hoger totaalbedrag wordt vastgesteld dan vastgesteld zou worden op basis van de verdelingssystematiek.
8. Vaststelling
a. In de vaststelling worden patiënten die uitsluitend unieke dbc-zorgproducten ontvangen niet meegeteld.
b. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten in 2022 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data tot februari 2025 gebruikt.
c. Bij de vaststelling wordt bij de verdeling bij een fusie de methodiek als beschreven in artikel 5 lid 6 sub d toegepast.
d. Mocht een van de labels ten tijde van de verlening onvoldoende zijn uitontwikkeld dan wordt dit label ook niet gebruikt bij de vaststelling.
e. Het vaste deel wordt in 2024 vastgesteld op basis van de academische zorgomzet 2023.
f. Tussentijdse berekening De NZa zal in het tweede kwartaal van 2024 aan de ontvangers uit het 1e compartiment inzicht geven in de labelscores per instelling over het jaar 2022. De NZa zal zodra dit beschikbaar is tevens inzicht geven in de verdeling op basis van de academische zorgomzet 2023.
g. Het variabele deel wordt vastgesteld op basis van het van aantal topreferente patiënten in 2022 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. Hiervoor wordt de DIS data tot februari 2025 gebruikt. Gezien de covidsituatie in 2022 wordt op basis van de realisatie 2022 beoordeeld of er aanleiding is om de verdeling anders vast te stellen. Indien de covidsituatie 2022 een daling heeft veroorzaakt van meer dan 20% ten opzichte van de totale labelscore van 2019 bij één of meer BBAZ-ontvangers, dan wordt het variabele deel verdeeld op basis van het aantal topreferente patiënten over het jaar 2019 per zorgaanbieder volgens de labelsystematiek. De labelscore is hier het absoluut aantal gelabelde patiënten zoals dat gebruikt wordt voor de verdeling. Een daling van meer dan 20% wordt geacht veroorzaakt te zijn door Covid op het moment dat deze ontvanger gebruik gemaakt heeft van het vangnet van de CB-regeling MSZ 2022. Met totale labelscore wordt het percentage gelabelde patiënten exclusief unieke zorgproducten bedoeld. Bij deze vergelijking wordt uitgegaan van de juridische zelfstandigheid van de ontvangers zoals die in 2022 bestond.
- Citeren als
- Art. 5
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0048759
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl