BWBR0048327
Geldig vanaf 2025-09-24
Artikel 5
Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000
1. Ten minste eens in de vijf jaar wordt door het bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000. Indien in de tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets frequenter wordt uitgevoerd. De werkgever aan wie vrijstelling is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds.
2. De werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds toont kwantitatief de actuariële gelijkwaardigheid aan. De actuariële gelijkwaardigheid kan in afwijking van de vorige zin kwalitatief worden aangetoond, indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als dat bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt.
3. Bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen:
a. de werkgever stelt het eigen werknemersbestand op het moment van toetsing vast, waarbij dit alle werknemers betreft die op de dag van indiening van het verzoek tot vrijstelling onder de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds vallen indien die regeling van toepassing zou zijn, en het bedrijfstakpensioenfonds stelt een van haar bestand afgeleid modelbestand vast;
b. de werkgever stelt vast welke pensioensoorten voor toetsing in aanmerking komen, waarbij wordt uitgegaan van het volgende: 1°. de onvoorwaardelijk toegezegde reglementaire pensioensoorten worden bij de berekening meegenomen, met uitzondering van het pensioen op risicobasis dat betrokken is in de toets op financiële gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b; en
2°. vrijwillige pensioenregelingen blijven buiten beschouwing evenals regelingen die niet in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds zijn opgenomen, maar waarin op andere wijze in het arbeidsvoorwaardenoverleg is voorzien;
1°. de onvoorwaardelijk toegezegde reglementaire pensioensoorten worden bij de berekening meegenomen, met uitzondering van het pensioen op risicobasis dat betrokken is in de toets op financiële gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b; en
2°. vrijwillige pensioenregelingen blijven buiten beschouwing evenals regelingen die niet in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds zijn opgenomen, maar waarin op andere wijze in het arbeidsvoorwaardenoverleg is voorzien;
c. de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds hanteren de grondslagen op basis van de volgende richtlijnen: 1°. sterftegrondslagen: gebaseerd op de meest prudente beginselen;
2°. beleggingsrendementen: een verwacht bruto meetkundig rendement bedoeld in artikel 23a, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, waarbij de toekomstige rentetermijnstructuur wordt afgeleid uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen;
3°. beleggingsbeleid: de beoogde beleggingsportefeuille;
4°. de prijs- en looninflatie: de prijs- en looninflatie, bedoeld in artikel 23a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, inclusief loonontwikkeling bij de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds;
5°. invalideringskansen: invalideringskansen berekend op basis van de instroom van de rechthebbenden op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten per leeftijdscohort als percentage van de werknemerspopulatie bij het bedrijfstakpensioenfonds;
6°. ontslagkansen: de kans dat actieve deelnemers als gevolg van ontslag hun deelname aan de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds zullen beëindigen; en
7°. revalideringskansen: deze blijven buiten beschouwing;
1°. sterftegrondslagen: gebaseerd op de meest prudente beginselen;
2°. beleggingsrendementen: een verwacht bruto meetkundig rendement bedoeld in artikel 23a, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, waarbij de toekomstige rentetermijnstructuur wordt afgeleid uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen;
3°. beleggingsbeleid: de beoogde beleggingsportefeuille;
4°. de prijs- en looninflatie: de prijs- en looninflatie, bedoeld in artikel 23a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, inclusief loonontwikkeling bij de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds;
5°. invalideringskansen: invalideringskansen berekend op basis van de instroom van de rechthebbenden op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten per leeftijdscohort als percentage van de werknemerspopulatie bij het bedrijfstakpensioenfonds;
6°. ontslagkansen: de kans dat actieve deelnemers als gevolg van ontslag hun deelname aan de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds zullen beëindigen; en
7°. revalideringskansen: deze blijven buiten beschouwing;
d. het bedrijfstakpensioenfonds en de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds bereiken overeenstemming over het actieve deelnemersbestand, de pensioensoorten, de grondslagen en het te hanteren modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds.
4. De pensioenregeling van de werkgever en de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds worden met elkaar vergeleken op basis van een berekening van de contante waarde van de uitkeringsstromen over een toekomstige periode van 100 jaar waarbij ontslag van een individuele deelnemer leidt tot uitkering van de wettelijke overdrachtswaarde. De geschatte pensioenverplichtingen over 100 jaar worden in de uitkeringsstroom over de periode van 100 jaar opgenomen. Deze berekening vindt plaats met het actieve deelnemersbestand van de werkgever en met het op dat moment actuele modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds.
5. Indien de contante waarde van de toekomstige uitkeringsstromen volgens de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijk is aan 95% van de contante waarde van de uitkeringsstromen van de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds, wordt kwantitatieve gelijkwaardigheid geacht aanwezig te zijn, waarbij deze kwantitatieve gelijkwaardigheid wordt aangetoond door middel van een deterministische analyse op basis van het actieve deelnemersbestand van de werkgever of van het modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. Indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als het bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt, kan de kwantitatieve gelijkwaardigheid in afwijking van de vorige zin ook worden aangetoond door middel van een stochastische analyse.
6. Voor zover de werkgever gebruikmaakt van een met de leeftijd oplopend premiepercentage als bedoeld in artikel 220e van de Pensioenwet, kan de werkgever de ontslagkansen buiten beschouwing laten bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid.
7. Indien de ontslagkansen bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid buiten beschouwing zijn gelaten, kan het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 1 oktober 2030 bepalen dat opnieuw wordt getoetst met inachtneming van de ontslagkansen.
8. Het zesde lid vervalt met ingang van 1 oktober 2030. Het zevende lid en dit lid vervallen met ingang van 1 januari 2031.
2. De werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds toont kwantitatief de actuariële gelijkwaardigheid aan. De actuariële gelijkwaardigheid kan in afwijking van de vorige zin kwalitatief worden aangetoond, indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als dat bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt.
3. Bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen:
a. de werkgever stelt het eigen werknemersbestand op het moment van toetsing vast, waarbij dit alle werknemers betreft die op de dag van indiening van het verzoek tot vrijstelling onder de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds vallen indien die regeling van toepassing zou zijn, en het bedrijfstakpensioenfonds stelt een van haar bestand afgeleid modelbestand vast;
b. de werkgever stelt vast welke pensioensoorten voor toetsing in aanmerking komen, waarbij wordt uitgegaan van het volgende: 1°. de onvoorwaardelijk toegezegde reglementaire pensioensoorten worden bij de berekening meegenomen, met uitzondering van het pensioen op risicobasis dat betrokken is in de toets op financiële gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b; en
2°. vrijwillige pensioenregelingen blijven buiten beschouwing evenals regelingen die niet in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds zijn opgenomen, maar waarin op andere wijze in het arbeidsvoorwaardenoverleg is voorzien;
1°. de onvoorwaardelijk toegezegde reglementaire pensioensoorten worden bij de berekening meegenomen, met uitzondering van het pensioen op risicobasis dat betrokken is in de toets op financiële gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b; en
2°. vrijwillige pensioenregelingen blijven buiten beschouwing evenals regelingen die niet in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds zijn opgenomen, maar waarin op andere wijze in het arbeidsvoorwaardenoverleg is voorzien;
c. de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds hanteren de grondslagen op basis van de volgende richtlijnen: 1°. sterftegrondslagen: gebaseerd op de meest prudente beginselen;
2°. beleggingsrendementen: een verwacht bruto meetkundig rendement bedoeld in artikel 23a, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, waarbij de toekomstige rentetermijnstructuur wordt afgeleid uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen;
3°. beleggingsbeleid: de beoogde beleggingsportefeuille;
4°. de prijs- en looninflatie: de prijs- en looninflatie, bedoeld in artikel 23a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, inclusief loonontwikkeling bij de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds;
5°. invalideringskansen: invalideringskansen berekend op basis van de instroom van de rechthebbenden op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten per leeftijdscohort als percentage van de werknemerspopulatie bij het bedrijfstakpensioenfonds;
6°. ontslagkansen: de kans dat actieve deelnemers als gevolg van ontslag hun deelname aan de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds zullen beëindigen; en
7°. revalideringskansen: deze blijven buiten beschouwing;
1°. sterftegrondslagen: gebaseerd op de meest prudente beginselen;
2°. beleggingsrendementen: een verwacht bruto meetkundig rendement bedoeld in artikel 23a, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, waarbij de toekomstige rentetermijnstructuur wordt afgeleid uit de door De Nederlandsche Bank gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen;
3°. beleggingsbeleid: de beoogde beleggingsportefeuille;
4°. de prijs- en looninflatie: de prijs- en looninflatie, bedoeld in artikel 23a van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, inclusief loonontwikkeling bij de werkgever en het bedrijfstakpensioenfonds;
5°. invalideringskansen: invalideringskansen berekend op basis van de instroom van de rechthebbenden op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten per leeftijdscohort als percentage van de werknemerspopulatie bij het bedrijfstakpensioenfonds;
6°. ontslagkansen: de kans dat actieve deelnemers als gevolg van ontslag hun deelname aan de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds zullen beëindigen; en
7°. revalideringskansen: deze blijven buiten beschouwing;
d. het bedrijfstakpensioenfonds en de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij dat bedrijfstakpensioenfonds bereiken overeenstemming over het actieve deelnemersbestand, de pensioensoorten, de grondslagen en het te hanteren modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds.
4. De pensioenregeling van de werkgever en de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds worden met elkaar vergeleken op basis van een berekening van de contante waarde van de uitkeringsstromen over een toekomstige periode van 100 jaar waarbij ontslag van een individuele deelnemer leidt tot uitkering van de wettelijke overdrachtswaarde. De geschatte pensioenverplichtingen over 100 jaar worden in de uitkeringsstroom over de periode van 100 jaar opgenomen. Deze berekening vindt plaats met het actieve deelnemersbestand van de werkgever en met het op dat moment actuele modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds.
5. Indien de contante waarde van de toekomstige uitkeringsstromen volgens de pensioenregeling van de werkgever ten minste gelijk is aan 95% van de contante waarde van de uitkeringsstromen van de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds, wordt kwantitatieve gelijkwaardigheid geacht aanwezig te zijn, waarbij deze kwantitatieve gelijkwaardigheid wordt aangetoond door middel van een deterministische analyse op basis van het actieve deelnemersbestand van de werkgever of van het modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds. Indien zowel de werkgever die een vrijstelling heeft of aanvraagt bij een bedrijfstakpensioenfonds als het bedrijfstakpensioenfonds hiermee instemt, kan de kwantitatieve gelijkwaardigheid in afwijking van de vorige zin ook worden aangetoond door middel van een stochastische analyse.
6. Voor zover de werkgever gebruikmaakt van een met de leeftijd oplopend premiepercentage als bedoeld in artikel 220e van de Pensioenwet, kan de werkgever de ontslagkansen buiten beschouwing laten bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid.
7. Indien de ontslagkansen bij de toetsing van de kwantitatieve actuariële gelijkwaardigheid buiten beschouwing zijn gelaten, kan het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 1 oktober 2030 bepalen dat opnieuw wordt getoetst met inachtneming van de ontslagkansen.
8. Het zesde lid vervalt met ingang van 1 oktober 2030. Het zevende lid en dit lid vervallen met ingang van 1 januari 2031.